Nieuwsbrief 30 juli 2026

Loonbelasting

Geen voortzetting 30%-regeling door overschrijding driemaandstermijn

Een werknemer maakt vanaf 1 oktober 2021 gebruik van de 30%-regeling. Zijn dienstverband eindigt op 31 oktober 2022. Vrijwel direct solliciteert hij bij een nieuwe werkgever. De sollicitatieprocedure loopt echter vertraging op door omstandigheden aan de kant van de werkgever. Hierdoor komt de arbeidsovereenkomst pas op 16 februari 2023 tot stand. De werknemer en zijn nieuwe werkgever verzoeken om voortzetting van de 30%-regeling.

Driemaandstermijn

De inspecteur wijst het verzoek af, omdat meer dan drie maanden zijn verstreken tussen beide dienstverbanden. De werknemer betoogt dat de vertraging buiten zijn schuld ligt en dat de afwijzing onterecht is. Het hof oordeelt dat de inspecteur het verzoek terecht heeft afgewezen. Dat de vertraging in de sollicitatieprocedure volledig buiten de invloed van de werknemer ligt, doet niet ter zake. De regeling biedt geen ruimte om rekening te houden met de verwijtbaarheid van de termijnoverschrijding. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. De wetgever is met de driemaandstermijn binnen de grenzen van zijn bevoegdheid gebleven. Bovendien moet bij een tijdig verzoek alsnog aannemelijk worden gemaakt dat de werknemer kwalificeert als ingekomen werknemer, wat in deze procedure niet is gebeurd.


Lees meer  
 

Campingbaas betaalt zwart: naheffing terecht

Een bv die meerdere vakantieparken uitbaat, krijgt naheffingsaanslagen loonbelasting opgelegd over de jaren 2016 tot en met 2018. De inspecteur past een correctie toe van € 144.000 per jaar aan netto betaald loon, wegens 'zwarte lonen'. Deze correcties zijn gebaseerd op getuigenverhoren waaruit blijkt dat gedurende tien maanden per jaar € 14.400 per maand aan 'zwarte lonen' is betaald.

Zwarte lonen en administratieve fraude

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de bv buitenlandse Europese medewerkers (BEM-mers) in dienst had zonder contracten. Urenbriefjes van deze medewerkers moesten worden vernietigd, waardoor de gewerkte uren en betaalde bedragen niet in de administratie zichtbaar waren. De rechtbank stelt vast dat de bv opzettelijk een gebrekkige administratie heeft gevoerd. Dit omvat onder meer het niet bijhouden van registraties van verhuur van accommodaties, het vernietigen van aantekeningen over huurgelden en het voeren van een onvolledige financiële administratie. Ook zijn urenlijsten en werkroosters van de BEM-mers niet opgemaakt of bewaard. Deze handelingen hadden als doel om minder belasting te betalen.

Argumenten verworpen

De bv betwist de correcties en stelt dat deze gebaseerd zijn op de verklaringen van één voormalige werknemer. Deze werknemer zou bovendien maar een half jaar werkzaam zijn geweest en negatieve gevoelens hebben ten opzichte van het bedrijf. De rechtbank acht de correcties echter aannemelijk. Dit baseert de rechtbank op processen-verbaal van getuigenverhoren en de strafrechtelijke veroordeling, waaruit blijkt dat 'zwarte lonen' zijn betaald. De rechtbank verwerpt de stelling van de bv dat er onvoldoende 'zwarte omzet' was om de lonen te betalen. Een getuige verklaarde namelijk dat voor minimaal € 500.000 aan caravans is verkocht, wat de gebruikelijke gang van zaken binnen het concern was. De rechtbank concludeert dat de naheffingsaanslagen terecht en tot juiste bedragen zijn opgelegd.


Lees meer  
 

Inkomstenbelasting

Prijsgeven vorderingen niet aannemelijk

Een man en een vrouw zijn beiden aandeelhouder van een bv. In 2010 kopen zij een eigen woning voor € 700.000, gefinancierd met een lening van hun bv. In 2012 wordt een hypotheekrecht op de woning gevestigd ten behoeve van de bv. Tevens wordt een rekening-courantovereenkomst opgemaakt voor maximaal € 500.000. De rente bedraagt 5% per jaar. In 2016 verkopen de man en de vrouw de woning, waarbij een deel van de hypothecaire lening wordt afgelost. 

