Ondernemingswinst
Geen onderneming? Dan ook geen faciliteiten
Een yogalerares schrijft zich in februari 2020 in bij de KVK. In haar aangifte vermeldt zij een verlies uit onderneming. Dit bedrag is opgebouwd uit een omzet van € 203, verminderd met zelfstandigenaftrek en startersaftrek en verhoogd met de MKB-winstvrijstelling. Zij vermeldt geen kosten of bedrijfsmiddelen op de balans.
Correctie door de inspecteur
De inspecteur merkt de omzet van € 203 aan als resultaat uit overige werkzaamheden en past de ondernemersfaciliteiten niet toe. De vrouw maakt bezwaar, maar dit wordt ongegrond verklaard. Ook de rechtbank verklaart haar beroep ongegrond.
Winst uit onderneming
Een onderneming vereist een duurzame organisatie van arbeid en kapitaal die deelneemt aan het maatschappelijk verkeer met het oogmerk om voordeel te behalen. Cruciaal is dat dit voordeel ook redelijkerwijs te verwachten moet zijn. Bij de beoordeling hiervan wordt onder meer gekeken naar de duurzaamheid en omvang van de werkzaamheden, de beschikbare tijd, ondernemersrisico, de omvang van inkomsten en investeringen, het aantal opdrachtgevers en de bekendheid naar buiten.
Geen objectieve winstverwachting
De lerares maakt niet aannemelijk dat zij een onderneming drijft. De omzet (van € 203) is marginaal en er zijn geen kosten of investeringen vermeld. Haar urenoverzichten bestaan uit ronde getallen en veel activiteiten zijn als vrijwilligerswerk omschreven. Er is geen kenbaar bedrijfsplan of realistisch doel. Ook uit de aangiften van latere jaren blijkt geen redelijke winstverwachting. Daarom komt de vrouw niet in aanmerking voor de ondernemersfaciliteiten, zoals de zelfstandigenaftrek.
Urencriterium
De vrouw stelt dat de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel schendt, onder meer door haar niet te wijzen op het versoepelde urencriterium en door de uitspraak op bezwaar te snel te doen. De inspecteur heeft echter niet onzorgvuldig gehandeld. Het urencriterium is niet relevant als er geen sprake is van een onderneming. Bovendien heeft de vrouw voldoende tijd gehad om aanvullende informatie te verstrekken, maar heeft zij dit niet gedaan.
Inkomstenbelasting
Fonds van echtelieden niet open
Een man en een vrouw zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. Eind 2021 openen zij ieder een spaarrekening bij de Rabobank en storten daarop elk € 99.800 vanaf de gezamenlijke rekening. Tevens richten zij een fonds op met als doel gezamenlijk te beleggen. De overeenkomst voorziet in 2.500 genummerde participaties, waarvan de man en vrouw elk 998 stuks krijgen. Er is echter geen participantenregister opgesteld en er zijn geen waardepapieren uitgegeven. De inspecteur legt voor het jaar 2022 een voorlopige aanslag op, waarbij het ingebrachte vermogen in box 3 wordt belast. De man maakt bezwaar.
Open fonds voor gemene rekening?
De man stelt dat hij en zijn vrouw een open fonds voor gemene rekening hebben opgericht, waardoor het vermogen niet in box 3 belast zou moeten worden. De inspecteur is het hier niet mee eens. Volgens de inspecteur ontbreekt een participantenregister, zijn de participaties niet volgestort en is er geen sprake van een afgescheiden vermogen, mede omdat de spaarrekeningen op naam van de man en vrouw blijven staan en de algemene voorwaarden van de bank overdracht uitsluiten. Ook betwist de inspecteur dat de participaties vrij verhandelbaar zijn.
Verhandelbaarheid
Het hof stelt vast dat voor een open fonds voor gemene rekening de bewijzen van deelgerechtigdheid vrij verhandelbaar moeten zijn. Dit betekent dat voor vervreemding niet de toestemming van alle deelgerechtigden is vereist. De deelgerechtigdheid moet blijken uit een waardepapier of een participantenregister. In deze zaak zijn geen waardepapieren uitgegeven en is er geen participantenregister opgesteld. De man heeft ter zitting toegelicht dat bij toetreding van een nieuwe participant de overeenkomst moet worden gewijzigd, waarvoor een meerderheid van stemmen nodig is. Aangezien de man en vrouw de enige participanten zijn, is hiervoor de toestemming van alle participanten vereist. Bovendien is het, gezien de persoonlijke band en de aard van de bezittingen (spaartegoeden), onaannemelijk dat een derde zou willen toetreden.
