Home » Nieuwsbrief » Extra Nieuwsbrief 13 mei 2022

Extra Nieuwsbrief 13 mei 2022

Loonbelasting

Toepassing doorbetaald loonregeling

De Wet op de loonbelasting kent met de doorbetaald loonregeling een bijzondere regeling. De regeling komt erop neer dat een inhoudingsplichtige wordt geacht niet alleen het door hem verschuldigde loon van een werknemer te verstrekken, maar ook het loon dat aan deze werknemer toekomt van een andere inhoudingsplichtige. Voorwaarde is dat de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking bij de eerste inhoudingsplichtige ook werkzaam is voor de andere inhoudingsplichtige en op de werknemer de verplichting rust om het hem toekomende loon af te staan aan de eerste inhoudingsplichtige. De tweede inhoudingsplichtige moet het loon van de werknemer rechtstreeks afdragen aan de eerste inhoudingsplichtige.

De Belastingdienst meende dat een inhoudingsplichtige de doorbetaald loonregeling niet mocht toepassen op de managementfees die de inhoudingsplichtige betaalde aan de houdstervennootschappen van de directeuren. Volgens de Belastingdienst verrichtten de directeuren hun werkzaamheden bij de inhoudingsplichtige niet uit hoofde van hun dienstbetrekking bij de houdstervennootschappen. De inhoudingsplichtige meende dat hij de doorbetaald loonregeling kon toepassen omdat de directeuren hun werkzaamheden verrichtten op basis van de met de houdstervennootschappen gesloten managementovereenkomsten. De bescheiden omvang van het aanmerkelijk belang van 5% met een optie op nog eens 5% van iedere houdstervennootschap was volgens de inhoudingsplichtige niet van invloed op de zakelijkheid van de structuur.

De rechtbank was van oordeel dat de directeuren uit hoofde van hun dienstbetrekking bij de houdstervennootschappen werkzaamheden verrichtten voor de inhoudingsplichtige. Dat was vastgelegd in de arbeidsovereenkomsten, die de directeuren met hun houdstervennootschappen hebben gesloten. De houdstervennootschappen hadden managementovereenkomsten met de inhoudingsplichtige gesloten. Omdat sprake was van een structuur met meerdere aandeelhouders moest de rechtbank de structuur op zakelijkheid toetsen. Aan de wetsgeschiedenis ontleende de rechtbank dat een aanmerkelijkbelanghouder met concernvennootschappen niet bij iedere concernvennootschap een gebruikelijk loon hoeft op te nemen, omdat de doorbetaald loonregeling kan worden toegepast. Deze regeling kan ook door een dga worden toegepast in geval van een gedeeld ondernemerschap met andere dga’s via een praktijk-bv. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inhoudingsplichtige, mede in het licht van de parlementaire behandeling over de praktijk-bv, voldoende feiten en omstandigheden aangevoerd om de conclusie te rechtvaardigen dat aan de zakelijkheidstoets is voldaan. Dat de overige aandeelhouders vanwege de omvang van de investering die zij hebben gedaan tezamen 85% van de aandelen bezitten doet daar niet aan af.

De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor toepassing van de doorbetaald loonregeling is voldaan.


Lees meer  
 

Ondernemingswinst

Goodwill te snel afgeschreven

Goodwill is een bedrijfsmiddel dat wordt afgeschreven in ten minste tien jaar. Dat betekent dat de jaarlijkse afschrijving op goodwill door een ondernemer maximaal 10% van de aanschaffingskosten bedraagt. Omstandigheden, die bekend zijn ten tijde van een investering in een bedrijfsmiddel, vormen geen aanleiding voor een afwaardering van het bedrijfsmiddel naar een lagere bedrijfswaarde.