Discussie over winstuitdeling

De inspecteur stelt dat de vordering van de bv op de aandeelhouders onzakelijk hoog is en dat de geleende gelden het vermogen van de bv blijvend hebben verlaten. Volgens de inspecteur is sprake van een onttrekking in de vorm van het prijsgeven van vorderingen, zowel formeel als materieel. De man en de vrouw betwisten dit. Zij voeren aan dat de bedragen het vermogen van de bv niet blijvend hebben verlaten. Daarnaast stellen zij dat, als er al sprake was van een uitdeling, deze in 2010 heeft plaatsgevonden, toen de schuld sterk toenam.

Geen bewijs van prijsgeven

De inspecteur kan niet bewijzen dat de bv haar rechten als schuldeiser heeft prijsgegeven. Een verwijzing naar een brief uit 2017 is onvoldoende onderbouwing. Het feit dat de man en de vrouw geen bezwaar maakten tegen correcties in eerdere jaren, betekent niet dat zij de voorgestelde correcties voor 2016 en 2017 accepteren. De inspecteur heeft bovendien verklaard dat er geen sprake is van formeel prijsgeven van de rechten door de bv in 2016 en 2017. Ook materieel prijsgeven is door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt. Nu niet is komen vast te staan dat de geleende bedragen het vermogen van de bv definitief hebben verlaten door het prijsgeven van vorderingen, is er geen sprake van een onttrekking en daarmee ook geen winstuitdeling in 2016 en 2017.


Lees meer  
 

Navordering deels vernietigd na te late aanslag

De bevoegdheid om een navorderingsaanslag op te leggen vervalt vijf jaar na het ontstaan van de belastingschuld. Bij uitstel voor het doen van aangifte wordt deze termijn verlengd met het verleende uitstel. De inspecteur stelt dat hij een navorderingsaanslag voor 2011 tijdig heeft opgelegd, vanwege dertien maanden uitstel via de Becon-regeling. De inspecteur kan echter geen stukken tonen die dit uitstel onderbouwen. Een collega bevestigt bovendien dat het systeem geen Becon-uitstel voor 2011 registreert. De rechtbank oordeelt daarom dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat kenbaar uitstel is verleend. De navorderingsaanslag voor 2011 is daarom buiten de navorderingstermijn van vijf jaar opgelegd en wordt vernietigd.

Wel navordering over 2012 en 2013

Een man exploiteert in maatschapsverband een motortankschip. De man is de kapitein en de andere maat verzorgt de administratie. Het schip vervoert plantaardige oliën, waarbij 'slops' ontstaan met een waardevolle oliecomponent. In 2011 start een strafrechtelijk onderzoek, 'Flip' genaamd, naar de verduistering van plantaardige olie door schippers, aangeboden als slops aan een vethandel. De man is tot zijn overlijden verdachte in dit onderzoek.

Contante betalingen

De Belastingdienst onderzoekt de administratie van de vethandel en stelt vast dat de vethandel inkoopfacturen op naam van het schip opmaakt voor contante betalingen aan de schippers voor geleverde slops. De jaarrekeningen van de maatschap vermelden geen opbrengsten uit slops. De inspecteur stelt dat de man de contante betalingen niet heeft opgenomen in zijn aangiften. De man reageert dat hij geen administratie heeft, omdat de andere maat die voerde. De maat verklaart dat de man buiten het zicht van de maatschap om ontvangsten had en dat er geen inkomsten uit slops op de bankrekening van de maatschap zijn ontvangen.

Administratie 

De erven van de man stellen dat hij de contante betalingen nooit heeft ontvangen en dat de administratie van de vethandel geen overtuigend bewijs levert. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de man de contante betalingen heeft ontvangen. De inspecteur heeft gegevens uit de administratie van de vethandel overgelegd, waaronder inkoopfacturen, begeleidingsbrieven en weegbrugstempels, die met elkaar overeenkomen en de beschreven werkwijze bevestigen. Ook kalenders en kladkasboeken van de vethandel ondersteunen de facturenstroom. De rechtbank acht het verder van belang dat de maatschap geen ontvangsten voor slops heeft verantwoord in de jaarrekeningen en dat de partner die de administratie voerde dit heeft bevestigd. De stellingen van de erven zijn niet onderbouwd met bewijs. De navorderingsaanslagen zijn terecht opgelegd en niet te hoog.


