Home » Nieuwsbrief » Nieuwsbrief 23 december 2021

Nieuwsbrief 23 december 2021

Belastingplan

Wetsvoorstellen Belastingplan 2022 c.s. aangenomen

De Eerste Kamer heeft de wetsvoorstellen Belastingplan 2022, Overige fiscale maatregelen 2022, implementatie belastingplichtmaatregel, tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel, verlaging verhuurderheffing en intrekking van de Baangerelateerde Investeringskorting (BIK) aangenomen. De Eerste Kamer heeft ook gestemd over de moties die tijdens het debat over de wetsvoorstellen zijn ingediend. Een motie, waarin de regering verzocht wordt om nog deze week een voorstel naar het parlement te sturen waarin de verlenging van de eerste schijf vennootschapsbelasting per 1 januari 2022 ongedaan wordt gemaakt, is verworpen.

Aangenomen zijn moties waarin de regering gevraagd wordt om zo snel mogelijk een einde te maken aan het op basis van fictief rendement belasten van vermogen dat als spaargeld wordt aangehouden, om via de bestaande koopkrachttegemoetkoming AOW in 2022 een eenmalige uitkering van € 200 aan AOW-gerechtigden uit te betalen en om op basis van een brede samenwerking met beide Kamers, onderzoeksinstituten en externe specialisten te komen tot vereenvoudiging van het stelsel van sociale zekerheid en belastingen.


Lees meer  

 

Inkomstenbelasting

Arbeidskorting bij gedeeltelijke belastingplicht

De arbeidskorting is een heffingskorting voor belastingplichtigen met arbeidsinkomen. De arbeidskorting neemt vanaf een bepaalde hoogte van het arbeidsinkomen af tot uiteindelijk nihil. Uit de omschrijving van de arbeidskorting in de wet valt niet op te maken of voor iemand, die een deel van het kalenderjaar belastingplichtig is in Nederland en de rest van het jaar niet, de inkomsten die hij in de rest van het jaar geniet moeten worden gerekend tot het arbeidsinkomen voor de arbeidskorting.

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde in een procedure dat bij de berekening van de arbeidskorting geen rekening moet worden gehouden met arbeidsinkomen uit de periode dat iemand niet belastingplichtig is in Nederland. De staatssecretaris van Financiën heeft beroep in cassatie ingesteld tegen deze uitspraak van het hof.

De Hoge Raad stelt vast dat de wettekst niet duidelijk is ten aanzien van het begrip arbeidsinkomen. De Wet IB 2001 gaat ervan uit dat Nederland inkomstenbelasting heft over het inkomen van inwoners van Nederland en over Nederlands inkomen van niet-inwoners van Nederland. Als voor de berekening van de arbeidskorting rekening gehouden moet worden met niet-Nederlands inkomen van niet-inwoners van Nederland, kan dit worden gezien als een uitbreiding van het inkomen dat in aanmerking wordt genomen bij de heffing van inkomstenbelasting. Een dergelijke uitbreiding vormt een inbreuk op het uitgangspunt van de wet. Uit de wettekst blijkt niet dat die uitbreiding is bedoeld. Ook het tegengestelde blijkt niet uit de wettekst. Ook de parlementaire geschiedenis van het begrip arbeidsinkomen biedt geen duidelijkheid.

Tot 2015 was de toepassing van de arbeidskorting bij personen, die slechts een deel van het jaar binnenlands belastingplichtig waren, uitdrukkelijk in de wet geregeld. Wie niet het gehele kalenderjaar binnenlands belastingplichtig was had geen recht op de heffingskortingen, tenzij hij koos voor toepassing van de regels voor binnenlandse belastingplichtigen. Met ingang van 2015 hebben ook personen, die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar binnenlands belastingplichtig zijn, recht op de heffingskortingen. Met ingang van 2016 worden voor die personen de heffingskortingen tijdsevenredig verminderd. De tijdsevenredige vermindering voor de arbeidskorting is met ingang van 2019 vervallen. De Hoge Raad ziet onvoldoende redenen om aan te nemen dat het begrip arbeidsinkomen zo moet worden uitgelegd, dat daaronder ook inkomsten moeten worden begrepen die door een niet-inwoner van Nederland zijn genoten en die niet in Nederland belastbaar zijn.