Box 3
Het hof oordeelt dat de participaties niet vrij verhandelbaar zijn. Hierdoor is geen sprake van een fonds voor gemene rekening volgens de wet. Het ingebrachte vermogen behoort daarom tot de grondslag sparen en beleggen in box 3.
Inspecteur had eerder moeten twijfelen
Een man start in 2011 met de handel in auto's. Hij schrijft zich in bij de KVK en begint vol goede moed. De handel loopt echter niet goed naast zijn drukke baan in loondienst. Al vanaf het eerste jaar lijdt hij verlies. De omzet daalt van bijna € 98.000 in 2011 naar nihil in 2014. In 2016 en 2017 is er opnieuw geen omzet, maar wel kosten. Wanneer zijn vrouw ernstig ziek wordt, stopt de man definitief. Hij erkent achteraf dat de activiteiten voortkwamen uit een hobby en nooit echt goed van de grond zijn gekomen.
Geen onderzoek
De man dient eind 2017 zijn aangifte 2016 in, met een ondernemingsverlies van ruim € 4.500. De inspecteur legt de aanslag op conform de aangifte. Hij vergelijkt de aangifte niet met de aangiften van voorgaande jaren en doet geen nader onderzoek. Vier maanden later draait de Belastingdienst een landelijke query vanuit het project 'bronbeoordeling en starters'. De man komt in die query terecht. Nu pas besluit de inspecteur te onderzoeken of wel sprake is van een bron van inkomen.
Voordeelverwachting
Voor een bron van inkomen gelden drie vereisten: deelname aan het economisch verkeer, het oogmerk om voordeel te behalen en de objectieve verwachting dat voordeel redelijkerwijs kan worden behaald. Aan de eerste twee vereisten is voldaan. Maar het hof oordeelt dat een objectieve voordeelverwachting ontbreekt. Vanaf de start in 2011 zijn uitsluitend negatieve resultaten behaald bij een omzet die daalde tot nihil. De activiteiten vormen daarom geen bron van inkomen. De verliezen zijn niet aftrekbaar van het inkomen uit werk en woning.
Inspecteur had moeten twijfelen
Een inspecteur moet bij het opleggen van een aanslag de aangifte vergelijken met de gegevens in het dossier, waaronder de aangiften van voorgaande jaren. In die aangiften stond jaar na jaar verlies. De inspecteur had in redelijkheid moeten twijfelen aan de juistheid van het aangegeven ondernemingsverlies. Hij had vóór het opleggen van de aanslag 2016 nader onderzoek moeten doen. Door het nadere onderzoek na te laten begaat hij een ambtelijk verzuim. Dat sluit navordering uit.
Query bevestigt het verzuim
Het hof ziet een bevestiging in het feit dat de inspecteur naar aanleiding van de query wél tot onderzoek overging. Die query bevatte dezelfde informatie over de jarenlange verliezen als de aangiften. Zonder afdoende verklaring valt niet in te zien waarom de query wel aanleiding gaf tot onderzoek en de aangiften niet. De navorderingsaanslag 2016 wordt vernietigd. De aanslag 2017 blijft in stand, want die was nog niet definitief opgelegd toen de inspecteur het onderzoek startte.
Omzetbelasting
Geen aftrek zonder levering
Een bv handelt in restpartijen en vraagt btw terug voor inkopen en doorverkopen aan een Franse afnemer. De inspecteur weigert de teruggaaf. De leverancier blijkt een zogenoemde missing trader die nooit aangifte heeft gedaan. De gefactureerde btw is nooit afgedragen. Het btw-nummer van de leverancier is eind 2020 ingetrokken.
Aandeelhouder ontkent betrokkenheid
De inspecteur start een derdenonderzoek bij de leverancier. De aandeelhouder blijkt in Frankrijk te wonen. Hij verklaart dat zijn bv geen activiteiten had en dat hij als aannemer in de bouw wilde gaan werken. Hij ontkent goederen aan de bv te hebben geleverd. De bv stelt dat zij via Facebook en WhatsApp heeft onderhandeld over de prijs, maar die berichten zijn niet bewaard. Alle betalingen zijn contant gedaan zonder kwitanties. Er is niets gestort op een bankrekening.
Opslag roept meer vragen op
De bv toont facturen van een opslagbedrijf als bewijs dat de goederen daadwerkelijk hebben bestaan. Uit het derdenonderzoek blijkt echter dat de loods in de relevante periode niet door de bv of de leverancier is gehuurd. Bovendien vermelden de opslagfacturen 33 pallets, terwijl het er volgens de inkoopfacturen 10 zouden zijn. De rechtbank oordeelt dat de opslagfacturen niet bewijzen dat het gaat om de goederen die op de facturen van de leverancier staan.
