Nieuwsbrief 25 juli 2026

Ondernemingswinst

Effectenportefeuille geen ondernemingsvermogen

Voor de kwalificatie als bron van inkomen is vereist dat er sprake is van deelname aan het economische verkeer, een subjectief oogmerk om voordeel te behalen en een objectieve voordeelsverwachting. Het beheer van een effectenportefeuille wordt doorgaans als normaal actief vermogensbeheer beschouwd. Dit is anders als de ondernemer met zijn deskundigheid, ervaring en relaties het koersverloop van de aandelen kan beïnvloeden. Een effectenportefeuille kan tot het ondernemingsvermogen behoren als deze is verworven binnen de normale bedrijfsuitoefening of als tijdelijk overtollige liquide middelen op een zodanige wijze zijn belegd dat zij tijdig weer voor de onderneming beschikbaar zijn.

Verlies 

Twee ondernemers, gehuwd in gemeenschap van goederen, exploiteren vof 'De Boekhouder'. Zij zijn betrokken bij twee projectontwikkelingsinitiatieven. De ondernemers bezitten ook een effectenportefeuille, die een verlies laat zien. In hun aangiften voor 2020 namen zij een afwaardering van € 1,3 miljoen op de portefeuille op. De inspecteur corrigeert deze afwaardering, omdat de portefeuille volgens hem ten onrechte als ondernemingsvermogen is geactiveerd en in box 3 thuishoort.

Bron van inkomen 

Geen van de projectontwikkelingsinitiatieven vormt in 2020 een bron van inkomen. Er hebben dat jaar geen concrete handelingen in het economische verkeer plaatsgevonden en er is geen objectieve voordeelsverwachting. Ook het beheer van de effectenportefeuille zelf kwalificeert niet als een bron van inkomen, aangezien de ondernemers geen arbeid hebben verricht die normaal actief vermogensbeheer te boven gaat. De effectenportefeuille is bovendien niet verworven binnen de normale bedrijfsuitoefening van de vof, waarvan de activiteiten wezenlijk anders zijn dan effectenbeheer. 

Verplicht privévermogen

De portefeuille behoort daarom tot het verplichte privévermogen en valt in box 3. De inspecteur heeft de afwaardering terecht gecorrigeerd. Echter, de inspecteur erkent dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen lager moet worden vastgesteld vanwege niet-verrekende rekening-courantschulden. Gelet op de verliezen op de effectenportefeuille en het 'kerstarrest', wordt het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen uiteindelijk verminderd tot nihil.


Lees meer  
 

Inkomstenbelasting

Geen arbeidskorting bij ZW-uitkering na beëindigde dienstbetrekking

Iemand heeft recht op arbeidskorting als hij arbeidsinkomen geniet. Sinds 1 januari 2020 telt een Ziektewet-uitkering (ZW-uitkering) alleen mee als arbeidsinkomen als de dienstbetrekking nog niet is beëindigd. De wet maakt nu dus onderscheid tussen zieke werknemers met een lopende dienstbetrekking en zieke personen zonder dienstbetrekking. Voor de laatste groep, waaronder mensen van wie het arbeidscontract tijdens ziekte is beëindigd, telt de ZW-uitkering niet langer mee voor de arbeidskorting.

Arbeidskorting terugbetalen 

Een man trad in 1992 in dienst bij zijn inmiddels ex-werkgever. In april 2021 sluiten zij een vaststellingsovereenkomst, waarin zij overeenkomen dat de arbeidsovereenkomst per 1 september 2021 met wederzijds goedvinden eindigt. In mei 2021 meldt de man zich ziek. Vanaf dat moment ontvangt de man een ZW-uitkering tot mei 2023. In zijn aangifte 2022 geeft de man deze inkomsten aan als inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking. De inspecteur stelt de aanslag echter vast op basis van inkomen uit vroegere dienstbetrekking, waardoor de man geen recht heeft op arbeidskorting. 

Eigenrisicodrager 

De man maakt bezwaar. Volgens hem is er nog sprake van een dienstbetrekking. Hij voert aan dat een wettelijk ontslag niet kan ingaan tijdens een ziekteperiode. Tevens verwijst hij naar de loonspecificatie van december 2022 en de jaaropgaven (2021-2023), waarin hij als 'werknemer' wordt aangeduid en waarop 'datum van indiensttreding: 1 september 2021' staat vermeld. De inspecteur stelt dat de dienstbetrekking op 31 augustus 2021 met wederzijds goedvinden is geëindigd. De ZW-uitkering wordt door de ex-werkgever als eigenrisicodrager uitgekeerd en niet in het kader van een lopende dienstbetrekking. 

