Nieuwsbrief 29 augustus 2026

Ondernemingswinst

Geen bewijs van ondernemerschap vennoot

Een man ontvangt in 2020 een uitkering en daarnaast vergoedingen voor werkzaamheden die hij verricht voor een vof. Ook krijgt hij van de vof een auto ter beschikking. Volgens de man is hij vennoot van de vof en daarmee ondernemer voor de inkomstenbelasting. Daarom meent hij recht te hebben op ondernemersfaciliteiten, zoals de zelfstandigenaftrek, de investeringsaftrek en de mkb-winstvrijstelling. De Belastingdienst ziet dat anders. Volgens de inspecteur ontvangt de man slechts een vergoeding voor zijn werkzaamheden en is er geen sprake van ondernemerschap.

Het hof oordeelt dat de man er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat hij ondernemer is. Een belangrijk probleem is dat hij geen vennootschapsovereenkomst kan overleggen, terwijl de Belastingdienst hier meerdere keren om heeft gevraagd. De enkele vermelding als vennoot in een bedrijfsregistratie vindt het hof onvoldoende bewijs. Daarnaast ziet het hof weinig aanwijzingen voor daadwerkelijk ondernemerschap. Zo blijkt uit de verklaringen tijdens de procedure dat de hoogte van de ontvangen vergoeding vooral afhangt van de verrichte werkzaamheden. Ook is niet gebleken dat de man ondernemersrisico loopt.

Verder zijn er geen aanwijzingen dat hij heeft geïnvesteerd in de onderneming, aanspraak heeft op een aandeel in het ondernemingsvermogen of een vergoeding heeft ontvangen bij beëindiging van zijn werkzaamheden. Ook werkt hij slechts voor één opdrachtgever en maakt hij geen reclame voor eigen rekening. Volgens het hof wijzen deze omstandigheden erop dat geen sprake is van een zelfstandige ondernemer, maar van iemand die tegen vergoeding werkzaamheden verricht.


Lees meer  
 

PGB-inkomsten geen winst uit onderneming

Een man drijft sinds 2002 een eenmanszaak. Volgens de inschrijving bij de KVK houdt hij zich onder meer bezig met de handel in auto's en machines, maar ook met het verlenen van zorg aan ouderen. In 2019 verleent hij thuiszorg aan zijn buurvrouw. Voor deze werkzaamheden ontvangt hij € 41.600 uit haar persoonsgebonden budget (pgb). De SVb stort deze bedragen op de zakelijke bankrekening van zijn onderneming. In zijn aangifte inkomstenbelasting rekent de man deze inkomsten tot zijn winst uit onderneming. Daardoor kan hij gebruikmaken van ondernemersfaciliteiten. De Belastingdienst is het daar niet mee eens en merkt de inkomsten aan als resultaat uit overige werkzaamheden.

Onderdeel onderneming?

Volgens het hof vormen de zorgwerkzaamheden geen onderdeel van dezelfde onderneming als de overige activiteiten van de man. De zorgverlening verschilt daarvoor te veel van de handel in voertuigen, machines en andere werkzaamheden die vanuit de onderneming worden verricht. Dat beide activiteiten onder dezelfde handelsnaam plaatsvinden en de vergoedingen op dezelfde bankrekening worden ontvangen, maakt dat niet anders.

Onderneming?

Vervolgens beoordeelt het hof of de zorgactiviteiten op zichzelf een onderneming vormen. Ook dat is volgens het hof niet het geval. Daarbij weegt mee dat de man de zorgwerkzaamheden slechts voor één persoon verrichtte. Ook liep hij nauwelijks ondernemersrisico. Zo was er vrijwel geen debiteurenrisico en stopten de werkzaamheden zodra de buurvrouw werd opgenomen in een zorginstelling. Verder is niet gebleken dat de man actief nieuwe cliënten zocht of zijn zorgdiensten onder de aandacht bracht. Hoewel de omvang en de opbrengsten van de werkzaamheden aanzienlijk waren, vindt het hof dat de overige kenmerken van ondernemerschap onvoldoende aanwezig zijn.


