Belastingplan
Fiscale Verzamelwet 2028 in consultatie
De fiscale wetgeving is constant aan veranderingen onderhevig. Dit vergt voortdurend inhoudelijke wijzigingen en technisch onderhoud. De Fiscale verzamelwet 2028 (FVW28) bevat diverse maatregelen om dit te bewerkstelligen. De wet is onlangs ter consultatie voorgelegd. Het is voor de meeste maatregelen in dit wetsvoorstel wenselijk dat ze per 1 januari 2028 in werking treden. Dit wetsvoorstel bevat de volgende maatregelen:
- Aanvangs- en einddatum eigenwoningforfait
- Maatregelen op pensioen- en lijfrentegebied
- Excessief lenen bij immigratie
- Verruiming fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten bij noodzakelijke vruchtwisseling
- Aanpassing objectieve belastingplicht omgekeerd hybride lichamen
- Afschaffen beschikking voortbrengingskosten innovatiebox
- Aanpassing reorganisatiefaciliteiten
- Voorkoming verjaring bij tweetrapsmaking
- Aangiftetermijn voor de schenkbelasting verruimen tot 1 mei
- Afschaffen vrijstelling overdrachtsbelasting voor Wooninvesteringsfonds
- Meldingsplicht voor de vervreemder van aandelen in een onroerendezaakrechtspersoon (OZR)
- Alcoholische dranken in algemene aantekening tabel I
- Vereenvoudiging in de motorrijtuigenbelasting rondom geschorste motorrijtuigen
- Vervallen van de vrijstelling asbest afkomstig van asbestdaken
- Vervallen overgangsregeling overbrengen van afvalstoffen
- Samenvoegen eerste schijven energiebelasting
- Verbetering tariefmutatie energiebelasting op elektriciteit
- Vereenvoudiging uitvoering belastingvermindering energiebelasting
- Wijziging Kostenwet invordering rijksbelastingen
- Overgangsrecht bij de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen
- Omzetting beleidsregels verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken naar wetgeving
Reageren kan tot 10 september 2026 op https://www.internetconsultatie.nl/fvw28. Hier is ook de volledige wettekst en de Memorie van Toelichting terug te vinden.
Loonbelasting
Belastingrente over periode uitstel boekenonderzoek
Een ondernemer krijgt te maken met naheffingsaanslagen loonheffingen inclusief belastingrente over 2019 en 2020. Het boekenonderzoek, dat hieraan voorafging, startte later dan gepland door coronamaatregelen. De ondernemer is van mening dat over de periode van uitstel geen belastingrente in rekening mag worden gebracht.
Uitstel boekenonderzoek
De inspecteur kondigt op 2 maart 2020 een boekenonderzoek aan naar de aangiften loonheffingen over de jaren 2019 en 2020. De startdatum is gepland op 25 maart 2020. Vanwege de ingestelde coronamaatregelen stelt de inspecteur voor de afspraak te annuleren en opnieuw in te plannen zodra de situatie dit toelaat. Na diverse pogingen om een nieuwe afspraak te maken, waarbij ook de ondernemer uitstel vraagt en de inspecteur een afspraak annuleert door aangescherpte maatregelen, start het boekenonderzoek uiteindelijk pas twee jaar later, op 26 april 2022.
Geen belastingrente
De ondernemer stelt dat over de periode van vertraging in de start van het boekenonderzoek geen belastingrente in rekening mag worden gebracht. De naheffingsaanslag is hierdoor veel later opgelegd, wat niet aan de ondernemer te wijten is.
Aangiftebelasting
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Loonheffing is een aangiftebelasting. Dit betekent dat de ondernemer als inhoudingsplichtige verantwoordelijk is voor het tijdig betalen van het juiste bedrag aan verschuldigde belasting. Omdat niet naar de juiste bedragen aangifte is gedaan en te weinig loonheffing is betaald, legt de inspecteur de naheffingsaanslag op en brengt daarbij belastingrente in rekening. De ondernemer had de belastingrente kunnen voorkomen door juiste aangiften te doen. De lange duur door de coronamaatregelen is niet aan de ondernemer te wijten, maar ook niet aan de inspecteur. Bovendien gold in de periode van 1 juni 2020 tot en met 30 september 2020 een verlaagd percentage belastingrente van 0,01%.
