Nieuwsbrief 6 februari 2026

Inkomstenbelasting

Hawala-diensten zijn bron van inkomen

In de jaren 2014 tot en met 2017 houdt een man zich bezig met de handel in qat en het aanbieden van hawala-diensten. Vanaf 2017 start de FIOD met een strafrechtelijk onderzoek naar de man. Bij een huiszoeking in 2018 vindt de FIOD 1,81 kg qat en een gedetailleerde administratie. Uiteindelijk wordt de man in 2021 door een rechtbank veroordeeld voor het handelen in qat en voor het aanbieden van hawala-diensten zonder vergunning. In 2019 richt de Belastingdienst zich op de financiële kant van deze handelsactiviteiten. De inspecteur is van mening dat de activiteiten van de man een bron van inkomen vormen en legt navorderingsaanslagen op.

Bron van inkomen

Volgens vaste jurisprudentie is er sprake van een bron van inkomen als iemand:

  1. deelneemt aan het economisch verkeer; en
  2. het oogmerk heeft om daarmee voordeel te behalen; en
  3. het voordeel redelijkerwijs kan verwachten.

Het hof oordeelt dat de activiteiten van de man met betrekking tot de handel in qat en het aanbieden van hawala-diensten voldoen aan de vereisten voor een bron van inkomen.

Qat

Voor de qat-handel acht het hof vastgesteld dat de man actief deelneemt aan het economisch verkeer door qat in te kopen en te verkopen. De wisselende en tegenstrijdige verklaringen van de man doen afbreuk aan zijn geloofwaardigheid. Het hof baseert zijn oordeel onder andere op tapgesprekken, getuigenverklaringen en administratie, die wijzen op een patroon van handel over meerdere jaren. De man beoogt duidelijk winst te maken, wat blijkt uit de aard van de activiteiten en de omvang van de inkomsten. Hierdoor is aan alle criteria voor een bron van inkomen voldaan.

Hawala

Hawala-diensten zijn een vorm van informeel, ondergronds bankieren. Bij hawala gaat het om het overmaken van geld zonder dat er daadwerkelijke fysieke of elektronische overdracht plaatsvindt via banken of andere reguliere financiële instellingen. Een persoon die geld wil overmaken, geeft dit aan een hawala-agent (tussenpersoon) in zijn eigen land. Deze agent instrueert een andere agent, vaak gevestigd in het bestemmingsland, om het afgesproken bedrag aan de ontvanger uit te betalen. De twee agenten verrekenen het uiteindelijke saldo later onderling.

Ook de hawala-diensten kwalificeren volgens het hof als een bron van inkomen. De man rekent een commissie voor het verrichten van deze geldtransacties, wat wijst op het streven naar voordeel. Hoewel de man verklaart dat deze diensten enkel voor familie bedoeld waren, zijn er aanwijzingen dat hij ook voor derden werkte. Het hof acht het daarom aannemelijk dat de man deelneemt aan het economisch verkeer en dat zijn activiteiten een bron van inkomen vormen.


Lees meer  
 

Verhoogd eigenwoningforfait van 2,35 % niet in strijd met EVRM

Wie een eigen woning heeft, moet inkomstenbelasting betalen over het zogenaamde eigenwoningforfait. Dit forfait bedraagt 0,35% van de WOZ-waarde van de woning, voor zover deze ligt tussen € 75.000 en de zogenoemde villagrens (€ 1.350.000 in 2026). Is de WOZ-waarde hoger dan de villagrens, dan geldt voor het meerdere een forfait van 2,35%. De verhoging van het forfait (2,35% i.p.v. 0,35%) leidt tot hogere belasting, die wordt aangeduid met de term 'villatax'. De vraag die de rechter moet beantwoorden, is of deze belasting een ongeoorloofde inbreuk op het eigendomsrecht maakt.

Twee fiscale partners bezitten een woning met een WOZ-waarde van bijna € 1,7 miljoen. Zij stellen dat dit verhoogde forfait in strijd is met het eigendomsrecht en het discriminatieverbod uit het EVRM. De regeling heft immers over inkomen dat niet daadwerkelijk wordt genoten. Bovendien miskent zij het afnemende grensnut bij duurdere woningen. Zij verwijzen naar het Kerstarrest en de arresten over box 3 en betogen dat de redelijke verhouding tussen doel en middel zoek is. Volgt de rechtbank dit betoog?

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank oordeelt dat het verhoogde eigenwoningforfait niet in strijd is met het EVRM. Het heffen van belasting is weliswaar een inmenging in het eigendomsrecht, maar deze is gerechtvaardigd als zij een legitiem doel dient en een fair balance respecteert. De wetgever heeft bewust gekozen voor een hoger percentage bij duurdere woningen. De gedachte is dat bij woningen boven een bepaalde waarde het beleggingsaspect een verhoudingsgewijs grotere rol speelt dan het bestedingsaspect. De wetgever heeft daarmee een verschil gemaakt tussen eigenaren met een woning onder of boven het grensbedrag. Deze keuze valt binnen de ruime beoordelingsmarge die de wetgever toekomt. De rechtbank acht daarbij van belang dat het tarief van 2,35% alleen geldt voor het deel van de waarde boven de villagrens. Dat de wetgever ook budgettaire overwegingen heeft meegewogen, maakt dit niet anders. Ook de omstandigheid dat wordt geheven over niet-gerealiseerd inkomen leidt niet tot strijdigheid met het EVRM.