Geen recht op arbeidskorting 

De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van een dienstbetrekking. De dienstbetrekking is per 1 september 2021 beëindigd via de vaststellingsovereenkomst. De man heeft geen bewijs geleverd dat deze overeenkomst ongeldig of herroepen is. De vermeldingen op de loonspecificaties en jaaropgaven, zoals 'datum van indiensttreding: 1 september 2021' of 'werknemer', zijn niet doorslaggevend. De loonspecificatie vermeldt namelijk ook de functie 'ZW-uitkeringsgerechtigde'. De ex-werkgever ging uit van een dienstbetrekking tot 1 september 2021, maar niet daarna. De rechtbank merkt op dat de man bij herstel na 1 september 2021 geen loon meer zou ontvangen van zijn ex-werkgever, aangezien de arbeidsovereenkomst niet meer bestaat. Aangezien het hier niet gaat om een ZW-uitkering met een lopende dienstbetrekking, telt de uitkering niet mee als arbeidsinkomen. Hierdoor bestaat er geen recht op arbeidskorting.


Lees meer  
 

Onjuiste aanslagen 2022

De Belastingdienst heeft bij een groep belastingplichtigen onjuiste definitieve aanslagen inkomstenbelasting 2022 opgelegd. Daardoor is de algemene heffingskorting in sommige gevallen ten onrechte niet uitbetaald. Het gaat om mensen die recht hebben op een uitbetaling van de algemene heffingskorting over 2022 en die een brief hebben ontvangen met als onderwerp: ‘U mag uw werkelijk rendement over 2022 aan ons doorgeven’.

De Belastingdienst onderzoekt hoe deze fout zo snel mogelijk kan worden hersteld. Betrokkenen ontvangen een nieuwe definitieve aanslag. Daarna volgt alsnog de uitbetaling van de algemene heffingskorting waarop recht bestaat. Wie uitsluitend met deze fout te maken heeft, hoeft op dit moment niets te doen. Als er daarnaast andere bezwaren bestaan tegen de definitieve aanslag 2022, kan binnen de op de aanslag vermelde termijn bezwaar worden gemaakt.


Lees meer  
 

Wet excessief lenen doorstaat eerste toets

Een dga leent ruim zeven ton van zijn eigen bv. Het bedrag boven de wettelijke drempel van € 700.000 wordt belast als fictief regulier voordeel. De dga vindt dit in strijd met het Europese eigendomsrecht en het discriminatieverbod. Waarom telt een zakelijke lening even zwaar als een onzakelijke lening? Rechtbank Den Haag verwerpt alle bezwaren. De wetgever mocht kiezen voor een eenvoudige regeling die alle leningen gelijk behandelt.

Schuld groeit snel

De dga houdt alle aandelen in een bv. Zijn rekening-courantschuld aan de vennootschap groeit van ruim € 5.000 in 2017 naar bijna € 600.000 eind 2022. In 2023 loopt de schuld verder op tot € 786.278. Per 1 januari 2023 is de Wet excessief lenen in werking getreden. Die wet bepaalt dat schulden aan de eigen bv boven de drempel van € 700.000 worden belast als fictief regulier voordeel in box 2. Het bovenmatige deel bedraagt € 86.278. Na verdeling met zijn fiscale partner wordt € 75.127 bij de dga belast tegen het aanmerkelijkbelangtarief.

Beroep op grondrechten

De dga stelt dat de heffing in strijd is met het Europese eigendomsrecht. Hij voert aan dat de wetgever ten onrechte geen onderscheid maakt tussen zakelijke en onzakelijke leningen. Een lening met zakelijke voorwaarden en zekerheden zou anders behandeld moeten worden dan een informele schuld zonder aflossingsschema. Daarnaast vindt de dga de heffing disproportioneel, omdat deze een radicale wijziging vormt die zonder overgangsrecht is ingevoerd. Tot slot beroept hij zich op het discriminatieverbod en stelt hij dat de heffing het draagkrachtbeginsel schendt.

