Nieuwsbrief 21 augustus 2026

Loonbelasting

Geen arbeidskorting meer over bepaalde uitkeringen

Vanaf 1 januari 2027 wijzigen de regels voor het samenvoegen van loon en socialezekerheidsuitkeringen bij de loonheffingen. Deze aanpassing heeft financiële gevolgen voor werknemers die een socialezekerheidsuitkering via hun werkgever ontvangen.

Aanpassing samenvoegbepaling

De wijziging houdt in dat, ondanks het samenvoegen van loon uit vroegere dienstbetrekking (socialezekerheidsuitkeringen) en loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, de arbeidskorting niet langer van toepassing is op het uitkeringsdeel. Dit volgt op een oordeel van de Hoge Raad over ongelijke behandeling. Het gaat om de volgende uitkeringen in combinatie met loon uit werk of een aanvulling op een uitkering:

  • WAO-uitkering
  • WAZ-uitkering
  • Wajong-uitkering
  • IVA- en WGA-uitkeringen (WIA-uitkeringen)
  • Ziektewetuitkering, behalve als die voortkomt uit het huidige dienstverband
  • Wamil-uitkering (Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen)
  • BNO-uitkering (buitengewone natuurlijke omstandigheden)
  • WTV-uitkering (werktijdverkorting)
  • Toeslag op grond van de Toeslagenwet

Rekenvoorbeeld
Een werknemer (45 jaar) is in dienst en ontvangt maandelijks een WGA-uitkering van € 2.000 via de werkgever (loon uit vroegere dienstbetrekking). Daarnaast betaalt de werkgever € 750 resterend loon en een aanvulling van € 250 op de uitkering, samen € 1.000 (loon uit tegenwoordige dienstbetrekking). Het totale loon bedraagt € 3.000. Loonheffingskorting wordt toegepast.

Gevolgen voor de inhouding

In 2026 past de werkgever de witte maandtabel toe op het totale bedrag van € 3.000. De inhouding bedraagt € 386,83, waarbij € 458,17 aan arbeidskorting is verrekend. Netto ontvangt de werknemer € 2.613,17.

Vanaf 2027 wijzigt de berekening. Eerst wordt de inhouding op het totale bedrag van € 3.000 bepaald met de groene maandtabel (€ 845,00). Vervolgens wordt de verrekende arbeidskorting op het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking (€ 1.000) met de witte maandtabel vastgesteld (€ 83,67). De uiteindelijke inhouding is dan € 845,00 minus € 83,67, wat neerkomt op € 761,33. Netto ontvangt de werknemer € 2.238,67.

Financiële impact

Voor de werknemer uit het voorbeeld betekent dit een netto achteruitgang van € 374,50 per maand. Dit komt neer op ongeveer 18% van het uitkeringsbedrag. Dit nadeel kan oplopen tot maximaal 31% van het bedrag van de bruto-uitkering dat in het totale loon zit. Werkgevers wordt geadviseerd hun werknemers tijdig te informeren over deze aanpassing, zodat zij zich hierop kunnen voorbereiden.


Lees meer  
 

Ondernemingswinst

Vermeld onderwerp bij verzoek expliciete uitspraak

Bij het indienen van aangiften IB en vpb kan een expliciete uitspraak van de Belastingdienst worden aangevraagd door een vakje aan te kruisen. In de praktijk blijkt dat de toelichting bij een verzoek om een expliciete uitspraak regelmatig onvoldoende informatie bevat. Soms staat er slechts een korte bevestiging, zonder toelichting op de fiscale kwestie of het ingenomen standpunt. 

Om een goede behandeling van het verzoek te waarborgen, benadrukt de Belastingdienst dat altijd ten minste het onderwerp van de gewenste uitspraak moet worden vermeld. Een duidelijke toelichting op de fiscale kwestie voorkomt onnodige vervolgvragen en vertraging.


Lees meer  
 

Telefoonkosten van krantenbezorger slechts gedeeltelijk aftrekbaar

Een vrouw werkt in 2020 als bezorger van dagbladen. Voor haar werkzaamheden rijdt zij dagelijks met haar auto door verschillende gebieden in Noord-Holland. Haar opdrachtgevers controleren de gereden routes via een app op haar mobiele telefoon. Om deze app te kunnen gebruiken, moet tijdens het werk voortdurend een internetverbinding beschikbaar zijn. Daarom maakt de vrouw kosten voor een telefoonabonnement en internet. In haar aangifte inkomstenbelasting brengt zij € 1.044 aan telefoon- en internetkosten in aftrek als kosten die samenhangen met haar werkzaamheden. De Belastingdienst weigert deze aftrek.