Lees meer  
 

Fictieve vervreemding aanmerkelijk belang bij overlijden
Een vrouw overlijdt in 2020. De inspecteur legt een aanslag inkomstenbelasting op, waarbij hij een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 241.893 in aanmerking neemt. De erven van de vrouw stellen dat de vrouw geen aanmerkelijk belang had. Haar man is immers enig aandeelhouder van de holding-bv. De vrouw heeft haar enige aandeel in de holding op de dag van de oprichting overgedragen aan haar man. De wijziging van de huwelijkse voorwaarden naar een algehele gemeenschap van goederen brengt daar volgens de erven geen verandering in.

Fictieve vervreemding

De rechtbank oordeelt dat de aandelen in de holding op het moment van het overlijden van de vrouw in de huwelijksgemeenschap vallen. Hierdoor heeft de vrouw een aanmerkelijk belang in de holding. De overgang onder algemene titel bij overlijden wordt als een fictieve vervreemding aangemerkt. Het vervreemdingsvoordeel bedraagt € 241.893.

Doorschuiffaciliteit 

De erven stellen verder nog dat de doorschuiffaciliteit van toepassing is. De onderneming wordt door de man voortgezet. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Omdat de holding bv en haar dochteronderneming sinds 2015 geen activiteiten verrichten en geen omzet behalen, is er geen sprake van een materiële onderneming. Ook van een medegerechtigdheid is geen sprake. De doorschuiffaciliteit kan daarom niet worden toegepast.


Lees meer  
 

Handvol e-mails levert volledig gebruikelijk loon op

Een dga stelt dat hij vanwege hartproblemen geen werkzaamheden voor zijn bv heeft verricht. Daarom zou de gebruikelijkloonregeling niet van toepassing zijn. Het hof denkt daar anders over. Uit brieven en e-mails blijkt dat de dga in het jaar in kwestie namens de bv bezwaarschriften indiende, verzoeken deed en correspondeerde met de Belastingdienst. Die administratieve werkzaamheden zijn voldoende om gebruikelijk loon in aanmerking te nemen.

Schoonheidssalon via bv

De echtgenote van de dga runt een schoonheidssalon. Na haar persoonlijke faillissement in 2016 richt de dga twee vennootschappen op om de salon met behoud van personeel voort te zetten. De echtgenote mag van de curator geen bestuurder worden, dus neemt de dga die rol op zich. Volgens de echtgenote heeft hij uitsluitend een adviserende en coachende rol en verricht hij geen daadwerkelijke arbeid. In januari 2019 wordt de dga opgenomen in het ziekenhuis met hartproblemen en een longontsteking. Zijn huisarts verklaart dat het boezemfibrilleren wordt uitgelokt door stress en dat de dga zijn leefstijl moet aanpassen.

Aangifte zonder loon

De dga doet aangifte inkomstenbelasting 2019 naar een negatief inkomen van € 2.544. De inspecteur corrigeert de aangifte met een gebruikelijk loon van € 26.470, gelijk aan het loon van de meestverdienende werknemer: de echtgenote. Na bezwaar wordt het belastbaar inkomen vastgesteld op € 23.220. De dga gaat in beroep en stelt dat hij vanwege zijn gezondheid geen werkzaamheden heeft verricht. De werkzaamheden die hij wel deed, waren volgens hem puur arbeidstherapeutisch.

Eigen correspondentie als bewijs

Uit het dossier blijkt dat de dga in 2019 als contactpersoon stond vermeld in de maandelijkse aangiften loonheffing. In maart 2019 verzocht hij namens de holding om een fiscale eenheid voor de omzetbelasting, stuurde hij informatie toe voor een hoorgesprek en bevestigde hij telefonisch gemaakte afspraken per e-mail. In april 2019 diende hij namens de bv bezwaar in tegen een aanslag vennootschapsbelasting en in november en december correspondeerde hij uitgebreid met de inspecteur over dat bezwaar.