Ondernemingswinst
Omkering bewijslast bij niet-aangegeven contant geld
Een ondernemer exploiteert al meer dan veertig jaar een autosloperij. In juli 2017 wordt bij een doorzoeking van zijn woning en terrein bijna tweeëneenhalve ton aan contant geld aangetroffen. De inspecteur legt navorderingsaanslagen op voor de jaren 2014 tot en met 2017. Hij beschouwt de contante gelden als inkomen uit overige werkzaamheden en verdeelt het gevonden bedrag over deze vier jaren. De ondernemer stelt dat van het aangetroffen contante geld een bedrag van € 180.101 aan hem toebehoort. Het restant was van familieleden. De ondernemer verklaart daarnaast dat hij het bedrag sinds 2004 heeft gespaard uit maandelijkse kasopnames en dat dit al in zijn aangiften inkomstenbelasting over eerdere jaren is verantwoord.
Omkering bewijslast
2014
De inspecteur stelt dat de ondernemer de vereiste aangifte niet heeft gedaan, waardoor de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. Dit is het geval als gebreken in de aangifte leiden tot een aanzienlijk lagere verschuldigde belasting, en de ondernemer zich hiervan bewust was. Een afwijking van 19% geldt in ieder geval als aanzienlijk. Voor 2014 oordeelt het hof dat de niet-aangegeven belasting (van € 893) niet aanzienlijk is. Ook heeft de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de ondernemer in 2014 inkomen uit overige werkzaamheden heeft behaald. De navorderingsaanslag voor 2014 wordt daarom vernietigd.
2015 en 2016
Voor 2015 en 2016 stelt het hof vast dat de ondernemer zich bewust moest zijn van de aanzienlijke niet-geheven belasting door het niet aangeven van de contante gelden. De bewijslast wordt voor deze jaren terecht omgekeerd en verzwaard en daarom blijft de correctie voor overige werkzaamheden in stand. Het hof gaat uit van € 180.101, verdeeld over 42 maanden. Dit leidt voor 2015 en 2016 tot een resultaat uit overige werkzaamheden van € 51.457 per jaar. Een verzoek om een voorziening te vormen voor het in beslag genomen geld wordt afgewezen, omdat in die jaren geen zekerheid bestond dat de gelden in beslag zouden worden genomen.
2017
Voor 2017 heeft de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de ondernemer inkomen uit overige werkzaamheden heeft behaald. Het resultaat wordt daarom op nihil vastgesteld.
Lening omkatten naar vergoeding redt aftrek niet
Een bv drijft een uitzendbureau en een klussenbedrijf. De enige aandeelhouder is een vrouw, die samen met haar partner bestuurder is. De bv heeft twee vorderingen die zij in 2020 wil afwaarderen. De eerste vordering van ruim € 74.000 betreft de zoon van de partner. Hij heeft met geld van de bv gegokt op internet. De tweede vordering van € 97.000 betreft de partner zelf, aan wie de bv een lening heeft verstrekt zonder zekerheden. Beide schuldenaren ondertekenen eind 2020 een brief waarin zij verklaren slechts een fractie te kunnen terugbetalen. De bv boekt de vorderingen af als bijzondere lasten. De inspecteur weigert deze afwaardering, waarna de bv besluit de lening om te zetten in een vergoeding voor verrichte werkzaamheden.
Geen reden voor afwaardering in 2020
De rechtbank oordeelt dat de bv niet aannemelijk heeft gemaakt dat er reden is om de vordering op de zoon juist in 2020 af te waarderen. De zoon is in loondienst bij de bv en had de vordering in termijnen kunnen terugbetalen. Sterker nog: in 2022 betaalt hij alsnog bijna € 50.000 terug. Waarom er in 2020 geen afbetalingsregeling is afgesproken, kan de bv niet uitleggen.
Omzetting lening ongeloofwaardig
Voor de vordering op de partner pakt de rechtbank zwaarder uit. De bv erkent in haar beroepschrift dat de lening is omgezet in een vergoeding voor werkzaamheden, uitsluitend omdat kwijtschelding fiscaal niet aftrekbaar zou zijn. De rechtbank acht die handelswijze ingegeven door de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder en haar relatie met de partner, niet door zakelijke motieven. De bv stelt dat de partner cruciale werkzaamheden verrichtte en het boekenonderzoek begeleidde. De rechtbank vindt dat volstrekt ongeloofwaardig. De reguliere beloning van de partner bedroeg in de jaren 2018 tot en met 2021 slechts € 8.000 tot € 14.000 per jaar. Waarom zou hij opeens recht hebben op een extra vergoeding van € 97.000? De aftrek is terecht geweigerd.
