Nieuwsbrief 4 mei 2026

Ondernemingswinst

Aftrek maximaal 19 cent per kilometer

Een krantenbezorger rijdt jaarlijks ruim 20.000 kilometer met zijn eigen auto, zonder daarvoor een vergoeding te ontvangen. In zijn aangifte brengt hij 40 cent per kilometer in aftrek. De inspecteur staat slechts 19 cent toe. De bezorger distribueert kranten naar depots en bezorgt kranten aan huis. In 2018 rijdt hij hiervoor 20.916 kilometer met zijn privéauto. Hij ontvangt geen kilometervergoeding. In zijn aangifte brengt hij € 8.367 aan autokosten in aftrek, gebaseerd op 40 cent per kilometer volgens de ANWB-tool. Dat bedrag is volgens hem eigenlijk nog te laag, omdat krantenbezorging door het vele starten en stoppen tot extra slijtage leidt.

Wet maximeert aftrek

De bezorger beroept zich op het Convenant Uitgeefsector, waarin staat dat de werkelijk gemaakte kosten in aanmerking moeten worden genomen. Het hof gaat hier niet in mee. Die bepaling geldt voor opdrachtgevers, niet voor opdrachtnemers. Voor de inkomstenbelasting maximeert de wet de aftrek, voor een tot het privévermogen behorend vervoermiddel, op 19 cent per kilometer. Het doet er niet toe dat de werkelijke kosten hoger zijn. De aftrek blijft beperkt tot € 3.974.

Expliciet voorbehoud voorkomt vertrouwen

De bezorger beroept zich ook op het vertrouwensbeginsel. De inspecteur heeft in een eerdere procedure over 2017 zijn aangifte gevolgd. Het hof gaat hier evenmin in mee. De inspecteur heeft destijds expliciet verklaard: ‘Voor dit jaar wil ik de kosten accepteren. Omdat het doorspeelt naar volgende jaren, kunnen er geen rechten aan deze toezegging worden ontleend’. Aan die uitlating kan de bezorger geen vertrouwen ontlenen voor latere jaren.

Twee lessen

Deze uitspraak illustreert twee punten. Ten eerste past de rechter de wettelijke maximering van de kilometervergoeding strikt toe, ongeacht de werkelijke kosten. Ten tweede voorkomt een expliciet voorbehoud bij een toezegging dat de belastingplichtige daaraan vertrouwen kan ontlenen voor latere jaren.

Lees meer  
  

Inkomstenbelasting

Vooruitbetaalde zorgpremie geen aftrekbare schuld in box 3

Een vrouw moet haar huurtoeslag over 2021 terugbetalen, omdat haar box 3-vermogen te hoog is. Om haar vermogen te verlagen, probeert zij vooruitbetaalde zorgpremies als schuld op te voeren.

Aangifte en huurtoeslag

Voor het jaar 2021 doet de vrouw aangifte met een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil, gebaseerd op bezittingen van € 36.342 en geen aftrekbare schulden. De definitieve aanslag wordt conform deze aangifte opgelegd. Later ontvangt zij de definitieve berekening van haar huurtoeslag over 2021, die op € 0 wordt vastgesteld, omdat haar vermogen te hoog is. Voor alleenstaanden geldt in 2021 een vermogensgrens van € 31.340 voor de huurtoeslag. 

Verzoek om schuldenaftrek

De vrouw dient een bezwaar in. Zij wil een DUO-schuld van € 4.671 en een creditcardschuld van € 1.952 in aanmerking nemen. Later voegt zij hieraan een schuld van € 1.805 toe voor de vooruitbetaalde zorgverzekeringspremies voor 2021. De vrouw heeft in 2020 toegezegd de premie voor 2021 ineens te betalen. De inspecteur verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk, behandelt het als verzoek om ambtshalve vermindering en neemt de DUO- en creditcardschuld mee (na toepassing van de schuldendrempel), maar de zorgpremies niet. De rendementsgrondslag wordt vastgesteld op € 32.909. Nog steeds boven de vermogensgrens voor de huurtoeslag.

Geen schuld

De rechtbank oordeelt dat voor een box 3-schuld is vereist dat deze op de peildatum (1 januari 2021) bestaat en een waarde in het economische verkeer heeft. Op 1 januari 2021 bestaat er, ondanks de toezegging, nog geen verplichting tot betaling van de zorgpremies. Bovendien vormt de zorgverzekering een samenhangend geheel van rechten en verplichtingen (premie versus dekking). Zolang het recht op dekking en de verplichting tot betaling beide bestaan, vertegenwoordigt dit per saldo geen waarde in het economische verkeer. De vooruitbetaalde zorgpremie is daarom geen aftrekbare schuld in box 3. De rechtbank ziet geen aanleiding om de wettelijke box 3-regels, inclusief de schuldendrempel, buiten beschouwing te laten vanwege de invloed op toeslagen.


