Algemeen
ING-rekeningnummer voor g-rekeningen niet meer beschikbaar vanaf 1 november 2026
De Belastingdienst is op 1 mei 2026 overgestapt van ING naar Rabobank. Hierdoor is het rekeningnummer van de Belastingdienst voor betalingen vanaf g-rekeningen ook gewijzigd. Tot 1 november 2026 kon het oude ING-rekeningnummer nog worden gebruikt voor deze betalingen. Vanaf 1 november 2026 is dit niet meer mogelijk. Betalingen naar het oude ING-rekeningnummer NL78 INGB 0000 4440 40 worden dan geweigerd. Voor betalingen vanaf een g-rekening moet voortaan het Rabobank-rekeningnummer NL04 RABO 0200 1445 45 worden gebruikt.
Loonbelasting
Stichting verantwoordelijk voor loonbelasting van verpacht restaurant
Een stichting huurt een pand waarin een restaurant is gevestigd. Op papier is het restaurant verpacht aan verschillende vennootschappen, waaronder een Engelse onderneming en een Nederlandse bv. Volgens de stichting zijn deze pachters verantwoordelijk voor de exploitatie en het personeel. Daarom meent de stichting dat zij geen werkgever is en dus geen loonheffingen hoeft af te dragen. De Belastingdienst denkt daar anders over en legt naheffingsaanslagen op tegen het anoniementarief.
Naheffing
Het hof stelt vast dat de stichting zelf de inkomsten uit het restaurant ontvangt en ook de lonen van het personeel betaalt. Bovendien is niet gebleken dat met de pachters een daadwerkelijke financiële afrekening heeft plaatsgevonden. Daarom acht het hof aannemelijk dat het restaurant feitelijk voor rekening en risico van de stichting wordt geëxploiteerd. De stichting is daardoor inhoudingsplichtig voor de loonheffingen van het personeel.
Anoniementarief
Daarnaast oordeelt het hof dat het anoniementarief terecht is toegepast. De loonadministratie van de pachters kan niet aan de stichting worden toegerekend. De stichting heeft geen eigen loonadministratie bijgehouden, waarin de relevante gegevens van de werknemers zijn opgenomen. Daardoor is sprake van nettoloonbetalingen aan anonieme werknemers.
Inkomstenbelasting
Voorraad herwaarderen via de kapitaalrekening houdt de winst niet buiten de heffing
Een vennoot in een vof handelt samen met een medevennoot in onderdelen voor Amerikaanse auto's. De vennoot doet geen aangifte 2019. Ook na een aanmaning blijft zijn aangifte uit. Die komt pas bij het bezwaar tegen de ambtshalve aanslag. De aangifte opent met een ondernemingsvermogen van € 691.607, terwijl de aangifte over 2018 eindigt op € 472.223. Volgens de medevennoot zijn bij een computercrash veel gegevens verloren gegaan. Daarna staat de voorraad in de administratie tegen de inkoopprijzen van 1 januari 2021, die fors boven de historische kostprijs liggen.
Terug naar kostprijs
De inspecteur ziet een herwaardering die buiten de winst om loopt. Fiscaal gezien hoort voorraad op de historische kostprijs te staan. Wie hoger waardeert, toont te lage brutomarges. In bezwaar verlaagt de inspecteur zijn eerdere correctie. Volgens het bestand "inkopen 2019" bedraagt de voorraad per 1 januari 2019 ongeveer € 340.000, tegen € 177.968 op de balans van eind 2018. Het verschil van € 162.032 rekent hij tot de winst over 2019; het restant loopt in 2020 al via de winst. Aan de vennoot wordt 50% hiervan toegerekd.
Verzwaarde bewijslast
De belastingplichtige spreekt van een telling, niet van een herwaardering. De oorzaak ligt volgens hem in 2018 of eerder en daar hoort een eventuele correctie thuis. Die discussie begint voor hem op achterstand. Wie de termijn uit de aanmaning laat verlopen, doet niet de vereiste aangifte. Een aangifte in bezwaar verandert dat niet. De wet keert de bewijslast dan om en verzwaart die. De belastingplichtige moet overtuigend aantonen dat de uitspraak op bezwaar onjuist is.