Volgens het hof is voldoende aannemelijk dat de telefoon- en internetkosten een zakelijk karakter hebben. De telefoon wordt immers gebruikt voor de uitvoering van de werkzaamheden en voor de controle door de opdrachtgevers. De vrouw slaagt er echter niet in om de omvang van de kosten goed te onderbouwen. Zij beschikt niet over facturen, bankafschriften of andere bewijsstukken waaruit blijkt welke kosten zij daadwerkelijk heeft gemaakt. Bovendien noemt zij tijdens de procedure verschillende bedragen, waardoor onduidelijk blijft hoe hoog de werkelijke kosten zijn geweest. Normaal gesproken kan dit een reden zijn om de aftrek volledig te weigeren. Het hof vindt het echter aannemelijk dat de vrouw wel degelijk zakelijke telefoon- en internetkosten heeft gemaakt. Omdat de exacte hoogte niet kan worden vastgesteld, schat het hof de aftrekbare kosten op € 500.


Lees meer  
 

Inkomstenbelasting

Geen heffingsvrij vermogen bij werkelijk rendement

Een man en vrouw hebben in 2023 uitsluitend bank- en spaartegoeden van in totaal € 229.802. Op deze tegoeden ontvangen zij gedurende het jaar € 1.575 aan rente. De Belastingdienst stelt het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) vast op € 1.065. De man vindt dat dit bedrag lager moet uitvallen en beroept zich daarbij op het zogenoemde Kerstarrest van de Hoge Raad.

Heffingsvrij vermogen 

De man stelt dat bij de berekening van het werkelijke rendement rekening moet worden gehouden met het heffingsvrij vermogen. Volgens zijn berekening mag daarom slechts een deel van de ontvangen rente worden meegenomen. Hij komt uit op een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 793 in plaats van € 1.065.

Forfaitair rendement

De rechtbank volgt dit standpunt niet. Volgens de rechtbank maakt de Hoge Raad in zijn arrest van 6 juni 2024 duidelijk dat bij de vaststelling van het werkelijke rendement moet worden uitgegaan van het volledige behaalde rendement op het vermogen. Daarbij vindt geen vermindering plaats wegens het heffingsvrije vermogen. Dat betekent dat in deze zaak het volledige bedrag van € 1.575 aan ontvangen rente geldt als werkelijk rendement. Omdat het forfaitaire rendement lager uitvalt dan het daadwerkelijk behaalde rendement, is geen sprake van een situatie waarin de belastingplichtige zwaarder wordt belast dan zijn werkelijke opbrengst.


Lees meer  
 

Gebruikelijk loon voor partner die meer dan hand- en spandiensten verricht

Een vrouw is enig aandeelhouder van een bv die actief is in de handel in dranken en levensmiddelen. Uit rapportages blijkt dat de partner van de vrouw meer dan eenvoudige hand- en spandiensten verrichtte. Hij regelde bijvoorbeeld bestellingen, administratie en transport. Ook toont een Belgische rechtbank aan dat hij goederen onregelmatig naar België heeft gebracht. Op basis van deze informatie legt de Belastingdienst navorderingsaanslagen op in de inkomstenbelasting over de jaren 2015 en 2016.

Gebruikelijk loon 

Iemand die werkzaamheden verricht voor een vennootschap waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft, moet minimaal een bepaald bedrag als loon laten belasten, het zogenoemde gebruikelijk loon. De rechtbank en het gerechtshof oordelen dat de man feitelijk werkzaamheden heeft verricht die het dagelijks functioneren van de bv mogelijk maken. Tijdens een gesprek in 2016 is gebeleken dat de man veel vragen over de bedrijfsvoering beantwoordt, terwijl zijn vrouw, die officieel als eigenaar en bestuurder te boek staat, weinig uitleg kan geven. 

Daarnaast wordt vastgesteld dat de onderneming geen personeel in dienst heeft, terwijl de activiteiten van het bedrijf een substantiële hoeveelheid arbeid vereisen. De bewering van de man dat hij slechts hand- en spandiensten verricht, wordt niet onderbouwd met bewijsmateriaal. Omdat het gebruikelijk loon rechtstreeks voortvloeit uit de wet en de man niet aannemelijk maakt dat zijn werkzaamheden een lager loon rechtvaardigen, is de belastingcorrectie terecht opgelegd.