Een ondernemer schreef de door hem gekochte goodwill af in drie jaar. Naar zijn mening was dit toegestaan vanwege zijn hoge leeftijd en slechte gezondheid. De verwachting dat de onderneming drie jaar na de investering in de goodwill zou worden beëindigd, was volgens de ondernemer op economische gronden gerechtvaardigd. De Belastingdienst corrigeerde de afschrijving door het opleggen van een navorderingsaanslag.

In de procedure over de navorderingsaanslag ging de rechtbank ervan uit, dat de ondernemer een zakelijke prijs heeft betaald voor de door hem overgenomen en geactiveerde goodwill. Het betrof zakelijke goodwill, die verband hield met de te verwachten overwinst van de onderneming en het overgenomen klantenbestand. Persoonlijke omstandigheden spelen geen rol bij het bepalen van de levensduur en de hoogte van de afschrijving van een bedrijfsmiddel. De door de ondernemer genoemde argumenten voor versnelde afschrijving of afwaardering naar lagere bedrijfswaarde waren persoonlijke omstandigheden. De rechtbank wees erop dat de Wet IB 2001 afwaardering op lagere bedrijfswaarde in dit geval niet toestaat, omdat de aangevoerde persoonlijke omstandigheden bekend waren ten tijde van de aanschaf van de goodwill.

De rechtbank was van oordeel dat de Belastingdienst de te hoge afschrijving op de goodwill terecht heeft gecorrigeerd.

De Belastingdienst heeft tegelijk met de navorderingsaanslag een vergrijpboete van 25% opgelegd wegens grove schuld. Naar het oordeel van de rechtbank is de Belastingdienst geslaagd in het aannemelijk maken van grove schuld. Ter zake van het in drie jaar afschrijven van de geactiveerde goodwill is de ondernemer terecht verweten dat zijn gedraging in laakbaarheid aan opzet grenst. De ondernemer heeft eerder gewerkt als registeraccountant bij een groot accountantskantoor. Sinds zijn pensionering voerde hij een eigen aangiftepraktijk en maakte hij gebruik maakte van een eigen beconnummer. Hij had moeten weten dat de Wet IB 2001 voor goodwill een afschrijvingstermijn van minstens tien jaar voorschrijft. Ook onder de oude regeling, waarop de ondernemer zich beriep, kon de goodwill niet in een termijn van drie jaar worden afgeschreven.


Lees meer  
 

Omzetbelasting

Aftrek van omzetbelasting ondernemersverenigingen

Ondernemers kunnen de omzetbelasting, die andere ondernemers aan hen in rekening brengen, in aftrek brengen op de af te dragen omzetbelasting. Het recht op aftrek van voorbelasting is beperkt tot het gebruik van de ingekochte goederen en diensten voor belaste prestaties. Ondernemersverenigingen, zoals winkeliersverenigingen en brancheorganisaties, kunnen op grond van een goedkeuring de aan hen in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek brengen. De goedkeuring is gebonden aan voorwaarden. Deze voorwaarden zijn:

  • De goedkeuring geldt alleen voor verenigingen die de zakelijke belangen van ondernemers behartigen en waarbij uitsluitend ondernemers en ondernemersverenigingen zijn aangesloten.
  • De aftrek is beperkt tot de omzetbelasting die niet toerekenbaar is aan prestaties waarvoor de vereniging kwalificeert als ondernemer.
  • De omzetbelasting is alleen aftrekbaar indien en voor zover de kosten voor de hieraan toerekenbare goederen en diensten feitelijk worden gedragen door de aangesloten ondernemers.
  • De aangesloten ondernemers zouden de btw in aftrek kunnen brengen als de goederen en diensten rechtstreeks aan hen geleverd zouden worden.