Geen gat tussen jaren
Dat lukt hem niet. De schatting van de inspecteur is redelijk, want die volgt het eigen voorraadbestand en corrigeert slechts een deel van de sprong. De tellijst en het bestand "inkopen 2019" wijzen eerder op een herwaardering dan op een oud verschil. Ligt de oorzaak toch in eerdere jaren, dan staat de foutenleer correctie toe in 2019, het oudste open jaar.
Afwaardering leningen aan vennootschap niet aftrekbaar
Een dga wil de afwaardering van diverse leningen aan zijn vennootschap in mindering brengen op zijn tbs-resultaat (terbeschikkingstelling). De inspecteur weigert deze afwaardering. De rechtbank beoordeelt of dit terecht is.
Gecedeerde lening en borgstelling
De dga is directeur-grootaandeelhouder van een bv die een belang heeft in een andere bv. In 2008 verstrekt een bank leningen aan deze bv, waarvoor de dga en anderen zich borg stellen. In 2019 cedeert de bank de leningen aan de dga en de andere borgstellers. De dga verkrijgt een vordering van ruim drie ton op de vennootschap. De borgstellingen gaan als nevenrechten over op de dga. In zijn aangifte 2020 claimt de dga een afwaardering. De rechtbank stelt dat de dga moet aantonen dat hij een verlies heeft geleden. Omdat de borgstellingen op de dga zijn overgegaan, kan hij de andere borgstellers aanspreken. De dga maakt niet aannemelijk dat de borgen geen verhaal bieden. Een afspraak om elkaar niet aan te spreken, beschouwt de rechtbank als onzakelijk en wordt fiscaal genegeerd. De inspecteur heeft de afwaardering van deze vordering terecht gecorrigeerd.
Onzakelijke aanvullende leningen
Daarnaast verstrekt de dga in 2019 € 37.000 voor boeterente en € 75.000 aan aanvullende leningen. Voor deze leningen ontbreken zakelijke voorwaarden zoals leningsovereenkomsten of zekerheden. Deze leningen zijn verstrekt in een periode waarin de bv al jaren een negatief eigen vermogen heeft en de bank de leningen wilde beëindigen. De rechtbank oordeelt dat een willekeurige derde deze leningen niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben verstrekt. De leningen zijn daarom onzakelijk.
Geen bewijs, geen aftrek
Een man doet aangifte inkomstenbelasting voor het belastingjaar 2021. Hierin brengt hij, rekening houdend met het drempelbedrag, € 409 in aftrek voor specifieke zorgkosten. De inspecteur houdt bij het opleggen van de definitieve aanslag geen rekening met deze aftrekpost.
Tandartskosten
Uitgaven voor tandheelkundige hulp komen in aanmerking voor aftrek als specifieke zorgkosten, mits deze in het betreffende kalenderjaar op de man drukken. De man moet dit aannemelijk kunnen maken. De man heeft echter alleen tandartsrekeningen uit 2017. Hij zegt dat hij zijn best heeft gedaan om betalingsbewijzen op te vragen bij zijn bank en facturen bij de tandartspraktijk, maar dat dit niet gelukt is. De rechtbank heeft hier op zich begrip voor, maar dat het niet gelukt is, komt voor rekening en risico van de man. Ook in hoger beroep kan de man geen bewijsstukken laten zien voor de door hem gestelde tandartskosten uit 2021. Hierdoor staat niet vast dat de kosten zijn gemaakt en op de man drukken.
Vordering op kind geen banktegoed voor box 3
Een vrouw geeft in haar aangifte een aanzienlijk bedrag aan bezittingen aan, waaronder hypothecaire geldleningen aan haar kinderen. De inspecteur merkt deze aan als overige bezittingen, wat leidt tot een geschil over de juiste kwalificatie.