Lees meer  
 

Vennootschapsbelasting

Geen verzuimboete Minimumbelasting tot en met 31 oktober 2026

Groepsentiteiten die aangifte Minimumbelasting moeten doen, krijgen tot en met 31 oktober 2026 geen boete als zij hun aangifte te laat indienen of te laat betalen. Door internationale invoeringsproblemen en systeemproblemen in de eerste aangifteperiode kregen entiteiten geen boete voor een te late aangifte en betaling. Die uitzondering blijft bestaan tot en met 31 oktober 2026.


Lees meer  
 

Softwarevergoedingen kwalificeren als royalty's, maar verrekening strandt

Een Nederlandse softwareonderneming levert softwareoplossingen aan telecombedrijven in onder meer Griekenland, Sri Lanka en Kenia. Daarbij ontvangen klanten geen eigendom van de software, maar slechts een gebruiksrecht. De intellectuele eigendomsrechten blijven volledig bij de Nederlandse onderneming. Over de vergoedingen die de onderneming uit het buitenland ontvangt, wordt in verschillende landen bronbelasting ingehouden. 

Royalty?

De onderneming wil deze buitenlandse bronbelasting in Nederland verrekenen. Daarvoor moet eerst worden vastgesteld hoe de ontvangen vergoedingen fiscaal moeten worden gekwalificeerd. Zijn de softwarevergoedingen royalty's of gewone bedrijfswinsten? Als sprake is van royalty's, bieden belastingverdragen en het Besluit voorkoming dubbele belasting mogelijkheden om buitenlandse bronbelasting te verrekenen. Als de vergoedingen geen royalty's zijn, ontbreekt die mogelijkheid vaak en kan de buitenlandse belasting mogelijk alleen als kostenpost in aanmerking worden genomen.

Verrekening van bronbelasting 

De rechtbank oordeelt dat de vergoedingen voor het gebruik van de software kwalificeren als royalty's. Daarbij kijkt de rechtbank naar de belastingverdragen met Griekenland en Sri Lanka. Die verdragen zijn gebaseerd op het OESO-modelverdrag uit 1977. Volgens de rechtbank volgt uit de ruime omschrijving van het royaltybegrip dat vergoedingen voor het gebruik van auteursrechtelijk beschermde software hieronder vallen. Van belang is dat de klanten niet simpelweg een softwarepakket kopen, maar een gebruiksrecht krijgen op software waarvan de intellectuele eigendom bij de leverancier blijft. De rechtbank maakt daarbij wel onderscheid tussen softwarelicenties en ondersteunende dienstverlening. Vergoedingen voor support- en onderhoudsdiensten zijn volgens de rechtbank geen royalty's, maar gewone vergoedingen voor dienstverlening.

Toch geen verrekening

Voor verrekening van buitenlandse bronbelasting moet ook worden voldaan aan de zogenoemde tweede limiet. Daarbij moet inzicht bestaan in de winst die aan de buitenlandse royalty-inkomsten kan worden toegerekend. De onderneming heeft volgens de rechtbank onvoldoende gegevens verstrekt over de kosten die samenhangen met de royalty-inkomsten. Daardoor kan niet worden vastgesteld hoeveel verrekeningsruimte daadwerkelijk bestaat. De rechtbank weigert om die reden de gevraagde verrekening van de buitenlandse bronbelasting.

Bronbelasting niet altijd aftrekbaar

De onderneming probeert vervolgens de buitenlandse bronbelasting als kosten in aftrek te brengen. Voor de in Griekenland en Sri Lanka ingehouden bronbelasting gaat dat volgens de rechtbank niet op. Voor die inkomsten bestaat immers een regeling ter voorkoming van dubbele belasting. Daardoor sluit de wet kostenaftrek uit. Voor de in Kenia betaalde bronbelasting ligt dat anders. Die bronbelasting mag wel als kosten in aftrek worden gebracht, waardoor de belastbare winst alsnog wordt verlaagd.


Lees meer  
 

Overdrachtsbelasting

Vastzitten in lift geen reden voor laag tarief

Een man verkoopt zijn woning en koopt vervolgens een maisonnette in een appartementencomplex. Kort na de levering komt de man vast te zitten in een van de liften van het appartementencomplex. Omdat hij al langer last heeft van claustrofobie, ervaart hij dit als een zeer ingrijpende gebeurtenis. Uiteindelijk besluit hij de woning niet te gaan bewonen en verkoopt hij deze enkele maanden later. 