Beschikking over gelden is doorslaggevend

De rechtbank verwerpt alle stellingen. De heffing heeft een wettelijke basis, dient een legitiem doel en respecteert de vereiste balans tussen individueel en algemeen belang. Het doel van de wet is om uitstel en afstel van belastingheffing door dga's tegen te gaan. Daarbij is doorslaggevend dat de dga op enig moment de beschikking heeft gehad over het geleende bedrag. Of de lening zakelijk of onzakelijk is, doet er niet toe. De wetgever heeft bewust gekozen voor een eenvoudige regeling waarin alle leningen, behalve de eigenwoningschuld, gelijk worden behandeld. Die keuze is niet onredelijk.

Vijf jaar anticipatietijd

De rechtbank oordeelt verder dat de heffing niet disproportioneel is. De wetgever heeft de maatregel al in september 2018 aangekondigd, zodat dga's ruim vijf jaar de tijd hadden om hun schuldpositie af te bouwen. Bovendien kan een dga die later aflost het eerder belaste bedrag verrekenen als een negatief regulier voordeel en is de drempel € 200.000 hoger vastgesteld dan oorspronkelijk beoogd. Bij deze dga speelt terugwerkende kracht bovendien niet. Zijn schuld steeg pas in 2023 boven de drempel. Het beroep is ongegrond.


Lees meer  
 

Eigen handtekening onder inkeermelding bewijst opzet

Een vrouw ondertekent samen met haar echtgenoot een inkeermelding voor buitenlands vermogen van ruim twee miljoen euro. Jaren later stelt zij dat haar echtgenoot haar tot eind 2017 onwetend heeft gehouden over dat vermogen. Zij zou daarom geen opzet hebben gehad bij het doen van onjuiste aangiften. De rechtbank acht die verklaring volstrekt ongeloofwaardig. De inkeermelding spreekt immers van 'wij' en 'ons' en is door haarzelf ondertekend.

Van Luxemburg naar Hongkong

De vrouw drijft samen met haar echtgenoot een onderneming in vof-verband. De echtgenoot heeft in het verleden bij de Belastingdienst gewerkt. Het echtpaar houdt een effectenrekening aan in Luxemburg met een saldo van rond de twee miljoen euro. In 2013 heffen zij de rekening op en boeken het saldo over naar Hongkong. De nieuwe rekening wordt op naam van hun zoon gezet, omdat hij regelmatig in Hongkong moet zijn voor zijn werk. Op 29 december 2017 sturen de vrouw, haar echtgenoot en hun zoon gezamenlijk een inkeermelding naar de Belastingdienst. In de e-mail schrijven zij dat zij willen inkeren 'van het niet aangegeven van vermogen wat belast had moeten worden in Box 3'. De drie ondertekenen de melding persoonlijk.

Navorderingsaanslagen en boetes

De inspecteur legt navorderingsaanslagen inkomstenbelasting op over de jaren 2009 tot en met 2014. Op verzoek van het echtpaar worden deze uitsluitend aan de vrouw opgelegd. Bij de aanslagen over 2012 tot en met 2014 horen vergrijpboetes van 120% wegens opzet. Die boetes zijn al gematigd vanwege de vrijwillige inkeer. Zonder inkeer had 300% kunnen worden opgelegd. De vrouw maakt bezwaar. Zij stelt dat zij niet wist van het buitenlandse vermogen en dat haar echtgenoot haar bewust onwetend heeft gehouden. Daarom zou zij geen opzet hebben gehad.

Inkeermelding als bewijs

De rechtbank maakt korte metten met dit verweer. Uit de inkeermelding blijkt dat de vrouw in elk geval in 2013 wist van de Luxemburgse rekening, omdat zij die rekening toen samen met haar echtgenoot heeft opgeheven. De aangiften over 2012, 2013 en 2014 zijn alle ingediend ná die opheffing. De vrouw wist dus van het vermogen, maar vermeldde het niet. De inkeermelding spreekt consequent van 'wij' en 'ons' en is door haarzelf mede ondertekend. De andersluidende verklaring van de echtgenoot, dat zij pas eind 2017 zou zijn ingelicht, acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig.