Lees meer  
 

Inkomstenbelasting

Dividenduitkering zonder goedkeuring AVA toch belast

Een vrouw is getrouwd met een man die enig aandeelhouder is van een bv. In 2021 keert deze bv een dividend van € 200.000 uit. In haar aangifte inkomstenbelasting neemt de vrouw geen inkomen uit aanmerkelijk belang op. De Belastingdienst volgt deze aangifte aanvankelijk. Enkele jaren later dient de echtgenoot een herziene aangifte in. Daarin vermeldt hij alsnog de dividenduitkering. Het grootste deel van het dividend, € 194.624, wordt fiscaal toegerekend aan de vrouw. Naar aanleiding daarvan legt de Belastingdienst haar een navorderingsaanslag inkomstenbelasting op.

De vrouw is het daar niet mee eens. Volgens haar is de dividenduitkering niet rechtsgeldig tot stand gekomen, omdat de Algemene Vergadering van Aandeelhouders (AVA) geen goedkeuring heeft gegeven voor de uitkering. Daarom vindt zij dat geen sprake is van belastbaar inkomen. Ook wijst zij erop dat het dividend mogelijk moet worden terugbetaald, waardoor volgens haar geen belastingheffing zou mogen plaatsvinden.

Uit de ingediende aangiften vennootschapsbelasting en dividendbelasting blijkt dat de bv een dividenduitkering heeft gedaan. Voor de inkomstenbelasting is bepalend of het dividend aan de aandeelhouder ter beschikking is gesteld. Zodra dat gebeurt, wordt het dividend geacht te zijn genoten en is het belast. Volgens de rechtbank maakt het daarbij niet uit of de AVA de uitkering formeel heeft goedgekeurd. Ook een eventuele verplichting om het dividend later terug te betalen verandert niets aan de belastingheffing op het moment van ontvangst. Een terugbetaling moet fiscaal worden gezien als een kapitaalstorting en maakt de eerder genoten uitkering niet onbelast.


Lees meer  
 

Bestuurder kan geen beroep doen op ANBI-register voor giftenaftrek

Een man brengt in zijn aangifte inkomstenbelasting € 17.600 aan giften in aftrek. De giften zijn gedaan aan twee organisaties waarvan hij zelf bestuurder is. Op het moment van de giften staan beide instellingen geregistreerd als algemeen nut beogende instelling (ANBI). Later trekt de Belastingdienst de ANBI-status van beide organisaties met terugwerkende kracht in. De man vindt dat de giftenaftrek toch moet worden toegestaan. Volgens hem mocht hij vertrouwen op het feit dat de instellingen in het ANBI-register waren opgenomen.

Vertrouwen

Normaal gesproken mag een donateur ervan uitgaan dat een instelling die in het ANBI-register staat, daadwerkelijk voldoet aan de voorwaarden voor een ANBI. In dat geval kan een gift onder omstandigheden aftrekbaar blijven, ook als de ANBI-status later met terugwerkende kracht wordt ingetrokken. Volgens het hof geldt die bescherming echter niet voor deze man. Omdat hij bestuurder was van beide organisaties, mocht van hem worden verwacht dat hij op de hoogte was van de activiteiten, de inrichting en de feitelijke gang van zaken binnen de instellingen. Daarom oordeelt het hof dat hij redelijkerwijs had moeten weten dat niet aan de ANBI-voorwaarden werd voldaan. Onder die omstandigheden kan hij geen beroep doen op het vertrouwen dat een vermelding in het ANBI-register normaal gesproken biedt.


Lees meer  
 

Negatief loon niet aftrekbaar in een later jaar

Een ondernemer is enig aandeelhouder en bestuurder van een holding. Via deze holding is hij betrokken bij verschillende vennootschappen. Nadat één van die vennootschappen failliet gaat, stelt de curator de bestuurder en enkele gelieerde vennootschappen aansprakelijk op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. In 2018 betaalt de ondernemer persoonlijk € 28.661 aan de curator. Enkele jaren later gaat ook zijn holding failliet. In zijn aangifte inkomstenbelasting over 2020 brengt de ondernemer het bedrag van € 28.661 alsnog in aftrek.

Negatief loon

De ondernemer stelt dat de betaling aan de curator moet worden gezien als negatief loon. Volgens hem werd pas in 2020 duidelijk dat hij het betaalde bedrag definitief niet meer op zijn holding kon verhalen, omdat die vennootschap inmiddels failliet was gegaan. Daarnaast voert hij aan dat hij daardoor een regresvordering op de holding had gekregen. Doordat de holding failliet ging, zou die vordering in 2020 waardeloos zijn geworden. Volgens de ondernemer mocht hij het bedrag daarom in dat jaar alsnog ten laste van zijn inkomen brengen.