Een ondernemingsvereniging voldeed niet aan de voorwaarde dat uitsluitend ondernemers waren aangesloten. De vereniging kende ook senior- en ereleden, die geen ondernemer waren, en publiekrechtelijke lichamen als leden. Deze publiekrechtelijke lichamen handelden niet in de hoedanigheid van ondernemer.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de senior- en ereleden niet van belang voor de toepassing van de goedkeuring en dient alleen naar de leden met een bedrijfslidmaatschap te worden gekeken. Daartoe behoren ook de publiekrechtelijke lichamen, die bij de vereniging zijn aangesloten. Bepalend is niet alleen dat deze lichamen ondernemer zijn, maar ook dat zij in die kwaliteit bij de vereniging zijn aangesloten. De kwaliteit bepaalt namelijk of zij de omzetbelasting in aftrek kunnen brengen als de goederen en diensten rechtstreeks aan hen zouden worden geleverd. De rechtbank vond onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de publiekrechtelijke lichamen in de hoedanigheid van ondernemer bij de vereniging waren aangesloten. De vereniging heeft geen recht op aftrek van omzetbelasting voor haar verenigingsactiviteiten.

Dat had onder meer tot gevolg dat de vereniging voor de huur van haar bedrijfspand niet voldeed aan de voorwaarde dat het pand voor 90% of meer voor belaste prestaties wordt gebruikt. Het pand was daarom ten onrechte belast verhuurd.


Lees meer  
 

Vennootschapsbelasting

Pand verkocht aan dga voor te laag bedrag: winstcorrectie bij bv terecht aangebracht

Wanneer vaststaat dat niet de vereiste aangifte is gedaan, leidt dat tot omkering en verzwaring van de bewijslast. Dat betekent dat een beroep van de belastingplichtige tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Een belastingplichtige heeft niet de vereiste aangifte als door een inhoudelijk gebrek in de aangifte de berekende belasting zowel absoluut als relatief aanzienlijk te laag is. Daarbij geldt dat de belastingplichtige zich er ten tijde van het doen van de aangifte van bewust moet zijn geweest dat door het inhoudelijke gebrek in de aangifte een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. De bewijslast, dat de vereiste aangifte niet is gedaan, rust op de inspecteur. De inspecteur dient bij het vaststellen van de aanslag uit te gaan van een redelijke schatting van het belastbare bedrag.

Winst uit onderneming is het bedrag van de gezamenlijke voordelen die worden verkregen uit een onderneming. Bij het bepalen van de winst komen uitdelingen van winst niet in aftrek. Volgens vaste jurisprudentie is een winstuitdeling een bevoordeling van de aandeelhouder als zodanig, die kan plaatsvinden uit winst of winstreserves van de vennootschap of in het vooruitzicht van te maken winst. Zowel de aandeelhouder als de vennootschap moet zich bewust zijn van de bevoordeling. De aandeelhouder moet de bevoordeling in zijn hoedanigheid van aandeelhouder hebben aangenomen. Een voorbeeld van een winstuitdeling is een verkoop door de vennootschap van een vermogensbestanddeel tegen een te lage prijs.

Volgens de Belastingdienst was sprake van een winstonttrekking bij een vennootschap die een showroom verkocht aan haar aandeelhouder. De verkoopprijs bedroeg € 670.000. Volgens de Belastingdienst was de waarde veel hoger. In de taxatie, die als basis voor de verkoopprijs had gediend, was het deel van de showroom, dat werd verhuurd aan een bedrijf van de aandeelhouder en zijn zoon, niet meegenomen. Uitgaande van de huuropbrengst van dat deel was de waarde van de showroom beduidend hoger dan de verkoopprijs. Gezien de omstandigheden leed het voor de rechtbank geen twijfel dat de vennootschap en haar aandeelhouder zich daarvan redelijkerwijs bewust hadden moeten zijn. De rechtbank vond de door de Belastingdienst veronderstelde waarde van de showroom echter niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank stelde de waarde van de showroom in goede justitie vast op € 815.000. Dat leidde tot een winstcorrectie bij de vennootschap van € 145.000.