Bewijsvermoeden ontzenuwd
De rechtbank stelt voorop dat een factuur normaal gesproken een bewijsvermoeden oplevert. Wie een factuur ontvangt waarop hij als afnemer staat vermeld, wordt geacht de prestatie te hebben ontvangen. Maar de inspecteur kan dit vermoeden ontzenuwen en dat is hier gebeurd. De leverancier heeft de transacties ontkend en de betalingen zijn niet te verifiëren. Met wie de bv contact heeft gehad bij de leverancier is onduidelijk. De facturen hebben daardoor niet de bewijskracht die zij normaal hebben.
Ook nultarief niet van toepassing
Zelfs als de leveringen wel zouden hebben plaatsgevonden, zou de bv geen recht hebben op teruggaaf. Voor de verkoop aan het Franse bedrijf heeft zij het nultarief toegepast.De Franse afnemer haalt de goederen zelf af in Nederland. Omdat de afhaalverklaringen niet voldoen aan de vereisten, vond de levering al in Nederland plaats. Het nultarief is dan niet van toepassing. De Franse afnemer blijkt overigens nooit btw-aangifte te hebben gedaan en is strafrechtelijk vervolgd.
Sociale verzekeringen
Cao zegt niets over sectorindeling
Op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) is een werkgever van rechtswege aangesloten bij de sector waartoe zijn werkzaamheden behoren. De Regeling Wfsv bevat een bijlage waarin per sector de bijbehorende bedrijfstakken zijn opgesomd. Als een activiteit hier niet bijstaat, dan worden de werkzaamheden ingedeeld bij de sector waarin de werkzaamheden worden verricht die naar de aard het meest overeenkomen. Dit heet assimilatie. Niet de naam van het bedrijf of de cao is bepalend, maar de feitelijke activiteiten.
Ruwbouw of afbouw?
Een werkgever die spanplafonds plaatst, valt onder de cao afbouw. De Belastingdienst deelt hem toch in bij sector 17: detailhandel en ambachten. De werkgever protesteert. Hij is van mening dat hij hoort bij sector 3: bouwbedrijf. Het hof analyseert de bedrijven in sector 3. Die hebben gemeen dat zij zich richten op de ruwbouw, het constructieve deel van een bouwwerk. Denk aan burgerlijke en utiliteitsbouw, wegenbouw, heiersbedrijven en dakdekkers. Bedrijven die zich richten op afbouw zijn juist ingedeeld bij andere sectoren. Het woningstoffeerdersbedrijf en behangersbedrijf vallen onder sector 17, het schildersbedrijf onder sector 56 en het stukadoorsbedrijf onder sector 57. Dit onderscheid tussen ruwbouw en afbouw blijkt een belangrijk criterium.
Stofferen van plafonds
De werkgever plaatst spanplafonds: plafonds van gespannen kunststofdoek onder bestaande plafonds. Dat is geen ruwbouw. Het hof ziet juist overeenkomst met het woningstoffeerdersbedrijf. De werkgever bekleedt immers ruimten, in het bijzonder plafonds, met een stof, in dit geval kunststof. De indeling bij sector 17 is daarom terecht.
Cao niet van belang
De werkgever voert aan dat hij onder de cao afbouw valt. Het hof passeert dit argument. Bij de sectorindeling is niet van belang onder welke cao de werkgever valt. Het gaat uitsluitend om de aard van de werkzaamheden. Dit is een belangrijk punt voor werkgevers die denken dat hun cao-indeling automatisch ook hun sectorindeling bepaalt. Dat is niet zo.
En systeemplafonds dan?
De werkgever beroept zich ook nog op het gelijkheidsbeginsel. De Belastingdienst hanteert beleid waarin systeemplafonds wél bij de bouw worden ingedeeld. Waarom spanplafonds dan niet? Het hof oordeelt dat spanplafonds en systeemplafonds verschillende systemen zijn met verschillende werkzaamheden. Van gelijke gevallen is geen sprake. Een beroep op beleid voor vergelijkbare bedrijven slaagt alleen als de werkzaamheden ook echt vergelijkbaar zijn.