Lees meer  
 

Omzetbelasting

Toch btw-aftrek bij verhuur werkkamer en garage aan eigen bv

Bij dga's en ondernemers die vanuit huis werken en een ruimte verhuren aan hun bv, neemt de Belastingdienst vaak het standpunt in dat bij enig privégebruik niet kan worden geopteerd voor belaste verhuur. In een recente uitspraak nuanceert het hof dit. Beslissend is of het verhuurde gedeelte als woning wordt gebruikt. Als het geheel voor meer dan 70% zakelijk wordt gebruikt en niet als woning dient, is een optie belaste verhuur mogelijk. Daarnaast bevestigt het hof dat verhuur aan de eigen bv tegen een marktconforme prijs een economische activiteit vormt.

Verhuur garage aan bv

Een advocaat en zijn partner kopen een stuk grond en laten daarop een woning bouwen. De woning bevat een werkkamer en een garage die naast elkaar liggen en via een tussendeur met elkaar zijn verbonden. De garage beschikt daarnaast over een eigen uitgang naar buiten. Het samenwerkingsverband van de advocaat en zijn partner claimt aftrek van voorbelasting op de bouwkosten. Het verhuurt beide ruimtes aan de bv van de advocaat en in de huurovereenkomst staat dat de verhuur vanaf het begin belast is met btw. De advocaat verricht in de werkkamer regelmatig werkzaamheden voor de bv. In de garage staan de auto van de zaak en stukken van de bv opgeslagen. De garage wordt voor 79% zakelijk gebruikt.

Optie belaste verhuur

De inspecteur weigert de gevraagde teruggaven. Hij stelt dat er geen sprake is van een economische activiteit, omdat de werkkamer onvoldoende zelfstandig is om aan een willekeurige derde te verhuren. Door het gebruik als woning kan ook niet worden geopteerd voor belaste verhuur. Het hof komt tot een ander oordeel. De wet maakt het mogelijk te kiezen voor belaste verhuur van gedeelten van gebouwen die niet als woning worden gebruikt. Dit geldt volgens het hof ook voor onzelfstandige gedeelten van een gebouw dat voor het grootste deel als woning dient. Partijen zijn het erover eens dat de werkkamer en garage onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en één geheel vormen. Het hof oordeelt dat dit geheel hoofdzakelijk door de bv wordt gebruikt én anders dan als woning. Het privégebruik is ondergeschikt aan het zakelijke gebruik. Concluderend is het hof van oordeel dat belaste verhuur mogelijk is in deze situatie.


Lees meer  
 

Vennootschapsbelasting

Prijsafspraak bij verkoop aandelen verhindert fiscale eenheid

Een bouwbedrijf investeert via een dochter-bv in een zeeschip en past willekeurige afschrijving toe. De moedermaatschappij voegt de dochter in de fiscale eenheid. Enkele jaren later blijkt dat bij de investering een participatieovereenkomst is gesloten met een prijsafspraak voor de latere verkoop van de aandelen. De inspecteur stelt dat hierdoor nooit een fiscale eenheid tot stand is gekomen. Bezit de moeder wel het economisch eigendom van de aandelen in haar dochter?

Structuur

Een bv staat aan het hoofd van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Een gevoegde dochtermaatschappij exploiteert een bouwbedrijf. Deze dochter richt samen met een scheepvaartonderneming een nieuwe vennootschap op om te investeren in een zeeschip. De nieuwe vennootschap treedt als commanditaire vennoot toe tot een cv die het schip exploiteert. De moedermaatschappij verzoekt om voeging van de nieuwe vennootschap in de fiscale eenheid. De inspecteur geeft een beschikking af met ingangsdatum 29 september 2011. Via de fiscale eenheid brengt de moeder de willekeurige afschrijving op het schip en de exploitatieverliezen in aftrek.

Participatieovereenkomst

Na de oprichting sluiten de partijen een participatieovereenkomst. Daarin krijgt de moeder het recht om na drie jaar de aandelen aan de scheepvaartonderneming aan te bieden. De koopprijs wordt berekend volgens een bijgevoegd rekenmodel. Dit model werkt opmerkelijk: bij een hogere taxatiewaarde van het schip daalt de koopprijs voor de aandelen. Een tegengestelde verandering in de waardering van de belastinglatentie matigt namelijk de waardeverandering van het schip. De inspecteur ontdekt de participatieovereenkomst pas tijdens een derdenonderzoek bij de scheepvaartonderneming in 2014.