In hoger beroep onderschreef Hof Amsterdam het oordeel van de rechtbank dat de inspecteur heeft voldaan aan zijn bewijslast dat de vereiste aangifte niet was gedaan. Het hof deelde ook het oordeel van de rechtbank dat de inspecteur met zijn schatting van de belastbare winst de grenzen van de redelijkheid heeft overschreden. Het taxatierapport, dat de inspecteur tot uitgangspunt had genomen, was gebaseerd op aanvechtbare of onjuiste veronderstellingen.

Het hof heeft de waarde van het pand in goede justitie vastgesteld. Daarbij kwam het hof uit op een hogere waarde dan de rechtbank. Het hof stelde de waarde vast op € 925.000. De winstcorrectie kwam daarmee uit € 255.000.


Lees meer  
 

Arbeidsrecht

Werkneemster hoefde andere functie niet te accepteren

Een gemeente is in kort geding veroordeeld om een werkneemster binnen zeven dagen na de betekening van het vonnis haar gebruikelijke werkzaamheden te laten verrichten. De gemeente heeft tegen het kort geding vonnis spoedappel ingesteld. Na rappel van de advocaat van de werkneemster deelde de gemeente mee dat zij de werkneemster op een andere afdeling in wilde zetten. De werkneemster wenste niet mee te werken aan een functiewijziging en startte een nieuw kort geding.

De rechter in kort geding stelde vast dat partijen het erover eens waren dat de arbeidsovereenkomst geen eenzijdig wijzigingsbeding bevatte. Uit een arrest van de Hoge Raad uit 2008 volgt dat bij het ontbreken van een eenzijdig wijzigingsbeding een werknemer instemmen met een voorstel tot wijziging van de arbeidsovereenkomst als aan drie voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet sprake zijn van gewijzigde omstandigheden waarin de werkgever als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden om een wijziging van de arbeidsvoorwaarden voor te stellen. Ten tweede dient de werkgever een redelijk voorstel te doen, waarvan ten derde de aanvaarding gezien de omstandigheden in redelijkheid van de werknemer kan worden verlangd.

Volgens de rechter is niet aan de voorwaarden uit het arrest voldaan, omdat er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden die aanleiding gaven om een wijzigingsvoorstel te doen. De stelling van de gemeente dat de relatie met de collega’s op de afdeling teveel beschadigd is om deze te kunnen herstellen, is in het vonnis van de eerdere procedure al afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Waar eerder is geoordeeld dat de gemeente geen redelijke en voldoende zwaarwegende grond had om de werkneemster niet meer toe te laten tot haar werk, kan op basis van hetzelfde feitencomplex evenmin worden geoordeeld dat die omstandigheden een wijzigingsvoorstel kunnen rechtvaardigen. De rechter erkende dat de arbeidsverhouding sterk onder druk stond, maar dat maakt niet dat de gemeente de werkneemster de kans op herstel daarvan niet meer hoeft te bieden. De gestelde verstoorde verhoudingen waren niet enkel aan de werkneemster te wijten, aangezien ook de gemeente heeft bijgedragen aan het escaleren van de situatie.

De rechter in kort geding is van oordeel dat de gemeente de werkneemster ten onrechte eenzijdig een functiewijziging heeft opgelegd en dat de werkneemster recht op terugkeer in haar functie heeft. De vordering tot wedertewerkstelling is toegewezen op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000 per dag of gedeelte daarvan, met een maximum van € 100.000.


Lees meer  
 

Werkgever heeft voldaan aan zorgvuldigheidsnormen

De werkgever heeft de wettelijke verplichting om de nodige maatregelen te treffen en aanwijzingen te geven om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Volgens de wet is de werkgever aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij hij aantoont dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan of dat de schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Niet snel wordt aangenomen dat de werkgever aan zijn zorgplicht heeft voldaan en dus niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Welke veiligheidsmaatregelen de werkgever moet treffen en op welke wijze hij de werknemer moet instrueren, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

De werknemer is in beginsel aansprakelijk voor de schade die een werknemer lijdt door een ongeval op het werk. Voor het bewijs dat de werkgever niet is tekortgeschoten in zijn zorgplicht hoeft niet vast te staan wat de oorzaak van het ongeval is geweest. Staat die toedracht vast, dan kan de werkgever volstaan met aan te tonen dat hij heeft voldaan aan alle op hem rustende verplichtingen om het ongeval te voorkomen. Onduidelijkheid omtrent de toedracht van het ongeval betekent een ruimere bewijslast voor de werkgever.