Bezittingen en de aanslag
De vrouw geeft voor 2021 een totaal van € 1,5 miljoen aan bezittingen op. Dit omvat onder meer twee hypothecaire geldleningen aan haar kinderen met een rente van 2,5% per jaar. De inspecteur stelt de definitieve aanslag vast, waarbij de vorderingen als overige bezittingen zijn aangemerkt met een rendement van 5,69%. De vrouw stelt dat de vorderingen als banktegoeden moeten worden gezien, omdat zij kenmerken bezitten van spaartegoed. Zij wijst daarbij op het lage risico, de zekerheid via het gevestigde hypotheekrecht, het niet aanwezig zijn van een winststreven en de regelmatige rente-inkomsten. Voor banktegoeden geldt in 2021 een rendement van 0,01%.
Geen deposito
Het hof oordeelt echter dat de vorderingen niet voldoen aan de definitie van een 'deposito' volgens de Wet op het financieel toezicht, waarnaar de Wet rechtsherstel box 3 verwijst. Een vergelijking met VvE-reservefondsen, die voor 2021 ook als overige bezittingen golden, gaat niet op. Ook is er geen sprake van verboden discriminatie, omdat het risicoprofiel en de onderhandelingsruimte bij vorderingen wezenlijk afwijken van banktegoeden.
Werkelijk rendement onbekend
Nu de vorderingen niet als banktegoed worden aangemerkt, betoogt de vrouw dat nader rechtsherstel moet worden geboden. De heffing zou hoger zijn dan het werkelijke rendement. Het hof oordeelt dat de vrouw dit niet aannemelijk maakt, omdat zij geen inzicht verschaft in de waardeontwikkeling van haar beleggingsportefeuille. Daarom faalt ook dit standpunt.
Omzetbelasting
Beschikkingen negatief jaarsaldo margeregeling staan vast
Een ondernemer handelt in youngtimers en exclusieve horloges. Voor deze activiteiten past hij de globalisatieregeling van de margeregeling toe. Omdat de winstmarges negatief zijn, stelt de inspecteur beschikkingen negatief jaarsaldo vast. Zo stelt de inspecteur een negatief jaarsaldo van € 104.883 vast voor het kalenderjaar 2018. De ondernemer maakt hiertegen geen bezwaar. Ook voor de kalenderjaren 2019 tot en met 2022 stelt de inspecteur beschikkingen negatief jaarsaldo vast, welke na een boekenonderzoek worden gecorrigeerd.
Geschil over jaarsaldi
De ondernemer is het niet eens met de gecorrigeerde beschikkingen negatief jaarsaldo margeregeling voor de kalenderjaren 2019 tot en met 2022. De ondernemer bestrijdt de juistheid van de correcties, die voortkomen uit de boekenonderzoeken, niet. Wel stelt de ondernemer dat het negatieve jaarsaldo van € 104.883 voor 2018 onjuist is. Omdat dit bedrag als beginsaldo voor 2019 geldt, zijn de negatieve saldi in de jaren 2019 tot en met 2022 volgens de ondernemer op te lage bedragen vastgesteld.
Bedrag staat vast
De rechtbank overweegt dat het negatieve jaarsaldo voor het kalenderjaar 2018 onherroepelijk vaststaat. De ondernemer heeft namelijk geen bezwaar gemaakt tegen de beschikking waarbij dit negatieve jaarsaldo werd vastgesteld. Het kalenderjaar 2019 is daarmee begonnen met een vaststaand negatief jaarsaldo van € 104.883. Dat kan in deze procedure niet worden gewijzigd. Aangezien de ondernemer de juistheid van de correcties niet bestrijdt, zijn de beschikkingen niet tot te lage bedragen vastgesteld. De beschikkingen blijven dan ook in stand.
Nultarief bij export paard naar VS
Een ondernemer die handelt in springpaarden verkoopt een paard aan een afnemer in de Verenigde Staten. De ondernemer past het nultarief toe, maar de inspecteur legt een naheffingsaanslag op. De inspecteur stelt dat het tijdsverloop van vier maanden en het tussentijds gebruik van het paard in Europa het verband tussen levering en uitvoer verbreken.