Successiewet
Schenking aan vriendin vader niet vrijgesteld
Een man overlijdt in 2019. Op dat moment had hij anderhalf jaar een relatie met zijn vriendin, maar zij woonden niet samen. De man had de wens om de vriendin en haar kinderen financieel te verzorgen. Hij heeft dit echter niet in zijn testament vastgelegd. Zijn twee zonen zijn de enige erfgenamen. De zonen en de vriendin sluiten een vaststellingsovereenkomst. Hierin staat dat de zonen, ondanks het ontbreken van een juridische verplichting, een dringende morele verplichting ervaren om de wensen van hun vader te volgen. Zij schenken de vriendin € 500.000. De vriendin doet twee aangiften schenkbelasting van elk € 250.000 en beroept zich op de vrijstelling voor een natuurlijke verbintenis. De inspecteur past de vrijstelling niet toe en legt aanslagen op.
Natuurlijke verbintenis
Een schenking die voldoet aan een natuurlijke verbintenis is vrijgesteld van schenkbelasting. Een natuurlijke verbintenis is een dringende morele verplichting die, hoewel niet afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als een verschuldigde prestatie wordt gezien. De beoordeling hiervan gebeurt objectief, rekening houdend met de wederzijdse welstand en behoefte van partijen. De bewijslast ligt bij de vriendin om het bestaan van zo'n verbintenis aannemelijk te maken.
Geen verplichting van de vader
De vriendin stelt primair dat de overleden vader een dringende morele verplichting had om in haar levensonderhoud te voorzien. Het hof vindt het echter niet aannemelijk dat de schenkingen zijn gedaan ter nakoming van een dergelijke verplichting van de vader. De vader heeft zelf geen invulling gegeven aan zijn wens, noch zijn erfgenamen daartoe aangezet. Een handgeschreven, niet-ondertekend briefje van de vader wordt niet als uiterste wil beschouwd en heeft geen betekenis voor de nalatenschap. Het ontstaan van een dringende morele verplichting van de vader is niet aannemelijk gemaakt.
Geen verplichting van de zonen
Subsidiair stelt de vriendin dat er een zelfstandige dringende morele verplichting op de zonen rust. Het hof vindt het niet aannemelijk dat de zonen zich gedrongen voelden een natuurlijke verbintenis na te komen. De beoordeling moet objectief zijn en niet alleen gebaseerd op het subjectieve inzicht van de zonen. De zonen moeten de dringende morele verplichting 'zelf' jegens de vriendin ervaren, niet enkel uit piëteit voor hun vader. Dit is niet aannemelijk gemaakt. De vriendin heeft zelf verklaard dat zij gezien haar leeftijd niet als stiefmoeder kon worden gezien, en er blijkt niet van een bijzondere relatie tussen de vriendin en de zonen.
Niet vrijgesteld
Het hof oordeelt dat het hoger beroep ongegrond is. De schenkingen van elk € 250.000 zijn niet vrijgesteld van schenkbelasting. De aanslagen schenkbelasting blijven gehandhaafd.
Overige heffingen
Beroep niet-ontvankelijk door niet insturen van het bestreden besluit
Iemand die beroep instelt, moet bij zijn beroepschrift zo mogelijk een kopie van het bestreden besluit bijvoegen. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
Een man dient een beroepschrift in bij de rechtbank. Een dag later verzoekt de rechtbank om binnen vier weken mede te delen met welk besluit de man het niet eens is. De griffier heeft vervolgens een maand later in het digitale dossier van de man een bericht geplaatst. De man wordt hierbij nogmaals in de gelegenheid gesteld om het besluit binnen twee weken te overleggen. Van de plaatsing van dit bericht is een notificatie verzonden naar het door de man voor dit doel opgegeven e-mailadres.
De man heeft binnen de termijn geen besluit overgelegd en geeft ook geen reden voor dit verzuim. Het ontbreken van het bestreden besluit maakt het voor de rechtbank onmogelijk om vast te stellen waar het beroep op ziet. Omdat er geen afdoende verklaring of rechtvaardiging voor het verzuim is gegeven, heeft de rechtbank geoordeeld dat het beroep niet inhoudelijk beoordeeld kan worden. Dit betekent dat het oorspronkelijke besluit in stand blijft.
Dividendbelasting
Boete dividendbelasting vernietigd door vrijwillige verbetering
Een topholding van een groep vennootschappen keert op 2 september een dividend uit van € 1.149.000 aan haar aandeelhouders. Hierbij houdt zij € 172.350 aan dividendbelasting in. Volgens de wet moet de ingehouden belasting uiterlijk binnen één maand na de terbeschikkingstelling worden betaald, dus uiterlijk op 2 oktober. De bv betaalt de belasting echter pas op 29 oktober, 27 dagen te laat. De aangifte dividendbelasting wordt op 30 oktober door de inspecteur ontvangen.