Een werknemer vorderde in een procedure een verklaring voor recht dat zijn werkgever en het bedrijf waar hij door zijn werkgever te werk was gesteld aansprakelijk waren voor de door hem geleden en nog te lijden schade als gevolg van een ongeval op werkvloer. De werknemer was twee treden opgelopen om een nooduitgang te sluiten. Bij het afdalen van de treden verstapte hij zich.

Geen van beide treden overbrugde een bijzondere hoogte. De werknemer hoefde tijdens het op- en afgaan van deze treden geen bijzondere verrichtingen uit te voeren. Hij hoefde geen voorwerpen te dragen die hem het zicht op de treden konden belemmeren. Hij moet hebben waargenomen dat hij twee maal een hoogteverschil via een trede moest overbruggen, zodat hij daar bij terugkeer op bedacht had kunnen en moeten zijn. Het op- en afgaan van dergelijke treden is een dagelijkse bezigheid, die niet om een bijzondere instructie door de werkgever vraagt. Volgens Hof Den Bosch zijn voldoende maatregelen getroffen om het ongeval te voorkomen. De eerste trede was door zijn afmetingen duidelijk zichtbaar. De tweede trede was aan de voorzijde gemarkeerd, zodat de gebruiker daarvan gewaarschuwd is dat hij een verhoging betreedt. Een nadere markering op de bovenzijde was gezien het te verwachten beperkte gebruik als toegang tot de nooduitgang niet vereist. De situatie ter plekke voldeed aan de vereisten van het Bouwbesluit.

Het hof is van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden de situatie ter plekke niet anders had moeten worden ingericht. Evenmin hadden aan de werknemer meer specifieke of andere instructies gegeven moeten worden over het gebruik van de trap.

Volgens het hof zijn de werkgever en het bedrijf waar de werknemer te werk was gesteld niet aansprakelijk voor de schade van de werknemer. De omstandigheid dat de situatie ter plekke na het ongeval is aangepast leidt volgens het hof niet dwingend tot de conclusie dat in de oude situatie in onvoldoende mate aan de zorgplicht is voldaan.


Lees meer  
 

Overdrachtsbelasting

Reorganisatievrijstelling niet van toepassing

Bij de verkrijging van in Nederland gelegen onroerende zaken of van rechten op onroerende zaken wordt overdrachtsbelasting geheven. Als aan enkele voorwaarden is voldaan geldt een vrijstelling van overdrachtsbelasting voor een verkrijging in het kader van een interne organisatie. De vrijstelling is van toepassing als een tot een concern behorende vennootschap onroerende zaken overdraagt aan een andere vennootschap van dat concern. Onder concern wordt verstaan een houdstervennootschap met alle vennootschappen waarin zij een belang heeft van ten minste 90%. Onder vennootschap worden verstaan de naamloze en de besloten vennootschap, de open commanditaire vennootschap en andere vennootschappen waarvan het kapitaal in aandelen is verdeeld. Sinds 1 januari 2008 kan ook een stichting of vereniging zonder in aandelen verdeeld kapitaal dienstdoen als topvennootschap van een concern. De reorganisatievrijstelling kan ook in die gevallen worden toegepast.

Natuurlijke personen kunnen geen deel uitmaken van een concern. In de wetsgeschiedenis zijn geen aanknopingspunten te vinden om aan te nemen dat de wetgever natuurlijke personen op dezelfde wijze heeft willen behandelen als vennootschappen op het punt van de reorganisatievrijstelling. Daarbij komt dat vrijstellingen een inbreuk vormen op het systeem van de wet door het vrijstellen van een belastbaar feit. Dat heeft tot gevolg dat vrijstellingen beperkt moeten worden uitgelegd.