Geen juridische grondslag

De rechtbank volgt de ondernemer niet. Negatief loon moet namelijk worden afgetrokken in het jaar waarin de betaling plaatsvindt. Omdat de ondernemer het bedrag in 2018 heeft betaald, had de aftrek ook in dat jaar moeten worden geclaimd. Het enkele feit dat dit niet is gebeurd, geeft geen recht om de aftrek alsnog in een later jaar toe te passen. Ook het beroep op een regresvordering slaagt niet. De rechtbank vindt het niet aannemelijk dat daadwerkelijk een regresvordering op de holding is ontstaan. Uit de beschikbare stukken blijkt niet dat de ondernemer meer heeft betaald dan waarvoor hij persoonlijk aansprakelijk was. Bovendien komt een dergelijke vordering niet voor in de aangiften van de ondernemer of van de holding. De ondernemer verklaart tijdens de zitting bovendien dat hij simpelweg is vergeten het negatieve loon in zijn aangifte over 2018 op te nemen. Volgens de rechtbank creëert dat geen juridische grondslag voor aftrek in 2020.


Lees meer  
 

Gunstiger boetebeleid geldt ook voor oude jaren

Een vrouw doet over 2011 geen aangifte inkomstenbelasting. De inspecteur legt in 2015 een verzuimboete van € 984 op, 20% van het wettelijke maximum. Het boetebeleid schrijft sinds 2014 weliswaar nog maar 7% voor, maar het overgangsrecht verklaart die regel pas van toepassing vanaf belastingjaar 2014. De Hoge Raad zet dat overgangsrecht opzij wegens strijd met het legaliteitsbeginsel. De boete gaat naar € 344.

Aangifte blijft uit

De inspecteur nodigt de vrouw uit om aangifte te doen, herinnert haar en maant haar aan. De uiterste termijn voor de aangifte inkomstenbelasting wordt door de inspecteur op 7 mei 2014 gesteld. De aangifte blijft echter uit. Op 10 januari 2015 legt de inspecteur ambtshalve een aanslag op, met een verzuimboete. Omdat het om een tweede achtereenvolgend verzuim gaat, legt hij, overeenkomstig het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) van 2011, een boete op van 20% van het wettelijke maximum (van destijds € 4.920).

Twintig of zeven procent?

De vrouw wijst erop dat de maximale boete slechts 7% van € 4.920 (€ 344) mag bedragen. In het BBBB van 2014 is immers de regel vervallen op grond waarvan bij een tweede achtereenvolgende verzuim een verzuimboete wordt opgelegd van 20% van het maximum. De Hoge Raad overweegt dat het legaliteitsbeginsel en het beginsel van de gunstigste bepaling (volgens Europese verdragen) meebrengen dat de boete niet hoger mag zijn dan wat ten tijde van het beboetbare feit mogelijk was, of wat later gunstiger is geworden. Het overgangsrecht dat de nieuwe regeling pas vanaf belastingjaar 2014 van toepassing verklaart, moet buiten toepassing blijven wegens strijd met deze verdragsbepalingen.

Maximum van 2014 telt

Ook de verhoging van het wettelijke maximum per 1 januari 2015 naar € 5.278 blijft buiten toepassing, omdat het beboetbare feit daarvóór ligt en het gunstigste bedrag telt. De Hoge Raad vermindert de boete tot € 344 en matigt niet verder, vanwege de financiële omstandigheden van de belastingplichtige. Het hof achtte een boete van € 492 immers al proportioneel. 


Lees meer  
 

Zonder aangekruist verzoek geen doorschuiving van de verkrijgingsprijs

Een dga overlijdt in 2018 en zijn weduwe verkrijgt alle aandelen in zijn bv. In de aangifte van de erflater staat geen vervreemdingsvoordeel. Volgens de weduwe ligt daarin een impliciet verzoek om doorschuiving besloten. Zij claimt in 2020 een verlies van ruim € 260.000. De inspecteur gaat uit van het gestorte aandelenkapitaal en komt uit op een verlies van € 5.000. De rechtbank geeft de inspecteur gelijk. Sinds 2015 staat het verzoek als aan te kruisen vakje op het aangiftebiljet en de bv drijft geen onderneming.