Verklaringen onvoldoende

De verklaringen van de huisarts en de echtgenote veranderen dit niet. Deze verklaringen gaan over de gezondheid van de dga, maar nemen niet weg dat hij de administratieve werkzaamheden daadwerkelijk heeft uitgevoerd. De dga heeft niet bewezen dat een lager gebruikelijk loon op zijn plaats is. Uit de verklaringen kan niet worden afgeleid dat hij slechts tot arbeidstherapeutische werkzaamheden in staat was waarmee geen loon kan worden genoten. Het hoger beroep is ongegrond.

Omvang niet getoetst

Opvallend is dat het hof niet toetst of de omvang van de werkzaamheden het gebruikelijk loon rechtvaardigt. De systematiek van de wet is hard: zodra vaststaat dat de dga enige arbeid verricht, geldt het standaardbedrag. Wil de dga een lager loon? Dan moet hij bewijzen dat dit gebruikelijk is voor vergelijkbare arbeid. Door alleen medische verklaringen over te leggen in plaats van concrete gegevens over wat vergelijkbaar administratief werk waard is, laat de dga die kans liggen. De uitkomst roept wel vragen op. Een handvol brieven en e-mails levert een belastbaar loon op van ruim € 26.000.


Lees meer  
 

Hoge Raad laat vraag over fiscale ongelijkheid verbeurdverklaring onbeantwoord

Een veroordeelde drugshandelaar wil de verbeurdverklaarde auto en contanten in aftrek brengen op zijn inkomen. De wet staat dat niet toe, terwijl ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wél aftrekbaar is. Is dat onderscheid discriminerend? De Hoge Raad komt niet toe aan beantwoording van die vraag. De verbeurdverklaring betrof instrumenten van het misdrijf, niet de opbrengst ervan.

Veroordeling en vermogensvergelijking

De strafrechter veroordeelt een man voor drugsdelicten, wapenbezit en witwassen. Bij het vonnis verklaart de rechter een auto en contanten verbeurd. De inspecteur gebruikt de feiten uit het strafvonnis om een vermogensvergelijking op te stellen en legt een aanslag inkomstenbelasting 2017 op. De aankoop van de auto en de contanten zijn daarin meegenomen als belastbaar inkomen.

Aftrekbeperking voor misdrijfkosten

De man wil de verbeurdverklaarde goederen in aftrek brengen. De Wet IB 2001 sluit echter aftrek van kosten uit die verband houden met een misdrijf. Op die regel bestaat één uitzondering: ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht is wél aftrekbaar. Voor verbeurdverklaring op grond van artikel 33a van het Wetboek van Strafrecht geldt die uitzondering niet. De man betoogt dat dit onderscheid in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM.

Twee soorten verbeurdverklaring

De Hoge Raad wijst erop dat verbeurdverklaring op twee gronden kan plaatsvinden. De eerste grond is dat voorwerpen zijn verkregen uit de baten van het strafbare feit, de zogenoemde ontnemende verbeurdverklaring. De tweede grond is dat met de voorwerpen de strafbare feiten zijn begaan, bijvoorbeeld de auto waarmee drugs werden vervoerd. De man veronderstelt dat de eerste grond van toepassing is, maar dat berust op een onjuiste lezing van het strafvonnis. De strafrechter heeft de auto en de contanten verbeurdverklaard, omdat daarmee de feiten zijn begaan, niet omdat zij de opbrengst van die feiten vormden.

Principiële vraag blijft open

Het cassatieberoep faalt reeds daarom. De Hoge Raad laat uitdrukkelijk in het midden of de aftrekbeperking bij een ontnemende verbeurdverklaring in strijd is met het discriminatieverbod. Die vraag blijft dus onbeantwoord, maar is wel relevant. Bij ontneming wordt de opbrengst van het misdrijf afgepakt en is fiscale aftrek toegestaan. Bij ontnemende verbeurdverklaring wordt een voorwerp afgepakt dat is verkregen uit de opbrengst van het misdrijf, maar is geen aftrek mogelijk. Of dat onderscheid te rechtvaardigen valt, moet een volgende zaak uitwijzen.