Naar het oordeel van Hof Arnhem-Leeuwarden kan de reorganisatievrijstelling niet worden toegepast door een vof, bestaande uit een dga en twee bv’s waarvan de dga de enige aandeelhouder is of door de bv’s bij een onderlinge verkrijging.


Lees meer  
 

 

Sociale verzekeringen

Bedragen minimumloon per 1 juli 2022

De bedragen van het bruto wettelijk minimumloon worden halfjaarlijks aangepast. Per 1 juli 2022 gaat het minimumloon voor mensen van 21 jaar en ouder naar € 1.756,20 per maand. Voor jongere werknemers gelden daarvan afgeleide bedragen, zoals opgenomen in onderstaande tabel.

Leeftijd                               Percentage    per maand    per week   per dag

 21 jaar en ouder                  100              € 1.756,20     € 405,30    € 81,06

 20 jaar                                         80               € 1.404,95     € 324,25    € 64,85

 19 jaar                                         60               € 1.053,70     € 243,20    € 48,64

 18 jaar                                         50               € 878,10         € 202,65    € 40,53

 17 jaar                                         39,5           € 693,70         € 160,10    € 32,02

 16 jaar                                         34,5           € 605,90         € 139,85    € 27,97

 15 jaar                                         30               € 526,85         € 121,60    € 24,32

Voor werknemers, die werkzaam zijn in de beroepsbegeleidende leerweg (bbl), gelden afwijkende staffels voor de leeftijd van 18 tot en met 20 jaar.

Leeftijd                            Percentage     per maand     per week   per dag

 18 jaar                                      61,5            € 1.080,05      € 249,25    € 49,85

 17 jaar                                      52,5            € 922,00          € 212,80   € 42,56

 16 jaar                                      45,5            € 799,05          € 184,40   € 36,88


Lees meer  
 

Overige heffingen

Twee naheffingsaanslagen parkeerbelasting voor zelfde parkeeractie

De Gemeentewet bevat een opsomming van belastingen die gemeenten mogen heffen. De parkeerbelasting is een vorm van toegestane belastingheffing. Voor het opleggen van een naheffingsaanslag mogen kosten in rekening worden gebracht. Ten aanzien van hetzelfde voertuig worden per aaneengesloten periode de kosten niet vaker dan eenmaal per kalenderdag in rekening gebracht. De wet kent geen beperking ten aanzien van het aantal dagen waarop een naheffingsaanslag parkeerbelasting inclusief kosten kan worden opgelegd, ook al betreft het een aaneengesloten periode waarin het voertuig stond geparkeerd.

Naar aanleiding van parkeren zonder dat parkeerbelasting was voldaan zijn aan de eigenaar van een auto twee naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd. De eerste was het gevolg van een parkeercontrole op 19 december 2019 ’s avonds. De tweede was het gevolg van een parkeercontrole op 20 december in de ochtend. In de procedure naar aanleiding van de tweede naheffingsaanslag voerde de belanghebbende aan dat hem slechts een naheffingsaanslag mocht worden opgelegd. Beide naheffingsaanslagen hadden betrekking op hetzelfde feit. De belanghebbende meende dat het opleggen van een naheffingsaanslag een vorm van strafvervolging is. Dubbele bestraffing voor hetzelfde feit is niet toegestaan.

Hof Amsterdam volgt deze opvatting niet. Het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting is geen bestuurs- of strafrechtelijke sanctie, maar naheffing van niet betaalde parkeerbelasting met doorberekening van de aan het opleggen van de naheffingsaanslag verbonden kosten. Er bestaat geen grond voor de opvatting dat het kostenbedrag dient als straf ter afschrikking van herhaling. Van dubbele bestraffing is derhalve geen sprake.