Verlies van twee ton

In haar aangifte over 2020 vermeldt de weduwe een negatief vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang van ruim € 260.000. Zij rekent met een overdrachtsprijs van bijna € 13.000 en een verkrijgingsprijs van ruim € 270.000, bestaande uit agio en aandelenkapitaal. De inspecteur wijkt daarvan af en stelt de verkrijgingsprijs vast op het gestort en geplaatst aandelenkapitaal per 1 januari 2018 van ruim € 18.000. De inspecteur komt zo uit op een verlies van € 5.000.

Sinds 2015 een vakje

De doorschuifregeling vergt een schriftelijk verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden. Dat verzoek kan ook impliciet worden gedaan, zo volgt uit een arrest van de Hoge Raad uit 2006. De weduwe wijst op een uitspraak waarin het hof zo'n impliciet verzoek aanneemt. De rechtbank ziet een beslissend verschil: die zaak betreft een aangifte over 2011, toen het biljet nog geen vakje voor doorschuiving kende. Sinds 2015 bestaat dat vakje wel en in de aangifte over 2018 is het leeg gebleven. Wie het verzoek kan en moet doen maar dat nalaat, voldoet niet aan de voorwaarde.


Lees meer  
 

Aangifte zonder vervreemdingsvoordeel geldt als verzoek om doorschuiving

Een moeder overlijdt in 2011 en laat alle aandelen in haar bv na aan haar zoon en haar dochter. In de aangifte inkomstenbelasting van de erflaatster staat geen fictief vervreemdingsvoordeel en ontbreekt een apart verzoek om doorschuiving. Als de bv in 2020 wordt geliquideerd, rekent de zoon met de waarde bij het overlijden en claimt hij een verlies. De inspecteur houdt vast aan de doorgeschoven verkrijgingsprijs. Het hof geeft de inspecteur gelijk. De aangifte van de erflaatster is het verzoek om doorschuiving.

Aandelen naar zoon en dochter

Als de moeder op 10 maart 2011 overlijdt, verkrijgen haar zoon en dochter ieder de helft van de aandelen in de bv. In april 2013 wordt de aangifte inkomstenbelasting 2011 van de moeder ingediend, ondertekend door de zoon als haar vertegenwoordiger. In september 2020 wordt de bv ontbonden en vereffend. De zoon ontvangt € 153.000. In zijn aangifte over 2020 rekent hij met een verkrijgingsprijs van € 173.000, de helft van de waarde bij het overlijden, en komt hij uit op een verlies van € 20.000. De inspecteur gaat uit van de helft van het gestort kapitaal (ruim € 36.000) en belast € 116.000.

Alle belanghebbenden samen

Het verzoek om doorschuiving moet gezamenlijk zijn. Onder de gezamenlijke belanghebbenden verstaat het hof álle belanghebbenden: de vertegenwoordiger van de erflater en de verkrijgers. Dat erfgenamen ieder een eigen keuze mogen maken, doet daar niet aan af. 

Zus stilzwijgend gemachtigd

Op dit punt oordeelt het hof dat het verzoek gezamenlijk is gedaan. In 2011 is afrekenen de hoofdregel en doorschuiven de uitzondering. Wie geen vervreemdingsvoordeel aangeeft, kiest kennelijk voor doorschuiven. De zoon ondertekent de aangifte namens zijn moeder en voor zichzelf. Het hof leidt uit zijn verklaringen af dat zijn zus hem stilzwijgend heeft gemachtigd. Steun daarvoor biedt de aangifte erfbelasting, waarin de inkomstenbelasting over 2011 op € 2.500 is geschat. Bij afrekenen zou dat veel hoger zijn. De inspecteur mag afgaan op de aangifte, ook op de keuzes die daarin besloten liggen.

Onderneming niet meer relevant

De zoon voert nog aan dat de bv alleen een bedrijfspand verhuurt en dus geen materiële onderneming drijft. Het hof laat die vraag liggen. Bij de aangifte over 2011 gaan de erfgenamen er kennelijk van uit dat er wél een onderneming is, de inspecteur volgt die aangifte en de aanslag is onherroepelijk geworden. Daarmee heeft die keuze onherroepelijke gevolgen. 