Inkomstenbelasting
Koopovereenkomst nieuwe woning geen box 3-schuld
Een vrouw verkoopt haar woning. In hetzelfde jaar sluit zij een voorlopige koopovereenkomst voor een nieuwe woning. Deze wordt het jaar erna, in januari, geleverd. De vrouw maakt de koopsom in januari in drie delen over naar de derdengeldrekening van de notaris. In haar aangifte inkomstenbelasting geeft de vrouw bank-, giro- en spaartegoeden op. Later stelt zij dat zij ten onrechte geen box 3-schuld heeft opgenomen voor de aankoop van de nieuwe woning.
Box 3-schuld?
De rechtbank oordeelt dat de opbrengst van de woning tot de rendementsgrondslag in box 3 behoort. De rechtbank vindt dat de vrouw het geld op haar bankrekening niet mag verrekenen met een even grote schuld voor de aankoop van de nieuwe woning. Volgens de rechtbank ontstaat door de koopovereenkomst niet alleen een betalingsverplichting, maar ook een recht op levering van de woning. Deze twee onderdelen horen onlosmakelijk bij elkaar. De verplichting om de koopsom te betalen kan daarom niet afzonderlijk als schuld in box 3 worden aangemerkt.
Omzetbelasting
Complexiteit KOR geen excuus
Een ondernemer die in Nederland is gevestigd en een omzet heeft van maximaal € 20.000 per kalenderjaar, kan kiezen voor toepassing van de kleineondernemersregeling (KOR). De KOR biedt ondernemers een vrijstelling van btw. Het belangrijkste gevolg van de KOR is dat een ondernemer geen btw in rekening mag brengen en ook geen recht heeft op aftrek van de voorbelasting. De vrijstelling geldt minimaal drie jaar, tenzij de omzetdrempel wordt overschreden.
Naheffingsaanslag
Een ondernemer exploiteert in 2022 een webshop en maakt gebruik van de KOR. Over dat jaar is de ondernemer € 15.021 aan verlegde btw verschuldigd voor afgenomen diensten uit Denemarken, Ierland en Zweden. De inspecteur legt hiervoor een naheffingsaanslag op.
Omzetgrens
De ondernemer stelt dat de KOR in 2022 niet langer van toepassing was, omdat de omzetgrens van € 20.000 is overschreden. De ondernemer geeft aan dat de uitschrijving te laat is gebeurd door onduidelijkheid over de regelgeving. Ook meent de ondernemer dat er geen fiscaal nadeel is geleden door de Belastingdienst. De ondernemer kan echter niet aantonen dat hij in Nederland belaste prestaties heeft verricht.
Afmeldformulier
Bovendien heeft de ondernemer in het afmeldformulier voor de KOR niet aangegeven dat de reden voor beëindiging het overschrijden van de omzetgrens was. De ondernemer maakt dit ook niet aannemelijk. De KOR is dus van toepassing in 2022, met als gevolg dat de ondernemer geen recht heeft op aftrek van voorbelasting. De complexiteit van de regeling doet hier niet aan af.
Een ondernemer, die zichzelf aanmeldt voor een bijzondere regeling moet zich op de hoogte stellen van de voorwaarden en de voor- en nadelen van de toepassing van die regeling.
Successiewet
Nieuw formulier voor aangifte erfbelasting bij tweetrapsmaking
De Belastingdienst heeft een nieuw formulier beschikbaar gesteld voor de aangifte erfbelasting bij een tweetrapsmaking. Dit formulier is bedoeld voor situaties waarin een verwachter een deel van een nalatenschap verkrijgt doordat een voorwaarde van een tweetrapsmaking in vervulling is gegaan. Dit is bijvoorbeeld het geval als de bezwaarde overlijdt of verhuist naar een verzorgingstehuis.
De indieningstermijn voor het formulier is 20 maanden na het moment dat de voorwaarden zijn vervuld. Voor voorwaarden, die in vervulling zijn gegaan vóór 1 januari 2026, geldt een termijn van 8 maanden.
Internationaal
Van verplicht naar vrijwillig: weg aftrek pensioenpremie
Een werknemer was tot 2017 verplicht verzekerd in Luxemburg en bouwde daar pensioen op. Daarna wordt hij verplicht verzekerd in Nederland, maar hij zet de Luxemburgse pensioenregeling vrijwillig voort. De premie die hij zelf betaalt, wil hij aftrekken als negatief loon of als lijfrentepremie. Het hof wijst beide af. De vrijwillige voortzetting is een privéaangelegenheid zonder voldoende verband met de dienstbetrekking.