Economisch eigendom ontbreekt

De inspecteur legt navorderingsaanslagen op. Het gerechtshof oordeelt dat de moeder door de prijsafspraak slechts een beperkt risico van waardeverandering draagt. De moeder bezit daarom niet het economisch eigendom van ten minste 95% van de aandelen. De fiscale eenheid is dus nooit tot stand gekomen. Het gerechtshof verwerpt ook het beroep op het vertrouwensbeginsel. De moeder verstrekt bij het voegingsverzoek onjuiste informatie over het economisch eigendom. Zij had redelijkerwijs moeten weten dat de inspecteur daardoor het verzoek niet goed kon beoordelen.


Lees meer  
 

Successiewet

Bezitseis BOR bij splitsing van ondernemingen

Een moeder houdt via een bv een indirect aanmerkelijk belang van 49% in een andere bv. De overige 51% is in handen van haar neef. Dochtermaatschappijen van de bv exploiteren hoorcentra en optiekcentra. In 2011 vindt een juridische splitsing van de bv plaats, waarbij de hoorcentra aan de moeder toekomen. Een jaar later, in 2012, worden de aandelen in de bv die de hoorcentra exploiteert, samen met het bedrijfspand, ondergebracht in een nieuwe beheer-bv, waarvan de moeder alle aandelen bezit. In 2013 schenkt de moeder alle aandelen in de beheer-bv aan haar zoon. De zoon vraagt voor deze schenking de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) toe te passen.

De inspecteur stelt de aanslag schenkbelasting vast met een voorwaardelijke vrijstelling, maar past deze slechts toe op 49% van de waarde van de aandelen in de beheer-bv. De inspecteur is van mening dat niet voor 100% van de waarde is voldaan aan de vijfjaarstermijn, de zogenaamde bezitseis, die geldt voor de BOR. Volgens de inspecteur dreven de dochtermaatschappijen vóór de splitsing minimaal twee objectieve ondernemingen. Bij een splitsing waarbij het procentuele belang in een onderneming toeneemt, begint een nieuwe bezitstermijn te lopen voor het uitgebreide deel.

De Hoge Raad bevestigt dat voor de toepassing van de BOR per onderneming wordt beoordeeld of aan de indirecte bezitseis is voldaan. Bij een procentuele uitbreiding van het belang in een onderneming begint een nieuwe indirecte bezitstermijn te lopen. Dit is anders dan wanneer een vennootschap haar onderneming uitbreidt met behoud van hetzelfde belang. Ook het argument over de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting faalt. Deze regeling biedt namelijk alleen een verzachting voor de directe bezitseis, die betrekking heeft op aandelen die een natuurlijk persoon houdt, en niet voor de indirecte bezitseis, die ziet op het drijven van een onderneming door een lichaam.


Lees meer  
 

Overige heffingen

Reclamebelasting voor geverfd pand

Een bv, die een uitzendbureau en een evenementenhal exploiteert, bezit een pand. De muren van dit pand zijn grijs en groen, terwijl de kozijnen, deuren en dakranden geel zijn. Ook de logo's en handelsnamen op borden bij het pand gebruiken deze gele kleur. De bv krijgt een aanslag reclamebelasting, gebaseerd op een geschatte oppervlakte van 100 tot 200 vierkante meter aan openbare aankondigingen.

De bv stelt dat de aanslag onterecht is opgelegd. Volgens de bv is de kleurstelling van het pand geen openbare aankondiging die zichtbaar is vanaf de openbare weg. De gele kleur van de kozijnen dient slechts als decoratie en vormt geen herkenbare merkuitstraling of boodschap die met het bedrijf te associëren is. De bv verklaart dat zij niet bewust voor de gele kleur heeft gekozen. De architect van het pand heeft dit bedacht en geel was de kleur van de bouwmaterialen. Daarom dienen de dakranden en kozijnen niet te worden meegenomen in de grondslag voor de reclamebelasting.

De rechtbank onderzoekt de definitie van een 'openbare aankondiging' zoals vastgelegd in de plaatselijke Verordening reclamebelasting. Deze omschrijft een aankondiging als een uiting in letters, cijfers, tekens, symbolen, logo's, vormen, kleuren of een reclamevoorwerp, of een combinatie daarvan, die zichtbaar is vanaf de openbare weg. De rechtbank stelt vast dat de gele kleur van het pand onderdeel is van de huisstijl van de bv en terugkomt in de logo's en handelsnamen. Deze gele kleur is onderscheidend en typerend voor de bedrijven van de bv en herkenbaar voor het publiek.

De stelling van de bv dat de kleuren niet zichtbaar zijn vanaf de openbare weg, wordt door de rechtbank verworpen aan de hand van foto's. De foto’s zijn gemaakt vanaf de openbare weg en daarop zijn de kleuren van het pand te zien. De rechtbank oordeelt dat de geelgekleurde delen, in combinatie met de andere bedrijfsaanduidingen, een tot het publiek gerichte mededeling vormen die de belangstelling trekt.


Lees meer  

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.