Lees meer  
 

Omzetbelasting

Naheffing btw op privégebruik van de auto

Het privégebruik van een auto die tot het bedrijfsvermogen behoort, geldt volgens de wet als een dienst waarover btw verschuldigd is. Als een sluitende kilometeradministratie ontbreekt, stelt de inspecteur de verschuldigde btw vast op 2,7% van de catalogusprijs (inclusief btw en bpm) van de auto. Een bv waaraan een dergelijke aanslag is opgelegd, stelt dat er geen sprake is van privégebruik, alleen van woon-werkverkeer. Hiervoor heeft zij een kilometeradministratie aangeleverd. 

Onvolkomenheden in de administratie

Uit het controlerapport voor de loonheffingen blijkt dat de auto's ter beschikking zijn gesteld en privé zijn gebruikt. Volgens de inspecteur is er geen sluitende kilometeradministratie bijgehouden. De bv verstrekt weliswaar overzichten, maar de inspecteur vindt deze onvoldoende onderbouwd en niet betrouwbaar. Hij kan niet vaststellen of de cijfers kloppen. Voor twee auto's is de rittenadministratie in een 'black box' handmatig aangepast. Voor de overige drie auto's is geen rittenadministratie bijgehouden. 

Geen privéauto 

De bv heeft wisselende verklaringen afgelegd over het gebruik van de auto's. De inspecteur constateert meerdere fouten in de rittenadministraties. Hij toont aan dat op jaarbasis met meerdere auto's meer dan 500 kilometer privé is gereden. De inspecteur acht het waarschijnlijk dat de bestuurder en zijn echtgenote de auto's privé gebruiken, mede gelet op het ontbreken van een privéauto bij beiden.

Correctie wegens privégebruik 

De rechtbank oordeelt dat de inspecteur de correctie wegens privégebruik van de auto’s correct heeft vastgesteld. De handmatige aanpassingen van de rittenadministratie, het ontbreken van administratie voor andere auto's, de inconsistente verklaringen en de onbruikbaarheid van de overzichten van de bv ondersteunen de beslissing van de inspecteur. De naheffingsaanslag blijft in stand.


Lees meer  
 

Sociale verzekeringen

ZW-uitkering belast in jaar van ontvangst, ook bij fout van UWV

Een man ontvangt van 2019 tot en met 2021 Ziektewetuitkeringen (ZW-uitkeringen) van het UWV. Op 13 januari 2020 ontvangt hij de eerste betaling die betrekking heeft op de periode van 2019 tot en met 12 januari 2020. Volgens de jaaropgaaf van het UWV ontvangt de man in 2020 in totaal een brutobedrag van € 44.691 aan ZW-uitkeringen. In zijn aangifte IB/PVV voor 2020 geeft de man dit bedrag aan als belastbaar inkomen. De man stelt vervolgens dat de eerste betaling bijna geheel ziet op zijn ziekte in 2019 en daarom in 2019 belast had moeten worden. 

Fout UWV

Hij voert aan dat de betaling ten onrechte niet in 2019 is gedaan door een fout van het UWV. Dit leidt tot extra IB door het progressieve tarief. De inspecteur stelt daarentegen dat de eerste betaling in 2020 is genoten, omdat deze op 13 januari 2020 is ontvangen en er geen bewijs is van eerdere vorderbaarheid.

Genietingsmoment

Periodieke uitkeringen, zoals ZW-uitkeringen, worden geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop zij zijn ontvangen, verrekend, ter beschikking gesteld, rentedragend worden of vorderbaar en inbaar worden. Het hof oordeelt dat de inspecteur aannemelijk maakt dat het bedrag aan ZW-uitkering, inclusief de eerste betaling, in 2020 is genoten. De man heeft ook erkend de betaling in 2020 te hebben ontvangen. Dat de betaling ziet op een ziekteperiode in 2019, betekent op zichzelf niet dat deze in 2019 vorderbaar en inbaar was. 