Van verplicht naar vrijwillig
De werknemer heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in Nederland. Hij werkt jarenlang voor een internationaal concern, waarbij achtereenvolgens een Nederlandse en een Luxemburgse vennootschap als werkgever optreden. Tot 1 september 2017 is hij verplicht sociaal verzekerd in Luxemburg. In dat kader bouwt hij pensioen op bij het Luxemburgse pensioenfonds CNAP. De werkgever betaalt de helft van de premies, de andere helft wordt ingehouden op het loon van de werknemer. Per 1 september 2017 verschuift de verzekeringsplicht naar Nederland en eindigt de verplichte deelname aan CNAP.
Werkgever biedt vergoeding aan
De werkgever informeert de werknemer dat hij de Luxemburgse pensioenopbouw vrijwillig kan voortzetten. De werkgever is bereid de helft van de premie te vergoeden, tot maximaal acht procent van het brutoloon. De werknemer maakt gebruik van die mogelijkheid. Hij sluit zelf een overeenkomst met de Luxemburgse pensioeninstantie en betaalt de premie vanaf zijn privébankrekening. De werkgever vergoedt zijn deel via het loon, aangeduid als 'pension contribution'. Die vergoeding is belast als loon. In 2020 betaalt de werknemer in totaal bijna € 15.000 en ontvangt hij netto ruim € 7.000 van zijn werkgever. Het verschil wil hij aftrekken.
Geen negatief loon
De werknemer voert de eigen bijdrage op als negatief loon. Het hof verwerpt dat. De werknemer heeft zelf in privé de verzekering afgesloten bij CCSS. De werkgever omschrijft het als een 'exclusive agreement between the employee and the Luxembourgish Pension institution'. Anders dan voorheen bij CNAP is de werkgever geen partij bij deze overeenkomst. De premie die de werknemer betaalt, houdt daardoor onvoldoende verband met zijn dienstbetrekking om als negatief loon te kunnen worden aangemerkt. Dat de regeling in het verlengde ligt van de vroegere verplichte verzekering, maakt dit niet anders.
Geen lijfrentepremie
De werknemer betoogt vervolgens dat de premie aftrekbaar is als uitgave voor inkomensvoorziening. Ook dat faalt. Op de werknemer rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat de betalingen kwalificeren als lijfrentepremie en dienen ter compensatie van een pensioentekort. Aan die bewijslast heeft hij niet voldaan. De stelling dat sprake is van strijd met het Europese discriminatieverbod, omdat sommige buitenlandse verzekeraars wel zijn toegelaten, behoeft geen behandeling. Eerst moet immers vaststaan dat het om een lijfrentepremie gaat en dat is niet aannemelijk gemaakt.
Overige heffingen
Zonne-energieinstallatie op dak is onroerende zaak
Een bv is eigenaar van een pv-installatie, bestaande uit zonnepanelen en bijbehorende apparatuur, die op het dak van een distributiecentrum is geplaatst. De installatie ligt los op het dak en is verzwaard met ballast. De bv exploiteert de installatie, terwijl het distributiecentrum eigendom is van een derde. Voor het gebruik van het dak is een huurovereenkomst en een recht van opstal gevestigd. Omdat de installatie naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven, is deze aan te merken als gebouwd eigendom. De installatie vormt geen samenstel met het dak van het distributiecentrum, omdat beide eigendommen niet dezelfde eigenaar hebben.
Kwalificatie als onroerende zaak
De bv betwist dat de pv-installatie een onroerende zaak is. Zij stelt dat de installatie verplaatsbaar is, omdat deze los op het dak ligt en alleen met ballast op zijn plaats wordt gehouden. Ook de huurovereenkomst zou wijzen op de verplaatsbaarheid van de installatie. Het hof oordeelt dat de pv-installatie wel degelijk een werk is in de zin van de wet en daarmee een onroerende zaak. De installatie is naar aard en inrichting bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven, gezien de technische complexiteit en de verzwaarde constructie. Het feit dat de installatie eenvoudig te demonteren is of dat volgens de huurovereenkomst verplaatsing onder bijzondere omstandigheden mogelijk is, maakt dat niet anders. Dit zijn geen fysieke aspecten die naar buiten kenbaar zijn.
Samenstel met het dak
De bv stelt verder dat de pv-installatie een samenstel vormt met het dak van het distributiecentrum. Het hof volgt dit standpunt niet. Van een samenstel kan alleen sprake zijn als beide eigendommen dezelfde eigenaar of beperkt gerechtigde hebben. Dit is hier niet het geval, aangezien de bv geen eigenaar is van het dak. Een opstalrecht wordt niet als een onroerende zaak in de zin van de wet aangemerkt.