Het hof oordeelt dat de ondernemer een levering van het paard naar de Verenigde Staten is overeengekomen. Het paard is daadwerkelijk aan de afnemer geleverd en heeft het douanegebied van de Unie verlaten. Een tijdsverloop tussen levering en uitvoer staat de toepassing van het nultarief niet in de weg. Ook tussentijds gebruik door de afnemer, zoals deelname aan wedstrijden om het paard in conditie te houden, staat het nultarief niet in de weg. Er is geen sprake van fraude, belastingontwijking of misbruik. De ondernemer mocht daarom het nultarief toepassen.
Vennootschapsbelasting
Vpb nu ook in Overzicht betalen en ontvangen
Vanaf nu zijn voorlopige, definitieve en navorderingsaanslagen vpb zichtbaar in het 'Overzicht betalen en ontvangen'. Ook betaalde vpb-aanslagen zijn tot maximaal twee jaar terug te raadplegen.
Betalen van vpb-aanslagen
Alle openstaande vpb-aanslagen staan onder het tabblad 'Open'. De betaalmethode hangt af van het bedrag:
- Aanslagen tot € 50.000: Deze kunnen direct via iDEAL | Wero worden voldaan. Een handmatige overboeking is ook mogelijk, waarbij de betaalgegevens eenvoudig uit het overzicht te kopiëren zijn.
- Aanslagen vanaf € 50.000: Voor deze bedragen is alleen een handmatige overboeking mogelijk. De benodigde betaalgegevens zijn eveneens te kopiëren.
Na een iDEAL | Wero-betaling duurt het één tot twee werkdagen voordat de verwerking zichtbaar is onder het tabblad 'Afgehandeld'.
Digitale aanvraag automatische incasso
Voor voorlopige aanslagen vpb voor het lopende jaar kan nu digitaal een automatische incasso worden aangevraagd via het tabblad 'Incasso' in het overzicht. Inloggen kan met DigiD, European login of eHerkenning. Als een bank niet in de lijst staat, is digitaal machtigen niet mogelijk en moet het papieren formulier worden gebruikt.
Omkering bewijslast voor hele aanslag door onjuiste aangifte
De Hoge Raad bevestigt dat er sprake kan zijn van het niet doen van de vereiste aangifte, als een ondernemer een aangifte indient met een inhoudelijke fout. In dat geval draait de bewijslast om voor de gehele aanslag en niet alleen voor het onderdeel waarin de fout zit.
Onjuiste factuur
Een bv dient haar aangifte 2015 in met een winst van ruim € 374.000. De aanslag wordt automatisch en zonder correcties opgelegd. In de aangifte is een kostenpost van € 250.000 afgetrokken, waar geen prestatie tegenover staat. De factuur is nooit betaald. Volgens de bv is die factuur per ongeluk in de administratie terechtgekomen. Na een boekenonderzoek legt de Belastingdienst een navorderingsaanslag op, waarbij de winst met ruim € 1,7 miljoen wordt verhoogd.
Geen navorderingsaanslag
De bv stelt dat de Belastingdienst geen navorderingsaanslag mag opleggen. Volgens haar was niet duidelijk dat de oorspronkelijke aanslag te laag was vastgesteld. Daarnaast voert de bv aan dat een eventuele omkering van de bewijslast alleen zou mogen gelden voor de onjuiste factuur van € 250.000 en niet voor alle andere correcties in de navorderingsaanslag.
Kenbare fout
De Hoge Raad geeft de Belastingdienst gelijk. De inspecteur had al aangekondigd dat hij een boekenonderzoek naar de vennootschapsbelasting zou instellen. Dat de aanslag vervolgens toch automatisch werd vastgesteld, is volgens de Hoge Raad een zogenoemde ‘kenbare fout’. Bovendien staat vast dat door de onjuiste aftrekpost minstens 30% te weinig belasting is geheven. Dan gaat de wet ervan uit dat de belastingplichtige redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat er iets mis was. Omdat de beoordeling leidt tot de slotsom dat de vereiste aangifte niet is gedaan, wordt de bewijslast met betrekking tot de gehele belastingaanslag omgekeerd en verzwaard.