Vorderbaar en inbaar

Een ZW-uitkering is pas vorderbaar na toekenning en is pas inbaar op het moment bepaald bij de toekenning. Zelfs als de betaling door een fout van het UWV pas in 2020 is gedaan, is deze in 2020 genoten en moet deze in de belastingheffing over 2020 worden betrokken. Het hof verklaart het hoger beroep van de man ongegrond. 


Lees meer  
 

Vanaf 1 september vergoeding voor gedupeerden WIA

De minister van SZW heeft de vergoedingsregeling vastgesteld voor mensen bij wie fouten zijn gemaakt in de WIA. De regeling start per 1 september. Het UWV kan daardoor dit najaar beginnen met het uitkeren van vergoedingen aan mensen van wie de arbeidsongeschiktheidsuitkering te laag is vastgesteld.

De regeling geldt voor mensen bij wie tussen 1 januari 2020 en 31 december 2024 het dagloon te laag is vastgesteld en die als gevolg daarvan een te lage arbeidsongeschiktheidsuitkering hebben ontvangen. Ook komen mensen in aanmerking van wie het dagloon tussen 1 juli 2006 en 31 december 2022 niet is geïndexeerd. Tot slot worden ook WIA-uitkeringen meegenomen waarvan het recht is ingegaan op of na 1 juli 2015 met als uiterste datum van dagloonvaststelling 4 augustus 2025 en die vallen onder de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (van 29 november 2023 en 30 juli 2024) over de toepassing van loonloze tijdvakken. 

Niet terugvorderen

Voor mensen, bij wie fouten zijn geconstateerd, wordt de uitkering opnieuw berekend en vastgesteld. Vanaf dat moment ontvangen zij maandelijks het juiste bedrag. Als de fout ervoor heeft gezorgd dat de uitkering te hoog was, gaat het UWV dit niet terugvorderen. Mensen met een te lage uitkering krijgen eenmalig een vergoeding ter waarde van het misgelopen bedrag overgemaakt.

Oplossing voor toeslagen

De vergoeding, die mensen krijgen, telt niet mee voor het belastbaar inkomen. Het UWV betaalt de loonheffing rechtstreeks aan de Belastingdienst. Hierdoor mogen deze mensen het hele bedrag houden en stijgt het inkomen op basis waarvan hun toeslagen worden berekend niet. Hun huurtoeslag, zorgtoeslag en andere inkomensafhankelijke toeslagen blijven dus even hoog als normaal.


Lees meer  
 

Subsidies

Meer mogelijkheden voor DUMAVA-subsidie op verduurzaming

Eigenaren van maatschappelijk vastgoed hebben dit jaar meer kans op DUMAVA-subsidie voor verduurzaming. De voorwaarden zijn versoepeld, waardoor kleinere investeringen sneller in aanmerking komen. Dit kan interessant zijn voor uw klanten. Subsidie aanvragen kan nog tot en met 16 oktober 2026, zolang budget beschikbaar is.

Lagere investeringsdrempel

De ondergrens voor subsidie op losse verduurzamingsmaatregelen is verlaagd van € 5.000 naar € 2.500. Voor maatregelen zoals isolatie, warmtepompen, sportveldverlichting en zonnepanelen is een subsidie van 20% mogelijk. Bij grotere verduurzamingstrajecten kan de vergoeding oplopen tot 30% of 40% van de kosten.

Vaker aanvragen mogelijk

Vastgoedeigenaren mogen vanaf dit jaar vaker een aanvraag indienen voor losse maatregelen. Eerder was dit beperkt tot maximaal twee aanvragen. Voorwaarde is wel dat een eerdere aanvraag al definitief is vastgesteld.

Bredere doelgroep

Sinds dit jaar kunnen ook openbare lichamen die zijn opgericht door gemeenten, provincies of waterschappen DUMAVA aanvragen. Hiermee komt de subsidie beschikbaar voor een bredere groep eigenaren van maatschappelijk vastgoed, waaronder scholen, zorginstellingen, culturele instellingen en sportverenigingen.