Lees meer  
 

Appartementen in herenhuis behoren niet tot de eigen woning

Een echtpaar bezit een herenhuis met drie wooneenheden: een benedenhuis, de beletage en een bovenhuis. Elk deel heeft een eigen adres, WOZ-nummer en -waarde. Het echtpaar woont in het bovenhuis. De beletage is verhuurd aan hun dochter voor € 900 per maand. Het benedenhuis is in het verleden verhuurd, maar wordt nu door de familie gebruikt als werk- en logeerruimte. Het eigendomsrecht van het herenhuis is niet gesplitst in appartementsrechten. Het echtpaar is van mening dat het herenhuis in zijn geheel thuishoort in box 1.

Zelfstandige wooneenheden in box 3

Het hof oordeelt dat het benedenhuis en de beletage geen onderdeel zijn van de eigen woning. Elk deel heeft een eigen ingang, nutsvoorzieningen en sanitair. Deze kenmerken maken de delen tot zelfstandige woningen, ook al is het eigendom niet gesplitst. Het benedenhuis en de beletage behoren daarom tot box 3.

Werkelijk rendement omvat waardestijging

Het echtpaar betoogt dat de box 3-heffing hoger is dan hun werkelijk rendement. Het hof past de recente Hoge Raad-jurisprudentie toe. Het werkelijk rendement omvat ook ongerealiseerde waardeveranderingen. Voor onroerende zaken is dit het verschil tussen de WOZ-waarde van het volgende kalenderjaar en die van het belastingjaar. Het werkelijk rendement is daardoor aanzienlijk hoger dan het forfaitaire.


Lees meer  
 

Slechts eenmaal heffingvrij vermogen voor Fransman

Een Fransman met een woning in Nederland kan geen aanspraak maken op tweemaal het heffingvrije vermogen in box 3 van de inkomstenbelasting. Dit komt omdat de Franse partner van de belanghebbende geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is en geen mede-eigendom heeft in Nederland. Het heffingvrije vermogen is een brongebonden vrijstelling, niet afhankelijk van de persoonlijke of gezinssituatie. Dit betekent dat alleen de Fransman zelf gebruik kan maken van de vrijstelling.

Het hof wijst in deze zaak ook het beroep van de Fransman op vermeende discriminatie af. Het EU-recht vereist gelijke behandeling van ingezetenen en niet-ingezetenen, maar alleen in situaties waarin sprake is van vergelijkbare gevallen. Omdat in dit geval de partner geen belastingplichtige is in Nederland en haar situatie niet vergelijkbaar is met die van ingezetenen, is er geen sprake van verboden discriminatie. Ook het belastingverdrag tussen Nederland en Frankrijk biedt geen grondslag om tweemaal het heffingvrije vermogen toe te passen.

Het hof oordeelt dan ook dat de belastingheffing rechtmatig is en verklaart het hoger beroep ongegrond. Het verzoek van de belanghebbende om prejudiciële vragen voor te leggen aan de Hoge Raad wordt eveneens afgewezen, omdat hier geen sprake is van een rechtsvraag die relevant is voor meerdere soortgelijke gevallen.


Lees meer  
 

Renteaftrek restschuld sneuvelt door timing

Een verificatievergadering is een bijeenkomst in een faillissement waar schuldeisers hun vorderingen indienen en laten controleren. Hier wordt de definitieve omvang van schulden vastgesteld. In een recente zaak speelt dit een belangrijke rol, omdat een man meent dat zijn restschuld pas definitief is komen vast te staan tijdens zulke vergaderingen in 2012 en 2015.

De man was eigenaar van een woning die in 2009 via een executieveiling is verkocht. In zijn aangifte inkomstenbelasting 2019 trekt hij bijna € 40.000 af als rente van de restschuld van de vroegere eigen woning. Hij stelt dat het ontstaan van de restschuld door de verificatievergaderingen binnen de periode van 29 oktober 2012 tot en met 31 december 2017 valt, waarin de rente op een restschuld aftrekbaar is. 