Lees meer  
 

Omzetbelasting

Verbouwing kantoorpand tot hotel geen 'in wezen nieuwbouw'

De vennoten van een cv verkrijgen in 2018 een voormalig kantoorgebouw dat is getransformeerd tot een hotel. De verkoper heeft het gebouw in 2015 gekocht en vervolgens ingrijpende werkzaamheden laten uitvoeren, waaronder sloop tot op het betonskelet, vervanging van infrastructuur en installaties, en aanpassingen aan de dak- en gevelconstructie. De vennoten betalen overdrachtsbelasting, maar maken bezwaar omdat zij menen dat de samenloopvrijstelling van toepassing is. Dit zou betekenen dat de levering van het gebouw met btw is belast, omdat de verbouwing een 'vervaardigd goed' heeft voortgebracht.

Het criterium 'in wezen nieuwbouw'

De vennoten stellen dat de verbouwing heeft geleid tot een 'vervaardigd goed' in de zin van de wet, omdat de bouwkundige identiteit en uiterlijke herkenbaarheid van het gebouw zijn gewijzigd. Zij verwijzen naar de omvang van de investeringen en de constructieve ingrepen. De inspecteur is van mening dat de constructieve aanpassingen te beperkt zijn om van een 'vervaardigd goed' te spreken.

Geen nieuw gebouw

Het hof oordeelt dat de verbouwing niet dusdanig ingrijpend is geweest dat in wezen een nieuw gebouw is ontstaan. De kosten voor constructieve ingrepen bedragen slechts ongeveer 6% van het totale bouwbudget. Ook de functiewijziging en de omvang van de investeringen zijn niet doorslaggevend. Het hof bevestigt dat het nationale criterium 'in wezen nieuwbouw' in overeenstemming is met de btw-richtlijn, die een ondergrens stelt en lidstaten toestaat om strengere voorwaarden te hanteren. Een ruimere Unierechtelijke uitleg is niet mogelijk, omdat de nationale wet het begrip 'eerste ingebruikneming' expliciet koppelt aan het 'vervaardigd goed'.


Lees meer  
 

Vennootschapsbelasting

Voorlopige aanslag vpb digitaal aanpassen

De Belastingdienst ontvangt regelmatig bezwaarschriften tegen voorlopige aanslagen vennootschapsbelasting (vpb). Deze brieven leiden echter vaak niet tot de gewenste aanpassing. Bezwaar maken tegen een voorlopige aanslag is immers niet mogelijk. Een medewerker van de Belastingdienst neemt dan contact op om te melden dat het bezwaar niet in behandeling wordt genomen en om te wijzen op de digitale aanpassingsmogelijkheden.

Direct digitaal aanpassen

Wanneer de voorlopige aanslag niet aansluit bij de actuele situatie, is aanpassing vaak direct online mogelijk. Op de internetsite van de Belastingdienst staat stap voor stap uitgelegd hoe een voorlopige aanslag vpb is aan te vragen of aan te passen.


Lees meer  
 

Arbeidsrecht

Verlofwet in consultatie

De Wet arbeid en zorg (Wazo) is sinds 2001 uitgebreid met verschillende verlofregelingen, waardoor het verlofstelsel complex is geworden. Dit kwam ook naar voren in het SER-advies Balans in maatschappelijk verlof uit 2023. De complexitiet vormde de aanleiding om de Wazo te vereenvoudigen. Hierbij zijn de verschillende voorwaarden en eisen van de verlofsoorten zoveel mogelijk gelijkgemaakt. De uitkeringshoogte en verlofduur van de verschillende verlofsoorten blijven daarbij zoveel mogelijk gelijk aan hoe dit nu is. De vereenvoudiging wordt opgenomen in een nieuwe wet, de Verlofwet. Deze zal de Wazo vervangen.

De Verlofwet is onlangs in consultatie gegaan. Reageren kan tot 10 augustus 2026 op https://www.internetconsultatie.nl/verlofwet. Hier zijn ook de volledige wettekst en de Memorie van Toelichting terug te vinden.