Lees meer  
 

Omzetbelasting

Pandhuis mag misgelopen rente niet meenemen in btw-marge

Een pandhuis verstrekt leningen tegen afgifte van een onderpand. Als de klant de lening en de verschuldigde pandbeleningsvergoeding niet op tijd terugbetaalt, verkoopt het pandhuis het onderpand. Bij die verkoop past het pandhuis de btw-margeregeling toe. De vraag is of de niet-ontvangen pandbeleningsvergoeding onderdeel vormt van de inkoopprijs, waardoor de te belasten marge lager uitvalt.

Inkoopprijs

Het pandhuis stelt dat niet alleen de uitgekeerde beleensom, maar ook de misgelopen pandbeleningsvergoeding als onderdeel van de inkoopprijs moet worden gezien. Volgens het pandhuis behoort deze vergoeding tot het bedrag dat het economisch heeft opgeofferd. Ook beroept het zich op een beleidsbesluit over financieringstoeslagen bij huurkoop en financial lease.

Beleensom

Het hof volgt dat standpunt niet. Voor de toepassing van de margeregeling is beslissend welk bedrag de leverancier van het goed, in dit geval de pandgever, van de wederverkoper ontvangt of moet ontvangen. De pandgever ontvangt alleen de beleensom. De pandbeleningsvergoeding wordt juist door de pandgever aan het pandhuis verschuldigd en maakt daarom geen deel uit van de aankoopprijs. De marge, die als maatstaf dient voor de btw-heffing, wordt dus berekend als verkoopprijs minus de uitgekeerde beleensom.

Pandbeleningsvergoeding 

Ook het beroep op het Besluit Margeregeling slaagt niet. Het besluit ziet volgens het hof op een wezenlijk andere situatie, namelijk op gevallen van huurkoop en financial lease waarbij een financieringstoeslag onderdeel uitmaakt van de betaalde termijnen. Het pandhuis is bovendien geen leverancier die een goed terugneemt, maar een geldverstrekker die een goed inneemt. Daar komt bij dat het pandhuis over de pandbeleningsvergoeding geen omzetbelasting verschuldigd is, terwijl zij haar situatie vergelijkt met die waarin over een financieringstoeslag wel omzetbelasting verschuldigd is.


Lees meer  
 

Nieuw besluit over btw-aftrek: verduidelijking voor VVE's en investeringsdiensten
Het besluit wijzigt het bestaande besluit over de aftrek van omzetbelasting. De aanpassingen betreffen met name de aftrek bij verenigingen van eigenaren (VVE's) en de herzieningsregeling voor investeringsdiensten. 

Gewijzigde voorwaarden VVE-aftrek

Voorheen gold een goedkeuring dat leden-ondernemers niet in aftrek gebrachte btw konden doorschuiven, mits de VVE zelf niet als ondernemer kwalificeerde. Deze voorwaarde is nu vervangen. De goedkeuring geldt als de VVE de goederen en diensten niet als ondernemer heeft aangeschaft. Dit is een belangrijke verduidelijking, vooral voor VVE's die voor bepaalde activiteiten, zoals de exploitatie van laadpalen, wel als ondernemer worden aangemerkt. De goedkeuring voorkomt cumulatie van btw.

Voorwaarden

Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden: 

  • De VVE heeft de goederen en diensten niet als ondernemer aangeschaft. 
  • De aftrek door leden-ondernemers vindt plaats naar rato van hun financiële bijdrage en met inachtneming van de wettelijke bepalingen.
  • Leden-ondernemers nemen alle rechten en verplichtingen op zich alsof de btw aan hen in rekening is gebracht en zij de beschikkingsmacht over het goed hebben verworven. Dit betekent onder meer dat zij de herzieningsbepalingen toepassen op investeringsgoederen en -diensten. 
  • Het drempelbedrag van € 30.000 voor investeringsdiensten wordt getoetst bij de VVE, niet op het niveau van de leden-ondernemers.

Herziening btw-aftrek bij investeringsdiensten

Het besluit is ook aangepast naar aanleiding van de nieuwe wettelijke regeling voor herziening van de btw-aftrek bij investeringsdiensten. Een 'investeringsdienst' is nu gedefinieerd als een dienst aan een of meer onroerende zaken die deze meerjarig dient, inclusief materialen, installaties, machines en werktuigen die na installatie of montage als onroerend kwalificeren. De vergoeding voor deze dienst moet ten minste € 30.000 bedragen. Deze wijziging betekent dat btw die drukt op een investeringsdienst over een aantal jaren wordt herzien, vergelijkbaar met investeringsgoederen.