Het hof oordeelt echter dat de wet niet kijkt naar het moment waarop de restschuld is ontstaan of definitief is vastgesteld, maar naar het moment waarop de eigen woning is verkocht. Omdat de woning van de man al in 2009 via een executieveiling is verkocht, valt dit moment buiten de wettelijk vastgestelde periode. Daarom is de rente op zijn restschuld niet aftrekbaar.


Lees meer  
 

Vennootschapsbelasting

Kosten eHerkenning geen excuus

Een bv heeft over de jaren 2019 tot en met 2021 geen aangiften vpb gedaan. De bv stelt dat dit komt doordat aangifte alleen mogelijk is met eHerkenning. De hiervoor verschuldigde kosten kan zij niet betalen. De inspecteur legt hierop ambtshalve nihilaanslagen vpb op voor deze jaren en een verzuimboete van € 2.757 voor het jaar 2021.

Kosten eHerkenning niet onevenredig

Kosten van eHerkenning zijn niet van een zodanige omvang dat zij onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die de staatssecretaris van Financiën met de invoering van eHerkenning nastreeft. Zolang de bv bestaat moet zij jaarlijks, met gebruik van eHerkenning, aangifte vpb doen. De bv heeft bovendien niets aangevoerd over geleden verliezen in de betreffende jaren. De beroepen tegen de nihilaanslagen zijn daarom ongegrond.

Verzuimboete verminderd

De bv erkent dat zij de aangiften vpb over de jaren 2019 tot en met 2021 niet (tijdig) heeft gedaan. Het opleggen van een verzuimboete voor het jaar 2021 is dan ook terecht gebeurd. De rechtbank vermindert de verzuimboete wel in verband met de financiële omstandigheden van de bv. De boete wordt daarom eerst verminderd tot € 500.

Overschrijding redelijke termijn

De boete wordt verder verminderd in verband met 'undue delay', oftewel de overschrijding van de redelijke termijn. Sinds de aankondiging van de boete zijn ruim 42 maanden verstreken. De redelijke termijn van twee jaar is daarmee met 18 maanden overschreden. De boete wordt gematigd met 15% tot € 425.


Lees meer  
 

Arbeidsrecht

Werknemer die zijn werk niet snapt terecht ontslagen

Een verbetertraject is niet alleen een verplichting, maar ook een kans voor een werknemer om zich te ontwikkelen. Blijft verbetering uit, dan biedt een goed gedocumenteerd traject een stevige basis om onderbouwde vervolgstappen te zetten, indien nodig zelfs via de rechter. Zo oordeelt de kantonrechter in een recente zaak dat een werknemer op meerdere essentiële vlakken voor zijn functie structureel tekort schiet. De werkgever mag de arbeidsovereenkomst ontbinden vanwege bewezen disfunctioneren. 

Functioneren

De werknemer functioneert op meerdere vlakken niet zoals verwacht. Hij mist cruciale technische kennis van de gebruikte systemen en frameworks. Ondanks begeleiding, cursussen en een verbeterplan heeft de werknemer onvoldoende progressie geboekt om zelfstandig en efficiënt te kunnen werken. Hij maakt herhaaldelijk fouten in de uitvoering van zijn werk en begrijpt de achterliggende logica van bepaalde systemen en opdrachten onvoldoende, wat leidt tot inefficiënties en een verhoogde werkdruk bij collega’s.

Een bijkomend probleem is het gebrek aan probleemoplossend vermogen en productiviteit. Bij het debuggen maakt de werknemer ondoordachte keuzes of zoekt hij naar oplossingen op de verkeerde plekken, wat resulteert in onnodig tijdverlies. Ook kan hij deadlines vaak niet halen, voltooit hij minder werk dan zijn collega’s en vraagt hij te weinig of te laat om hulp bij onduidelijkheden, ondanks expliciete afspraken hierover in het verbeterplan.

Ten slotte worden ook communicatie en verantwoordelijkheidsgevoel als knelpunt beschouwd. De werknemer neemt onvoldoende verantwoordelijkheid voor beslissingen en werkt niet constructief samen door bijvoorbeeld keuzes onvoldoende toe te lichten of kritiek defensief te benaderen. Dit gedrag werkt een goede samenwerking binnen het team tegen en is niet passend voor de functievereisten. Hoewel hij op enkele punten licht verbetert, blijft hij niet zelfstandig of betrouwbaar inzetbaar, wat wel essentieel is voor zijn functie.