Budget en aanvraagtermijn

Op 20 juli 2026 was nog ruim € 303 miljoen beschikbaar van het totale budget van € 405 miljoen. Eigenaren kunnen subsidie aanvragen totdat het budget op is, of uiterlijk tot en met 16 oktober 2026. De regeling stimuleert eigenaren om hun gebouwen te verduurzamen, wat leidt tot een lagere CO₂-uitstoot en besparingen op energiekosten.


Lees meer  
 

Overige heffingen

Twee à drie diensten per jaar voldoende voor kerkenvrijstelling

De eigenaren van een kerkgebouw met een perceel grond vinden dat de gemeente de waarde hiervan te hoog heeft vastgesteld. Zij stellen dat de kerkenvrijstelling ten onrechte niet is toegepast op de volledige waarde van de onroerende zaak. De intentie is om het pand als kerk te behouden. Er vinden minimaal twee keer per jaar kerkdiensten plaats.

Kerkenvrijstelling

De gemeente stelt dat de kerkenvrijstelling destijds ten onrechte is toegepast op de opstal (het kerkgebouw). De gemeente betwist dat de onroerende zaak wordt gebruikt voor kerkdiensten en vindt twee à drie diensten per jaar onvoldoende om voor de kerkenvrijstelling in aanmerking te komen, vooral omdat het pand ook als trouwlocatie wordt gebruikt. Volgens de gemeente heeft de vastgestelde waarde (van € 14.000) uitsluitend betrekking op het perceel grond.

Het 70%-criterium

Volgens de wet wordt de waarde van onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst buiten aanmerking gelaten. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat 'in hoofdzaak' betekent dat de onroerende zaak voor ten minste 70% voor de openbare eredienst wordt gebruikt (het '70%-criterium'). Het kerkgebouw is naar aard en inrichting bestemd voor de openbare eredienst, zo stelt de rechtbank vast. De rechtbank twijfelt niet aan de verklaring van eisers dat er in 2023 drie kerkdiensten hebben plaatsgevonden. De stelling van de gemeente dat twee à drie diensten per jaar te weinig is om aan het 70%-criterium te voldoen, vindt geen steun in wet- en regelgeving. Omdat eisers onweersproken hebben gesteld dat het pand in 2023 uitsluitend voor de openbare eredienst is gebruikt, voldoet het aan het 70%-criterium. De kerkenvrijstelling is daarom van toepassing.

Gevolg voor WOZ en OZB

De waarde van de onroerende zaak moet buiten aanmerking worden gelaten bij de WOZ-waardering en vormt geen onderdeel van de heffingsmaatstaf van de OZB. Het beroep is gegrond. De vastgestelde waarde van de onroerende zaak wordt verlaagd tot nihil en de OZB-aanslag wordt dienovereenkomstig verminderd.


Lees meer  
 

Onterechte naheffing geeft recht op kostenvergoeding

Een vrouw parkeert haar auto op een plek waar betaald parkeren geldt. De vrouw meldt zich echter per ongeluk aan voor een andere zone binnen dezelfde gemeente. Het uurtarief voor de betaalde zone is hoger dan het uurtarief voor de zone waar de auto daadwerkelijk staat. De heffingsambtenaar legt een naheffingsaanslag op, waartegen de vrouw bezwaar maakt. De naheffingsaanslag wordt in bezwaar door de heffingsambtenaar vernietigd uit coulance, maar een proceskostenvergoeding wordt niet toegekend.

Onzorgvuldige naheffing

De rechtbank stelt vast dat volgens de wet naheffing alleen mogelijk is als te weinig belasting is betaald. In dit geval heeft de vrouw wel parkeerbelasting betaald, zij het voor de verkeerde zone. Omdat het betaalde tarief hoger is, is er geen sprake van te weinig betaalde belasting. In de periode tussen de controle en het opleggen van de aanslag had de heffingsambtenaar in het systeem kunnen zien dat de vrouw in een andere zone had betaald. Het was onzorgvuldig om deze informatie niet te raadplegen voordat de aanslag werd opgelegd. Het raadplegen van het systeem is niet tijdsintensief en mag van de heffingsambtenaar worden verwacht.