Overige heffingen
Nederlandse kansspelbelasting over Duitse prijs
Een in Nederland wonende Duitser speelt mee met een loterij in zijn geboorteland. In mei 2022 heeft hij geluk en wint hij een prijs van € 134.300. Na aangifte betaalt hij 29% kansspelbelasting. De man is het niet eens met de geheven kansspelbelasting en gaat in (hoger) beroep. De man stelt dat de heffing van kansspelbelasting in strijd is met het vrije verkeer van diensten. Hij voert aan dat de Nederlandse belasting deelname aan de Duitse loterij minder aantrekkelijk maakt en dat er sprake is van indirecte discriminatie en ongelijke behandeling. Inwoners van Nederland worden volgens hem anders behandeld dan deelnemers die in Duitsland wonen.
Het hof oordeelt dat de wet kansspelbelasting van toepassing is en dat de belasting correct is berekend. Er is geen discriminatie op grond van woonplaats, omdat Nederlandse en buitenlandse loterijwinnaars die in Nederland wonen gelijk worden belast. Verschillen in belastingheffing in Duitsland zijn het gevolg van nationale belastingstelsels, wat het Unierecht niet verbiedt. Ook levert de heffing van Nederlandse kansspelbelasting geen belemmering op voor het vrije verkeer van diensten. De kansspelbelasting maakt geen verschil in behandeling van binnen- en buitenlandse loterijen, werkt niet belemmerend op deelname aan buitenlandse loterijen en maakt deze ook niet minder aantrekkelijk.
Formeel recht
Rechter mag een te late machtiging negeren
Een adviesbureau dient op 22 juli 2024 hoger beroep in tegen een naheffing van de belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm). Het adviesbureau stuurt een machtiging mee die al ruim drie jaar oud is. Het hof vraagt een machtiging van hooguit drie maanden oud en geeft het bureau daarvoor tot 3 september 2024. De nieuwe machtiging komt pas op 6 september binnen, zonder uitleg. Volgens de Hoge Raad heeft het hof de zaak daarom terecht laten liggen. Ook het Europese recht verandert daar niets aan.
Te laat is te laat
Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Het behandelt de zaak dus niet inhoudelijk. Het bureau gaat daartegen in verzet, een soort bezwaar bij hetzelfde hof. Dat verzet strandt, omdat het bureau geen reden geeft voor de vertraging. Bij de Hoge Raad gooit het bureau het over een Europese boeg. Iedereen heeft volgens het Handvest van de grondrechten van de EU recht op toegang tot de rechter. Het hof houdt volgens het bureau onnodig streng vast aan termijnen. Ook vraagt het bureau de Hoge Raad om vragen te stellen aan het Europese Hof van Justitie.
Wie zit aan tafel?
Alleen de belastingplichtige zelf mag tegen zijn aanslag procederen, maar hij mag zich wel laten vertegenwoordigen. Is die vertegenwoordiger geen advocaat, dan mag de rechter om een schriftelijke machtiging vragen. Een advocaat valt onder eigen beroepsregels en hoeft geen machtiging te overhandigen. De rechter mag daarbij om een recente machtiging vragen, zonder uit te leggen waarom. Komt die machtiging niet op tijd binnen, dan mag de rechter het beroep laten liggen. Voorwaarde is wel dat er een redelijke termijn is gegeven voor het herstellen van het gebrek en dat de vertraging niet te verontschuldigen is.
Europa helpt niet
Europa laat de procesregels grotendeels over aan de lidstaten. Die regels mogen alleen niet strenger zijn dan bij gewone Nederlandse zaken en mogen procederen niet praktisch onmogelijk maken. Volgens de Hoge Raad blijft de eis van een machtiging daarbinnen. Die eis zorgt ervoor dat alleen wie echt bevoegd is een zaak voert. Voor een professionele adviseur is een machtiging binnen een redelijke termijn bovendien goed te regelen. Vragen aan het Europese Hof zijn dus niet nodig.
Reactie plaatsen
Reacties