Lees meer  
 

Arbeidsrecht

Black box bedrijfsauto is geen prikklok

Een muskusrattenvanger, sinds 1994 in dienst, staat onder toezicht vanwege lage productie en veel administratietijd. Wanneer signalen binnenkomen dat zijn dienstauto tijdens werktijd vaak bij zijn woning staat, start de werkgever een onderzoek. Black box-gegevens van de auto worden over ruim een half jaar vergeleken met de urenregistratie. Dit toont een verschil van 94 uur en 11 minuten. De werkgever concludeert 'dagdieverij' en ontslaat de werknemer op staande voet wegens urenfraude.

Op staande voet

Het hof rekent op meerdere punten af met de aanpak van de werkgever. Het ontslag is niet 'onverwijld' gegeven, omdat de werkgever maandenlang heeft getreuzeld met het uitlezen van de black box-gegevens. De black box is bovendien een verkeerd instrument. Het instrument is bedoeld voor controle van autogebruik, niet als digitale prikklok. De werkgever had de werknemer eerst moeten bevragen. Veel verwijten in de ontslagbrief betreffen disfunctioneren, waarvoor een verbetertraject passender is. Ook is geen bewuste fraude aangetoond. Het urenverschil alleen is onvoldoende, mede gezien persoonlijke en medische omstandigheden en moeite met de digitale registratie.

Fraude?

Ook het subsidiaire verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst strandt. Fraude is onvoldoende vastgesteld. Een gestelde verstoorde arbeidsverhouding met een oud-teamleider is achterhaald. De oud-teamleider is inmiddels met pensioen. Het hof ziet vooral een onvoldragen d-grond (disfunctioneren) en merkt op dat de werknemer, na een verbetertraject, weer naar behoren functioneert. Hij heeft het plezier in zijn werk teruggevonden en realiseert zich dat hij dit tot zijn pensioen wil blijven doen.


Lees meer  
 

Successiewet

Waardering van een oude overbedelingsvordering

Een man werkt jarenlang samen met zijn vader in een maatschap. Wanneer de vader overlijdt, laat hij een echtgenote en vijf kinderen achter, onder wie de man. Op grond van de wettelijke verdeling gaan de bezittingen van de vader naar de moeder. De kinderen krijgen daardoor een vordering op hun moeder, ook wel een overbedelingsvordering genoemd. Enkele jaren later overlijdt ook de moeder. Bij het bepalen van de erfbelasting over haar nalatenschap ontstaat discussie over de hoogte van de schuld die zij nog heeft aan haar kinderen. Deze schuld is belangrijk, omdat een hogere schuld leidt tot een lagere nalatenschap en dus tot minder erfbelasting.

De rechtbank stelt voorop dat een nalatenschap voor de erfbelasting moet worden gewaardeerd naar de werkelijke economische waarde op het moment van overlijden. Volgens de rechtbank kan daarom niet zonder meer worden aangesloten bij de bedragen die de Belastingdienst eerder heeft gebruikt bij het ambtshalve opleggen van aanslagen erfbelasting na het overlijden van de vader. Die bedragen waren immers gebaseerd op schattingen. Het door de inspecteur verdedigde bedrag van € 112.500 overtuigt de rechtbank niet. Dat bedrag berust uiteindelijk ook op aannames en schattingen.

De rechtbank kiest daarom voor een tussenweg. Zij sluit aan bij de later (in 2024) ingediende aangifte erfbelasting voor de nalatenschap van de vader. Daaruit volgt een overbedelingsschuld van ongeveer € 194.000. Hoewel nog niet vaststaat of de Belastingdienst deze aangifte volledig zal volgen, vindt de rechtbank dat dit bedrag de beste aanwijzing geeft voor de werkelijke waarde van de schuld. Daarbij weegt mee dat de aangifte is ingediend namens de andere erfgenamen en niet door de man zelf. De rechtbank ziet daarom minder reden om aan de juistheid ervan te twijfelen.