De Belastingdienst vindt dat de woning niet als hoofdverblijf is gebruikt en legt een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op. Daarbij wordt alsnog het algemene tarief van 10,4% toegepast. De man stelt dat sprake is van een onvoorziene omstandigheid. Door zijn gezondheidsproblemen heeft hij moeite met traplopen en is hij grotendeels afhankelijk van de lift. Het vastzitten in de lift heeft volgens hem zijn bestaande claustrofobie zodanig versterkt dat het voor hem niet meer mogelijk was om in de woning te gaan wonen. Daarom vindt hij dat hem niet kan worden verweten dat de woning niet als hoofdverblijf is gebruikt.

Dat een lift incidenteel een storing heeft of tijdelijk blokkeert, is volgens de rechtbank een normaal risico dat bij het gebruik van een lift hoort. Het vastzitten in de lift is daarom geen bijzondere of onvoorziene omstandigheid. De rechtbank begrijpt dat de gebeurtenis voor de man, gelet op zijn claustrofobie, erg vervelend en ingrijpend is geweest. Toch maakt dit het oordeel niet anders. De claustrofobie bestond namelijk al vóór de aankoop van de woning. Daarnaast is niet gebleken dat sprake was van structurele problemen, onveilige situaties of gebreken aan de liften. Volgens de rechtbank is er geen sprake van een situatie waarin de man redelijkerwijs niet in staat was om de woning als hoofdverblijf te gebruiken.


Lees meer  
 

Successiewet

Geen onderscheid op grond van herkomst van het verkregen vermogen

Een vader erft van zijn overleden zoon. De zoon heeft zijn hele leven met ernstige lichamelijke beperkingen geleefd als gevolg van medische fouten. Hiervoor heeft de zoon aanzienlijke bedragen aan smartengeld ontvangen. Met een deel van dit vermogen koopt hij een aandeel in de woning van zijn vader. Het overgenomen deel van de woning wordt verbouwd tot een zelfstandige woonunit, waar hij tot aan zijn overlijden woont. In zijn testament legt de zoon vast dat zijn vader na zijn overlijden het recht van gebruik en bewoning van dit deel van de woning en de inboedel krijgt. De vader vindt dat het aandeel in de woning niet belast zou moeten zijn met erfbelasting, omdat dit vermogen afkomstig is uit het smartengeld dat zijn zoon ontving. Daarnaast stelt hij dat hij voor de erfbelasting als partner van zijn zoon moet worden behandeld.

Smartengeld

De rechtbank oordeelt dat de herkomst van het vermogen niet relevant is voor de erfbelasting. Alles wat krachtens erfrecht wordt verkregen, behoort in beginsel tot de grondslag van de erfbelasting. Dat het vermogen afkomstig is uit smartengeld maakt daarom niet uit.

Partnervrijstelling 

Ook de partnervrijstelling is volgens de rechtbank niet van toepassing. De wet sluit bloedverwanten in de rechte lijn, zoals ouders en kinderen, expliciet uit van het partnerbegrip voor de erfbelasting. Het beroep op het discriminatieverbod slaagt niet. Ook het beroep op het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven wordt afgewezen. Volgens de rechtbank heeft de vader niet aannemelijk gemaakt dat de heffing van erfbelasting in zijn eigen recht op gezinsleven ingrijpt. De aangevoerde omstandigheden hebben vooral betrekking op de situatie van zijn overleden zoon. Tot slot verwerpt de rechtbank het beroep op het evenredigheidsbeginsel. De uitsluiting van ouders en kinderen van de partnervrijstelling is volgens de rechtbank een bewuste keuze van de wetgever. Juist daarom kan de rechter die wettelijke regeling niet buiten toepassing laten.


Lees meer  
 

Invordering

Invorderingskosten terecht in rekening gebracht

Een man woont in de Filipijnen en heeft bezwaar gemaakt tegen zijn belastingaanslag over 2017. In dat kader krijgt hij uitstel van betaling voor de aanslagen waarop dat bezwaar betrekking heeft. Later legt de Belastingdienst voorlopige aanslagen inkomstenbelasting op voor 2023 en 2024. Deze aanslagen worden niet binnen de gestelde termijn betaald. Daarom stuurt de ontvanger eerst aanmaningen en brengt hij aanmaningskosten in rekening. Wanneer betaling vervolgens opnieuw uitblijft, volgen ook dwangbevelen met bijkomende kosten.