Lees meer  
 

Internationaal

Priester betaalt twee keer belasting over hetzelfde inkomen

Een priester die in Duitsland woont ontvangt in 2020 en 2021 inkomen uit Nederland. Dit inkomen bestaat uit inkomsten uit dienstbetrekking van het Bisdom, een arbeidsongeschiktheidspensioen van Instelling Pensioenfonds van de Nederlandse Bisdommen en, vanaf 2021, een ouderdomspensioen en een AOW-uitkering. Beide pensioenen zijn belast in Nederland op grond van het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland. De priester is het hier niet mee eens. Hij stelt dat Nederland de belasting niet mag innen, omdat Duitsland de inkomsten anders kwalificeert en ook belasting heft zonder verrekening van de Nederlandse heffing. 

Onderling overleg

Het hof verwerpt het standpunt van de priester. Het verdrag beoogt weliswaar dubbele belastingheffing te voorkomen, maar verplicht Nederland niet om van zijn heffingsrecht af te zien als Duitsland de inkomsten anders kwalificeert. In zo'n geval biedt het verdrag de mogelijkheid van een onderlinge overlegprocedure. De priester dient zich daarvoor te wenden tot de bevoegde autoriteit in Duitsland. Het verdrag verplicht de inspecteur ook niet om het Duitse Finanzamt actief te informeren over de Nederlandse belastingheffing. De priester is zelf verantwoordelijk om de heffing in Duitsland ter discussie te stellen. De stelling dat de inspecteur rekening moet houden met de Duitse belasting door aftrek toe te staan, faalt eveneens. Noch het verdrag, noch de wet verplicht de inspecteur hiertoe.


Lees meer  
 

Overige heffingen

Tien minuten voor taxatierapport WOZ

Bij een bezwaarprocedure tegen de WOZ-waarde van een onroerende zaak kunnen proceskosten worden vergoed. Deze vergoeding is bedoeld als een tegemoetkoming in de daadwerkelijk gemaakte kosten, zoals die voor een taxatierapport. Een man, die in bezwaar ging tegen zijn WOZ-beschikking, krijgt een proceskostenvergoeding toegekend van € 10,69 voor het taxatierapport. De heffingsambtenaar baseert dit op een tijdsinvestering van tien minuten en een uurtarief van € 53,00, vermeerderd met 21% btw. Door het grotendeels geautomatiseerd genereren van de rapporten is de tijdsinvestering gering.

Twee uur

De man is het niet eens met de toegekende vergoeding. Hij stelt dat de taxateur twee uur aan het rapport heeft gewerkt. De rechtbank overweegt dat de argumenten van de man over de manier waarop het taxatierapport tot stand komt juist passen bij het standpunt van de heffingsambtenaar. De heffingsambtenaar heeft gemotiveerd uitgelegd dat de totstandkoming van het rapport grotendeels geautomatiseerd gebeurt op basis van openbare bronnen. Dit blijkt ook uit de tienduizenden taxatierapporten die jaarlijks door het WOZ-bureau worden ingediend. De heffingsambtenaar heeft voldoende toegelicht waarom een tijdsinvestering van tien minuten in dit geval redelijk is.

Half uur

De man stelt vervolgens dat de tijdsinvestering van tien minuten moet worden afgerond op een half uur. De man verwijst naar de regel dat voor de vaststelling van de uurvergoeding de tijdsinvestering moet worden afgerond op hele en halve uren. De regel is een algemene regeling die begin deze eeuw is getroffen in de context van strafzaken. Hij is niet bedoeld voor situaties zoals deze, waarbij taxatierapporten grotendeels geautomatiseerd tot stand komen. Een onverkorte toepassing van de afrondingsregel zou betekenen dat de vergoeding wordt verdrievoudigd, wat een zeer forse overcompensatie is. Dit zou niet passen bij het karakter van een tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten.


Lees meer  
 

Hoge Raad bekrachtigt rechtmatigheid verhuurderheffing

Een bv heeft voor de jaren 2019, 2020 en 2021 verhuurderheffing voldaan en maakt bezwaar tegen de rechtmatigheid ervan. De bv betoogt dat de inkomensafhankelijke huurverhoging (IAH) een essentiële voorwaarde is voor de verhuurderheffing. Het hof oordeelt echter dat er geen verband bestaat tussen de verhuurderheffing en de IAH. De primaire doelstelling van de verhuurderheffing is het genereren van inkomsten voor de Overheid. De Hoge Raad bekrachtigt dit oordeel en benadrukt dat de wetgever de hoogte van de verhuurderheffing niet heeft gekoppeld aan de verwachte opbrengst van de IAH.