Ontbinding

De kantonrechter concludeert dat de werkgever alles heeft gedaan wat nodig is om de werknemer te helpen te verbeteren. Er ligt een duidelijk verbeterplan, er is begeleiding geboden en de werkgever stelt scholing beschikbaar. De evaluaties van het traject tonen echter aan dat de werknemer structureel te weinig vooruitgang boekt. Ook onderzoekt de werkgever of herplaatsing in een andere functie mogelijk is, maar er blijken geen geschikte alternatieven.

Omdat de werkgever voldoet aan de wettelijke verplichtingen rondom disfunctioneren en de werknemer onvoldoende verbetert, mag de arbeidsovereenkomst worden ontbonden. De werknemer krijgt wel een transitievergoeding, omdat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan zijn kant. Een billijke vergoeding wordt niet toegekend, omdat de werkgever zorgvuldig en volgens de regels handelt.


Lees meer  
 

Sociale verzekeringen

Bezwaar tegen Aof-premie?

De premie voor het arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof) komt voor rekening van de werkgevers. Vanuit het fonds betaalt het UWV uitkeringen aan arbeidsongeschikte werknemers. Evenals de AOW is het Aof een zogenaamd omslagstelsel. Dat wil zeggen dat er niet wordt gespaard in het fonds, maar dat de hoogte van de premie is afgestemd op de verwachte uitgaven in een jaar. In de praktijk blijkt dat al jaren een overschot wordt behaald, omdat de premie-inkomsten hoger zijn dan de uitgaven van het fonds.

Vanwege dat overschot lopen er procedures over de hoogte van de Aof-premie. Werkgevers kunnen zich aansluiten bij een collectieve actie, maar ook individueel bezwaar maken tegen de hoogte van de premie.

Het is onduidelijk hoe groot de kans op succes in een gerechtelijke procedure is. De vraag is of de premies hoger vastgesteld mogen worden dan de (verwachte) uitgaven van het arbeidsongeschiktheidsfonds. Uit de tekst van de wet blijkt dat niet. Daar staat dat de minister de premie jaarlijks vaststelt.

Wel duidelijk is dat de overheid het Aof c.q. de Aof-premie ook gebruikt voor de financiering van andere zaken dan de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen voor werknemers. Zo is in 2025 de Aof-premie omhooggegaan om de kosten van het niet doorgaan van de verhoging van het btw-tarief op cultuur te dekken.

Bij de behandelding van het Belastingplan 2026 in de Tweede Kamer is een amendement aangenomen om een wijziging van de lucratiefbelangregeling uit te stellen. De daarmee misgelopen belastingopbrengst is gedekt door een verhoging van de Aof-premie in 2026.

Ook de zogenaamde vrijheidsbijdrage, bedoeld om de kosten van de voorgenomen verhoging van de defensie-uitgaven te dekken, wordt gefinancierd met een verhoging van de Aof-premie.


Lees meer  
 

Kleine AOW, grote gevolgen

Een vrouw ontvangt een AOW-uitkering van slechts € 328 per jaar. Daarnaast ontvangt zij ruim € 26.000 aan Duits pensioen. Door die minimale AOW is zij in Nederland verzekerd voor de Zorgverzekeringswet (Zvw). De Zvw-heffing wordt berekend over haar volledige inkomen, inclusief het Duitse pensioen. Zij vraagt de SVB om de AOW met terugwerkende kracht stop te zetten, maar dient haar bezwaar te laat in. De belastingrechter kan haar niet helpen.

Geen ontheffing Zvw

De vrouw woont in Nederland en ontvangt pensioen uit Duitsland. In 2007 verleent de SVB haar ontheffing van de verplichte verzekering voor de AOW, de Algemene nabestaandenwet en de Algemene Kinderbijslagwet. Die ontheffing geldt echter niet voor de AWBZ en evenmin voor de Zvw. Zij ontvangt een kleine AOW-uitkering van € 328 per jaar. Die uitkering maakt haar verzekeringsplichtig voor de Zvw. De inspecteur legt een aanslag Zvw op over een bijdrage-inkomen van € 26.258, het totaal van haar Duitse pensioenuitkeringen.

Bezwaar bij SVB te laat

De vrouw vraagt de SVB om de AOW-uitkering te beëindigen. De SVB stopt de uitkering per 1 december 2023, maar weigert terugwerkende kracht tot 2019. De vrouw maakt bezwaar tegen die weigering, maar dient het bezwaar te laat in. De rechtbank verklaart haar beroep ongegrond. Vervolgens wendt zij zich tot de belastingrechter met het verzoek om de SVB op te dragen de uitkering alsnog met terugwerkende kracht stop te zetten.