Lees meer  
 

Internationaal

Beleidsbesluittoepassing internationaal belastingrecht in de winstsfeer 2026

Dit besluit bevat het beleid over de uitleg van bepalingen ter voorkoming van dubbele belasting en dubbele niet-belasting bij de belastingheffing in de winstsfeer. Het gaat daarbij om de toepassing van de door Nederland gesloten belastingverdragen, de in relatie met de andere landen van het Koninkrijk geldende regelingen ter voorkoming van dubbele belasting en relevante bepalingen die zijn opgenomen in de Nederlandse regelgeving, waaronder het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001.

In het besluit zijn nu recente kennisgroepstandpunten opgenomen. In verband daarmee zijn de volgende onderdelen toegevoegd aan het besluit:

  • Toepassing van een belastingverdrag op scheepvaartwinst uit verschillende ondernemingen.
  • Kwalificatie Zwitserse Anlagestiftung onder het verdrag met Zwitserland.
  • Geen vermindering van dividendbelasting bij inkoop van aandelen onder de verdragen met Duitsland en Zwitserland.
  • Verbod extraterritoriale belastingheffing onder het verdrag met Frankrijk in relatie tot de Wet bronbelasting 2021.
  • Verrekening van bronbelasting op interest over een mezzaninelening onder het verdrag met Duitsland.
  • Door bank ontvangen vergoedingen, het begrip interest en tweede limiet.
  • Kwalificatie van huurbetalingen inzake vorkheftrucks, vrachtwagens, containers en pallets als royaltyvergoeding onder de verdragen met Polen, Tsjechië, Italië en Portugal.
  • Kwalificatie van vergoedingen voor softwarelicentie onder het verdrag met China (2013) en het verdrag met Zuid-Korea (1978).
  • Buitengaatsbepaling onder het verdrag met Denemarken.
  • Overgangsregeling oude inhaalverliezen, reikwijdte artikel 33b, derde lid, Wet Vpb 1969.
  • Kwalificatie locatie voor verhuur vervoermiddelen als vaste inrichting onder een belastingverdrag.

Daarnaast bevat het besluit een nadere verduidelijking over de afgifte van woonplaatsverklaringen aan in Nederland gevestigde maar van winstbelasting vrijgestelde lichamen. Tevens is in het besluit een nieuw onderdeel opgenomen over de zogeheten thuiswerk-vaste inrichting.


Lees meer  
 

Formeel recht

Handtekening voor ontvangst cruciaal

Een bv vecht een aanslag OZB aan. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk, omdat het griffierecht niet tijdig is betaald. De discussie spitst zich toe op de ontvangst van de betalingsherinnering en de geldigheid van de handtekening op het ontvangstbewijs.

De aanslag en het griffierecht

De heffingsambtenaar van de gemeente stelt de waarde van een onroerende zaak vast op € 21.250.000. Op basis hiervan ontvangt de bv een aanslag OZB voor het jaar 2024. De bv maakt bezwaar. De heffingsambtenaar verklaart dit ongegrond en handhaaft de waarde. Voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank is een griffierecht van € 385 verschuldigd. Het griffierecht wordt niet betaald. Daarom wordt er per aangetekende post een betalingsherinnering gestuurd. Hierin staat duidelijk dat niet-tijdige betaling kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het beroep. De gemachtigde van de bv stelt dat hij deze herinnering nooit ontvangen heeft. 

De betwiste handtekening 

Op de zitting toont de rechtbank de handtekening die voor ontvangst is gezet, een ‘soort x'. De gemachtigde stelt dat dit niet zijn handtekening is en legt uit dat zijn handtekening een 'soort krul' is. De gemachtigde verklaart dat alleen hij de post ophaalt. De rechtbank onderzoekt verder en stelt vast dat op dezelfde datum meer herinneringen aan de gemachtigde zijn verzonden in zaken waar het griffierecht wel is betaald. Dit betekent dat hij die herinneringen in ieder geval heeft ontvangen. Bovendien is het de rechtbank bekend dat in andere beroepszaken van de gemachtigde vaker met de 'x'-handtekening voor ontvangst is getekend en dat in minstens één van die gevallen het griffierecht wel is voldaan. De rechtbank acht het daarom aannemelijk dat de gemachtigde ook deze herinnering heeft ontvangen. De enkele ontkenning van de handtekening is onvoldoende, mede omdat het algemeen bekend is dat het lastig is om precies dezelfde handtekening op een PostNL-scherm te zetten.


Lees meer  

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.