Geschil over de boete
De inspecteur legt een verzuimboete op van € 5.170 wegens het niet tijdig betalen van de dividendbelasting. De bv stelt dat het gaat om een verzuim met een 'bagatelkarakter' dat zij bovendien uit eigen beweging heeft gecorrigeerd, zonder bemoeienis van de inspecteur. Ook is het een eerste verzuim en heeft de Belastingdienst geen noemenswaardige schade geleden. De bv vindt de boete te hoog en in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De inspecteur stelt daartegenover dat de boete terecht is opgelegd en dat vergissing geen matigingsgrond is.
Vrijwillige verbetering doorslaggevend
De opgelegde boete komt overeen met het beleid voor betalingsverzuimen. Echter, de gedraging van de bv valt ook onder een andere beleidsregel, die ziet op situaties waarin te weinig belasting is aangegeven of niet is betaald, omdat ten onrechte niet om een uitnodiging tot aangifte is verzocht. Deze beleidsregel kent een uitzondering voor vrijwillige verbetering. Hiervan is sprake als de bv uitdrukkelijk kenbaar maakt dat en tot welk bedrag niet of gedeeltelijk niet is betaald, voordat zij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur hiervan op de hoogte is of zal worden. De bv heeft op 30 oktober alsnog aangifte gedaan en de belasting afgedragen. Het staat vast dat de bv toen niet wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de inspecteur al bekend was met het feit. Daarom is sprake van een vrijwillige verbetering.
Boete vernietigd
Omdat de boete nog niet onherroepelijk vaststond en er sprake is van een vrijwillige verbetering, kan de boete niet worden opgelegd. De beroepsgrond van de holding dat geen boete kan worden opgelegd, omdat zij spontaan, zonder bemoeienis van de inspecteur, heeft betaald, slaagt daarom. Het hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank en de boetebeschikking van de inspecteur.
Autobelastingen
Tijdelijke korting vrachtwagenheffing per 1 september 2026
Per 1 september 2026 wordt het tarief van de vrachtwagenheffing met 22,3% verlaagd. De vrachtwagenheffing treedt op 1 juli 2026 in werking en geldt voor alle vrachtwagens, zowel uit binnen- als buitenland. Eigenaren van vrachtwagens gaan een bedrag per gereden kilometer betalen. Door de tijdelijke korting daalt het gemiddelde tarief van € 0,191 naar € 0,148 per kilometer. De verlaging geldt voor alle categorieën vrachtwagens en loopt tot eind 2026.
Minder mrb voor bestelauto met ondernemerstarief en vrachtauto
De brandstofprijzen zijn gestegen door de oorlog in het Midden-Oosten. Het kabinet heeft besloten de motorrijtuigenbelasting (mrb) vanaf 1 juli 2026 tijdelijk te verlagen. Deze maatregel geldt uitsluitend voor bestelauto’s met het ondernemerstarief en voor vrachtauto’s.
Bestelauto’s met het ondernemerstarief
Bij toepassing van het ondernemerstarief voor bestelauto’s wordt in de periode van 1 juli 2026 tot 1 januari 2027 de helft van de mrb in rekening gebracht. Het aangepaste tarief is vanaf 1 juli 2026 opgenomen in het hulpmiddel Motorrijtuigenbelasting berekenen.
Vrachtauto’s
Voor vrachtauto’s met een toegestane maximale massa van 12.000 kilo of meer geldt van 1 juli 2026 tot 1 januari 2027 een nihiltarief (€ 0). Voor vrachtauto’s met een toegestane maximale massa onder de 12.000 kilo geldt vanaf 1 juli 2026 sowieso het nihiltarief.
Ingangsdatum van de tijdelijke verlaging
De mrb wordt steeds berekend over een tijdvak van 3 maanden. De tijdelijke verlaging gaat in vanaf het eerste tijdvak dat op of na 1 juli 2026 begint.
Voorbeeld
Bij een tijdvak van 25 juni 2026 tot en met 24 september 2026 geldt nog het normale mrb-tarief. Vanaf 25 september 2026 is tijdelijk het lagere tarief of het nihiltarief van toepassing, omdat dan het eerste tijdvak na 1 juli 2026 ingaat. Ook in het daaropvolgende tijdvak (van 25 december 2026 tot en met 24 maart 2027) geldt het lagere tarief of het nihiltarief.
Reactie plaatsen
Reacties