Geen precariobelasting voor paspoppen
Een winkelier zet zeven paspoppen op de stoep voor zijn winkelpand. De heffingsambtenaar van de gemeente legt hiervoor een aanslag precariobelasting op. De ondernemer is het hier niet mee eens. De paspoppen stonden zo uitgestald, dat deze onder de vrijstelling van de precariobelasting vallen.
Precariobelasting
Precariobelasting is een belasting die wordt geheven voor het hebben van voorwerpen onder, op of boven openbare gemeentegrond. Op grond van de gemeentelijke verordening wordt de belasting geheven naar de oppervlakte in vierkante meters van de voorwerpen. Het tarief van de precariobelasting is nihil als de oppervlakte niet meer dan één vierkante meter beslaat.
Foto niet duidelijk
Op de rechtszaak toont de heffingsambtenaar een foto waarop de zeven paspoppen te zien zijn. Hij erkent dat op basis van deze foto niet duidelijk is dat de totale oppervlakte van de paspoppen meer dan één vierkante meter beslaat. De rechtbank oordeelt daarom dat de heffingsambtenaar een onjuist tarief heeft gehanteerd. De ondernemer hoeft de aanslag precariobelasting niet te betalen.
Parkeerboete omdat niet meteen werd betaald
Een man parkeert om 19:36 uur zijn auto op een betaald parkeren plek. Om 19:37 uur controleert een parkeerwacht de situatie ter plaatse en stelt vast dat de auto zonder betaling geparkeerd staat. Om 19:38 uur legt de parkeerwacht daarom een naheffingsaanslag parkeerbelasting op. Om 19:41 uur meldt de man het voertuig alsnog aan via een parkeerapp. De man is het niet eens met de naheffing.
De man stelt dat hij zich heeft ingespannen om het parkeerrecht tijdig te voldoen. Hij wijst op de korte tijd tussen het parkeren en de aanmelding via de app als bewijs dat hij voortvarend heeft gehandeld. De rechter vindt zijn verhaal echter op meerdere punten ongeloofwaardig. De verklaringen van de man wisselen. Eerst zegt hij dat hij naar een tweede parkeerautomaat is gelopen, later beweert hij dat hij na een mislukte poging via de app zijn voertuig heeft aangemeld terwijl hij richting zijn bestemming liep. Deze tegenstrijdigheid maakt zijn betoog minder betrouwbaar.
Daarnaast acht de rechtbank de gestelde storing aan de parkeerautomaat niet aannemelijk. Uit gegevens van de heffingsambtenaar blijkt dat er die dag geen storingen zijn geregistreerd en dat er op dat tijdstip meerdere transacties bij de parkeerautomaten hebben plaatsgevonden. Ook wijst de rechter erop dat de loopafstand tussen de automaten slechts 50 meter bedraagt, wat niet overeenkomt met de geclaimde tijdsduur van drie minuten. Verder tonen de foto’s van de controle geen aanwijzingen dat de man daadwerkelijk bezig was om het parkeergeld te voldoen.
De rechter concludeert dat de man na het parkeren niet, zoals vereist, onverwijld en onafgebroken heeft gehandeld om de parkeerbelasting te betalen. Daarom verklaart hij het beroep ongegrond en blijft de naheffingsaanslag in stand.
Formeel recht
Uitstel niet ingetrokken, aanslag op tijd
Een ondernemer verzoekt op 19 februari 2018 om uitstel voor het indienen van zijn aangifte 2017. De inspecteur verleent vier maanden uitstel, tot 1 september 2018. Dit uitstel verlengt de aanslagtermijn tot 30 april 2021. De aanslag is vastgesteld op 8 april 2021, wat betekent dat deze binnen de verlengde termijn is opgelegd.
Intrekken uitstel
De ondernemer stelt echter dat hij op 8 maart 2018 heeft verzocht om het verleende uitstel in te trekken, waardoor de verlenging van de aanslagtermijn had moeten worden beëindigd. De inspecteur heeft zijn twijfels over de verzending van de brief en zegt dat hij deze nooit heeft ontvangen. De ondernemer kan bij de rechter niet aantonen dat hij de brief daadwerkelijk heeft verzonden. Daarom blijft het verleende uitstel gelden en is de aanslag binnen de wettelijke termijn opgelegd.
Reactie plaatsen
Reacties