Inspecteur gaf tijdig advies

De vrouw stelt ook dat de inspecteur haar had moeten wijzen op de mogelijkheid om bij de SVB ontheffing te vragen. Het hof verwerpt dit. De inspecteur heeft haar gemachtigde al op 23 oktober 2023 per e-mail geadviseerd om de SVB te vragen de verzekeringsplicht stop te zetten en te vragen of de ontvangen AOW-uitkering terugbetaald kan worden. Dat was ruim vóór de aanslag van 28 november 2023. Van een tekortkoming in de voorlichtende taak is dan ook geen sprake.

Belastingrechter niet bevoegd

Het hof oordeelt dat de aanslag Zvw rechtmatig is. De vrouw is verzekerd, dus is zij de bijdrage verschuldigd. Het hof is als belastingrechter niet bevoegd om de SVB op te dragen de verzekeringsplicht met terugwerkende kracht stop te zetten. Tegen beslissingen van de SVB staan rechtsmiddelen open bij de algemene bestuursrechter. De vrouw heeft die route bewandeld, maar haar bezwaar was te laat.

Termijnen zijn streng

Deze uitspraak illustreert hoe een kleine AOW-uitkering grote fiscale gevolgen kan hebben. Door de verzekeringsplicht die voortvloeit uit die uitkering wordt het volledige buitenlandse pensioen in de Zvw-heffing betrokken. Wie dat wil voorkomen, moet tijdig actie ondernemen bij de SVB. Een te laat ingediend bezwaar sluit de deur naar een inhoudelijke beoordeling.


Lees meer  
 

Successiewet

Legitieme portie onder oud erfrecht is geen vordering

Een zoon woont jarenlang samen met zijn moeder en verleent haar mantelzorg. De vader is in 1995 overleden. In zijn testament heeft hij zijn echtgenote tot enig erfgenaam benoemd. De twee zonen doen echter een beroep op hun legitieme portie, die samen 4/9e deel van vaders nalatenschap bedraagt. Tot die nalatenschap behoort onder meer vaders aandeel in de echtelijke woning. De woning blijft ook na zijn overlijden op zijn naam staan. In 2019 overlijdt moeder. 

Goederenrechtelijke aanspraak, geen vordering

De Hoge Raad oordeelt dat een beroep op de legitieme portie onder het oude erfrecht leidt tot een goederenrechtelijke aanspraak op de goederen van de nalatenschap. Dat erfrecht gold tot 1 januari 2003. Door het inroepen van hun legitieme portie zijn de zonen deelgenoten geworden in vaders nalatenschap. Zij hebben daarmee geen vordering op moeder gekregen. Een dergelijke vordering had wel kunnen ontstaan bij een latere verdeling, maar die verdeling heeft nooit plaatsgevonden. Zonder vordering is er dan ook geen rente te berekenen.

Aanspraak niet uitgewerkt

Het hof oordeelt dat de goederenrechtelijke aanspraak van de zonen ten tijde van moeders overlijden is uitgewerkt op grond van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek. De Hoge Raad corrigeert dit. Die wet vereist slechts dat de legitimaris binnen de gestelde termijn verklaart dat hij zijn legitieme portie wenst te ontvangen. Hij hoeft binnen die termijn niet ook daadwerkelijk verdeling te vorderen. De aanspraak van de zonen is dus niet uitgewerkt. Bij de vaststelling van moeders nalatenschap moet dan ook rekening worden gehouden met die aanspraak, door 4/9e van vaders deel van de woning in mindering te brengen.

Geen partnervrijstelling voor kind

De zoon beroept zich ook op de partnervrijstelling. Hij heeft jarenlang samengewoond met zijn moeder en haar mantelzorg verleend. Onder de destijds geldende wet bestaat weliswaar een verzachting voor mantelzorgers, maar die geldt niet voor bloedverwanten in de rechte lijn. De zoon heeft geen recht op de partnervrijstelling.

Oud erfrecht werkt nog door

Dit arrest is relevant voor nalatenschappen die vóór 2003 zijn opengevallen en nog niet volledig zijn afgewikkeld. Onder het oude erfrecht geeft een beroep op de legitieme portie een goederenrechtelijke aanspraak, geen vordering. Die aanspraak kan nog steeds geldend worden gemaakt, ook nu het nieuwe erfrecht al meer dan twintig jaar van kracht is.


Lees meer  
 

 

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.