Lees meer  
 

Omzetbelasting

Internetconsultatie Wet implementatie richtlijn kleineondernemersregeling

Op 18 februari 2020 heeft de Raad van de Europese Unie de Richtlijn kleineondernemersregeling vastgesteld. Deze richtlijn schrijft voor, dat de lidstaten per 1 januari 2025 de mogelijkheid hebben ingevoerd voor een ondernemer om de kleineondernemersregeling (KOR) in een andere lidstaat toe te passen. De richtlijn beoogt de nalevingskosten voor kleine ondernemers te beperken, hun groei te bevorderen en de grensoverschrijdende handel te ontwikkelen. De staatssecretaris van Financiën heeft een conceptwetsvoorstel ter consultatie gelegd. Dit wetsvoorstel voorziet in de implementatie van deze richtlijn in Nederland.

Zowel de huidige als de nieuwe KOR is een vrijstellingsregeling, waarbij de kleine ondernemer geen BTW verschuldigd is over zijn handelingen, maar ook geen recht op aftrek van BTW heeft. De in 2020 vernieuwde Nederlandse KOR blijft grotendeels gehandhaafd. Voor de Nederlandse ondernemer, die uitsluitend in Nederland opereert, zal dit wetsvoorstel materieel weinig veranderingen brengen.

Van de huidige KOR kunnen alleen in Nederland gevestigde ondernemers gebruik maken. De toepassing van de vrijstelling is beperkt tot handelingen die in Nederland belastbaar zijn. De implementatie van de richtlijn KOR brengt hier verandering in. Ook voor de Europese KOR geldt dat kwalificerende ondernemers kunnen kiezen of zij de regeling willen toepassen. Deze keuze kunnen ondernemers voor elke lidstaat afzonderlijk maken. Niet van belang is of de ondernemer de KOR toepast in de lidstaat van vestiging. Wel dient de ondernemer met handelingen in de lidstaten waar hij de KOR wil toepassen onder de daar geldende omzetdrempels te blijven. De jaaromzet in de gehele EU dient onder de grens van € 100.000 te blijven om in een andere lidstaat gebruik te kunnen maken van de KOR. Nederlandse ondernemers van wie de jaaromzet in Nederland onder de nationale omzetdrempel van € 20.000 ligt, kunnen de KOR in Nederland blijven toepassen, ongeacht de hoogte van hun totale jaaromzet. Het kabinet kiest ervoor de huidige omzetdrempel van € 20.000 te handhaven.

Het wetsvoorstel codificeert voor zeer kleine ondernemers de ontheffing van de aanmeldverplichting voor de KOR. De maximale jaaromzet voor een zeer kleine ondernemer in Nederland bedraagt € 1.800. De huidige minimale toepassingsperiode voor de KOR van drie jaar vervalt. Na ingang van de KOR geldt een minimale opzegtermijn van vier weken, voorafgaand aan een belastingtijdvak.

Een Nederlandse ondernemer, die de KOR opzegt of de omzetdrempel overschrijdt, kan de KOR in de drie volgende kalenderjaren niet toepassen. In het geval van opzegging wordt toepassing van de KOR uitgesloten vanaf het kalenderkwartaal van beëindiging gedurende de rest van dat kalenderjaar, alsmede in het daaropvolgende kalenderjaar. Volgens het wetsvoorstel wordt ook een ondernemer, die de KOR niet toepast, daarvan uitgesloten als hij in het voorafgaande kalenderjaar de omzetdrempel heeft overschreden.

Belangstellenden kunnen tot 20 januari 2022 op de internetconsultatie reageren.


Lees meer  
 

 

Sociale verzekeringen

Wet betaald ouderschapsverlof in Staatsblad

De Wet betaald ouderschapsverlof is in het Staatsblad geplaatst. De wet treedt volgens een koninklijk besluit per 2 augustus 2022 in werking. In afwijking daarvan is een artikel van de wet op de dag na plaatsing in het Staatsblad per 8 december 2021 in werking getreden.

Dat artikel betreft het instemmen door de werkgever met een verzoek van de werknemer om het aanvullend geboorteverlof niet op te nemen of niet voort te zetten als gevolg van het opnemen van zwangerschaps-, bevallings- of adoptieverlof of vanwege onvoorziene omstandigheden. In dat geval wordt het recht op verlof opgeschort. Verlof dat niet wordt opgenomen gedurende het eerste jaar na de geboorte van het kind vervalt. De werkgever hoeft aan het verzoek niet met ingang van een vroeger tijdstip gevolg te geven dan vier weken na het verzoek. In het geval van het niet opnemen of niet voortzetten van aanvullend geboorteverlof als gevolg van onvoorziene omstandigheden mag de werkgever het verzoek weigeren als een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang zich daartegen verzet. De werkgever moet een afwijzing van een verzoek binnen een redelijke termijn schriftelijk onderbouwen.


Lees meer  
 

 


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.