De man is het niet eens met deze invorderingskosten en stapt naar de rechtbank. Hij wijst erop dat hij in zijn bezwaar tegen de aanslag over 2017 heeft vermeld dat dit bezwaar ook betrekking heeft op volgende jaren. Volgens de rechtbank geldt het uitstel van betaling niet automatisch voor de voorlopige aanslagen over 2023 en 2024. Uit de brieven van de Belastingdienst blijkt duidelijk dat het uitstel betrekking heeft op de jaren waarvoor bezwaar was gemaakt in het kader van de box 3-procedure. Tegen toekomstige belastingaanslagen kan geen bezwaar worden gemaakt. Ook kunnen voorlopige aanslagen niet meelopen in een eerder verleend uitstel van betaling. Dat betekent dat de invorderingskosten in stand blijven.


Lees meer  
 

Formeel recht

Ten onrechte verrekend verlies leidt alsnog tot navordering

Een ondernemer behaalt in 2012 inkomen uit zijn eenmanszaak. Enkele jaren later verrekent de Belastingdienst een verlies uit 2015 met dat inkomen, waardoor hij een belastingteruggave ontvangt. Na een boekenonderzoek blijkt dat het verlies over 2015 te hoog was vastgesteld. De verliesverrekening met 2012 wordt daarom teruggedraaid. De Belastingdienst legt vervolgens in 2019 een navorderingsaanslag over 2012 op.

De man vindt dat de Belastingdienst niet meer mag navorderen over 2012. Volgens hem is dat belastingjaar al lang afgesloten en is de wettelijke navorderingstermijn verstreken. Het hof legt uit dat normaal gesproken een navorderingsaanslag binnen vijf jaar na afloop van het betreffende belastingjaar moet worden opgelegd. Op die hoofdregel bestaat echter een uitzondering. Die uitzondering geldt wanneer achteraf blijkt dat een verlies uit een later jaar ten onrechte is verrekend met inkomen uit een eerder jaar. In zo'n situatie mag de Belastingdienst ook het eerdere jaar corrigeren, zolang voor het jaar waaruit het verlies afkomstig is nog kan worden nagevorderd.

Volgens het hof is daarvan sprake in deze zaak. Het verlies uit 2015 is achteraf vervallen. Daardoor blijkt de verliesverrekening met 2012 onterecht te zijn geweest. Omdat de Belastingdienst voor het jaar 2015 nog binnen de wettelijke navorderingstermijn zat, mocht ook de aanslag over 2012 worden herzien. Het hof verwerpt daarom het standpunt dat het jaar 2012 'verjaard' zou zijn.


Lees meer  
 

Douane en Accijnzen

Bijbetalen voor duty-free sigaretten

Een man komt vanuit India aan op Schiphol en wordt gecontroleerd door de Douane. Bij de controle ontdekt de Douane dat hij 1.200 sigaretten bij zich heeft. Voor 200 sigaretten krijgt hij een vrijstelling, maar voor de overige 1.000 sigaretten legt de Douane hem een uitnodiging tot betaling (utb) op van € 529,23, bestaande uit douanerecht, accijns en omzetbelasting. Door een computerstoring is deze aanslag handmatig uitgeschreven. Later ontvangt de man een digitale versie met alle details. Hij betaalt het bedrag direct, maar dient bezwaar in.

De man legt tijdens het bezwaar uit dat de sigaretten niet allemaal voor hem waren en dat hij niet wist dat hij aangifte moest doen. Hij stelt dat hij al in de bagagehal werd gecontroleerd, nog voordat hij de kans kreeg om door het rode kanaal te gaan. De Douane handhaaft echter de aanslag, omdat de man de sigaretten niet had aangegeven in het groene kanaal (niets aan te geven).

De man gaat vervolgens in beroep. Hij stelt dat de handgeschreven aanslag niet correct is opgesteld, dat hij niet vrijwillig voor het groene kanaal heeft gekozen en dat hij recht heeft op een vrijstelling voor de sigaretten van een vriend. De rechtbank beslist dat het niet uitmaakt of hij vrijwillig door het groene kanaal ging of in de bagagehal werd gecontroleerd. De man had alsnog aangifte moeten doen. Ook wijst de rechtbank het vrijstellingsverzoek voor de sigaretten van zijn vriend af, omdat ze niet samen door de Douane gingen.


Lees meer  

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.