Proceskostenvergoeding

De naheffingsaanslag had niet uit coulance vernietigd moeten worden, maar omdat deze ten onrechte was opgelegd. Dit betekent dat er sprake is van een ‘aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid’. De vrouw heeft daarom recht op een proceskostenvergoeding in de bezwaarfase.


Lees meer  
 

Invordering

Wet modernisering Invorderingswet 1990 in consultatie

De Invorderingswet 1990 geldt sinds 1 juni 1990. Sindsdien is er veel veranderd. Zo zijn in andere belastingwetten nieuwe regels ingevoerd die ook aanpassingen van de Invorderingswet nodig maakten. Daarnaast is de wet aangepast vanwege maatschappelijke ontwikkelingen, uitspraken van rechters en veranderingen in Europese regelgeving. Door deze ontwikkelingen sluit de Invorderingswet 1990 niet op alle punten meer goed aan bij de huidige praktijk. Sommige onderdelen zijn verouderd en verschillende bepalingen zijn moeilijk leesbaar. Met het wetsvoorstel wordt de wet daarom gemoderniseerd en beter afgestemd op de eisen van deze tijd.

Het wetsvoorstel bevat de volgende wijzigingen:

  • Aanpassing van de regeling inzake versnelde invordering in verband met Unierechtelijke vereisten
  • Afschaffing van de regeling voor notoire wanbetalers
  • Uitbreiding van de verplichting tot toezending van een vooraankondiging bij een vereenvoudigd derdenbeslag jegens een huurder of pachter
  • Modernisering van de rechtsbescherming bij de weigering van instemming met cessie of verpanding
  • Aanpassing van de regeling inzake verlenging en opschorting van de verjaringstermijn van belastingschulden
  • Aanpassing van de regeling inzake de vergoeding van invorderingsrente
  • Aanpassen van de bewijslastverdeling bij aansprakelijkheid voor rente en kosten
  • Introductie van een bestuurdersaansprakelijkheid voor buitenlandse lichamen met rechtspersoonlijkheid
  • Uitbreiding van de verplichting tot toezending van een vooraankondiging bij aansprakelijkstelling
  • Uitbreiding van de mogelijkheden voor de bekendmaking van een beschikking aansprakelijkstelling
  • Verlenging van de termijn van het conservatoir beslag bij een aansprakelijk gestelde wanneer nog een uitspraak op bezwaar moet volgen
  • Afschaffing van de experimenteerbepaling

De Wet modernisering Invorderingswet 1990 is onlangs in consultatie gegaan. Reageren kan tot 14 augustus 2026 op https://www.internetconsultatie.nl/moderniseringiw
 


Lees meer  
 

Formeel recht

Belastingdienst mag wereldwijd informatie opvragen

De bevoegdheid van de inspecteur om rechtstreeks informatie op te vragen is niet territoriaal begrensd, zo bevestigt de Hoge Raad. Ook brengt de Tax Information Exchange Agreement (TIEA) met Jersey niet mee dat de inspecteur eerst informatie bij de autoriteiten van Jersey moet opvragen. Het gebruik van de TIEA wordt gezien als een aanvullende mogelijkheid, maar is niet verplicht als alternatief of vervanging voor het rechtstreeks benaderen van personen. Dit is alleen anders als het handelen van de inspecteur in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Tot deze conclusie komt de Hoge Raad in een zaak van een vrouw en haar gezin, die in 2013 van Nederland naar Jersey zijn verhuisd. De Belastingdienst vermoedt dat zij over eerdere belastingjaren mogelijk onvolledige informatie hebben verstrekt. Als de vrouw niet volledig voldoet aan een informatieverzoek, legt de inspecteur informatiebeschikkingen op. Later vraagt de inspecteur via de TIEA met Jersey aanvullende informatie op over de vrouw, haar partner en hun gezamenlijke vennootschap. Dit leidt tot navorderingsaanslagen. De vrouw stelt dat de inspecteur in strijd heeft gehandeld met de TIEA en ten onrechte rechtstreeks informatie bij haar heeft opgevraagd. Zowel het gerechtshof als de Hoge Raad oordeelt dat dit niet het geval is. De inspecteur heeft rechtmatig gehandeld. De informatiebeschikkingen blijven in stand.


Lees meer  

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.