Vergelijking met box 3

De bv trekt een parallel tussen de verhuurderheffing en de box 3-heffing, waarbij zij aanvoert dat de verhuurderheffing, als 'gemiddeldebelasting', strijdig is met het discriminatieverbod en het eigendomsgrondrecht. Het hof verwerpt deze vergelijking. De verhuurderheffing heeft, in tegenstelling tot de box 3-heffing, geen relatie met het inkomen van de verhuurder. De Hoge Raad onderschrijft dit standpunt.

Ongelijke behandeling mede-eigenaren in 2019

De bv stelt tevens dat de verhuurderheffing in 2019 discriminerend is, aangezien deze niet wordt geheven van verhuurders die sociale huurwoningen in mede-eigendom bezitten, terwijl dit wel het geval is voor verhuurders met sociale huurwoningen in volle eigendom. De Hoge Raad bevestigt dat er voor het jaar 2019 inderdaad sprake is van een ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen.

Deze ongelijke behandeling is het gevolg van een eerder arrest van de Hoge Raad uit 2018, waarin een tekortkoming in de regelgeving werd geconstateerd. De Belastingdienst heeft daarop besloten de verhuurderheffing voor mede-eigenaren in 2019 buiten toepassing te laten. De Hoge Raad oordeelt dat de wetgever voldoende voortvarendheid heeft getoond bij het herstel van dit gebrek. De reparatiewet is in oktober 2019 aangekondigd, in maart 2020 ingediend en in juli 2020 in werking getreden, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2020. Hierdoor is er geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel.


Lees meer  
 

Formeel recht

Automatiseringsfout en geen beoordelingsfout

Een dga krijgt een navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2021. Deze aanslag omvat een bedrag van € 221.895 als inkomen uit aanmerkelijk belang. De dga is het niet eens met deze navordering. Hij stelt dat er geen sprake is van een 'fout' in de zin van de wet, maar van een onzorgvuldigheid of ambtelijk verzuim van de inspecteur. De inspecteur wist immers al vóór het opleggen van de aanslag dat hij van plan was de winstuitdeling te belasten. Bovendien was het voor de dga niet redelijkerwijs kenbaar dat de aangekondigde correctie niet was verwerkt in de aanslag.

Vergeten winstuitdeling

In 2021 ontvangt de dga loon van zijn bv. De bv merkt een bedrag van € 221.895 aan als winstuitdeling aan de dga. De dga dient zijn aangifte 2021 echter niet (op tijd) in. In maart 2024 laat de inspecteur de dga weten dat hij voornemens is om de winstuitdeling in box 2 te belasten. Kort daarna legt de inspecteur de aanslag op, gebaseerd op het loon van de dga. Hij houdt hierbij echter geen rekening met de winstuitdeling. In juli 2024 dient de dga alsnog een aangifte in, eveneens zonder de winstuitdeling te vermelden. De gemachtigde van de dga erkent in augustus 2024 per e-mail dat de winstuitdeling 'vergeten' was. Hierop legt de inspecteur in september 2024 de navorderingsaanslag op.

Automatiseringsfout 

De rechtbank oordeelt dat de navorderingsaanslag terecht is opgelegd. Volgens de rechtbank is er sprake van een automatiseringsfout en niet van een beoordelingsfout van de inspecteur. De primitieve aanslag is in maart 2024 in het computersysteem ingevoerd, gebaseerd op een schatting van de looninkomsten van de dga. Dit proces kon niet meer worden stopgezet of teruggedraaid, waarna de aanslag in april 2024 is verzonden. De rechtbank acht het aannemelijk dat de verwerkingstijd voor het opleggen van aanslagen langer is dan de tijd voor het versturen van een voornemen tot boete, wat duidt op een automatiseringsfout.

Kenbaarheidsvereiste 

Daarnaast is voldaan aan het kenbaarheidsvereiste. De navorderingsaanslag van € 59.689 is meer dan 30% hoger dan de primitieve aanslag (van nihil), wat volgens de wet voldoende is voor kenbaarheid. Bovendien had de inspecteur het voornemen tot belasting van de winstuitdeling al aangekondigd en heeft de gemachtigde van de dga erkend dat de winstuitdeling was vergeten in de aangifte.


Lees meer  

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.