Lees meer  
 

Invordering

Aanpassing termijn betalingsregeling

De staatssecretaris van Financiën heeft de Leidraad Invordering gewijzigd. De wijziging betreft de ingangsdatum van een met de ontvanger te treffen betalingsregeling. De maximale termijn van een betalingsregeling bedraagt twaalf maanden, gerekend vanaf de uiterste betaaldatum van de belastingaanslag. In verband met de gevolgen van de coronacrisis heeft de staatssecretaris mogelijk gemaakt dat de looptijd van de betalingsregeling begint op de datum waarop de ontvanger de betalingsregeling bij beschikking toestaat. De betalingsregeling zal worden toegekend onder de gebruikelijke voorwaarden. Deze goedkeuring geldt voor alle verzoeken om uitstel van betaling die ondernemers tot en met 30 september 2022 indienen. De goedkeuring geldt ook voor verzoeken die voor 1 april 2022 zijn ingediend als de ontvanger daar nog niet op heeft beslist.


Lees meer  
 

Formeel recht

Rentevergoeding bij zeer late verliesverrekening?

Per 1 januari 2012 is de regeling van de heffingsrente in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen vervangen door de regeling van de belastingrente. Op grond van overgangsrecht blijven bij aanslagen vennootschapsbelasting, die betrekking hebben op tijdvakken die zijn aangevangen voor 1 januari 2012, de regels van de heffingsrente van toepassing. Volgens deze regels wordt geen heffingsrente vergoed bij een vermindering van een aanslag als gevolg van de verrekening van een verlies van een later jaar.

Bij de Hoge Raad is een procedure aanhangig over de vraag of een belastingplichtige toch recht heeft op vergoeding van heffingsrente bij verliesverrekening als deze uitzonderlijk laat heeft plaatsgevonden. De Belastingdienst had het verlies aanvankelijk te laag vastgesteld. Na een procedure werd het verlies zeven jaar later veel hoger vastgesteld, resulterend in een teruggaaf van vennootschapsbelasting van ruim € 500.000. De Belastingdienst vergoedde geen rente over dit bedrag, behoudens een bescheiden bedrag aan wettelijke rente omdat de terugbetaling niet binnen vier weken na de uitspraak van het hof had plaatsgevonden.

Nadat de rechtbank had geoordeeld dat de wettelijke regeling de vergoeding van heffingsrente niet toestaat bij een teruggaaf als gevolg van achterwaartse verliesverrekening, kende Hof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep toch een rentevergoeding toe. Het hof heeft het verzoek om vergoeding van rente beschouwd als een verzoek om schadevergoeding. Volgens het hof kon dat verzoek worden behandeld in de procedure over de verliesverrekeningsbeschikking, ondanks dat de schade werd veroorzaakt door de aanvankelijk onjuiste verliesvaststellingsbeschikking. Het hof oordeelde dat de belastingplichtige recht had op vergoeding van de wettelijke rente over de teruggaaf ingevolge de nadere verliesvaststelling.

De Advocaat-generaal (A-G) bij de Hoge Raad is het niet eens met de beslissing van het hof. Volgens de A-G had een verzoek om schadevergoeding ingediend moeten worden in de procedure over de verliesvaststellingsbeschikking, omdat daarin de onrechtmatigheid van de vernietigde beschikking duidelijk is geworden. Volgens de A-G is het niet mogelijk om een dergelijk verzoek achteraf nog te doen in de procedure over de verrekeningsbeschikking. Overigens meent de A-G dat naast de wettelijke regeling van vergoeding van heffingsrente geen ruimte is voor toekenning van schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente. De wetgever heeft de regeling van vergoeding van heffingsrente als uitputtend bedoeld. De exclusiviteit van deze regeling brengt mee dat geen schadevergoeding op grond van burgerlijk recht mogelijk is wanneer de fiscale wetgeving rentevergoeding uitdrukkelijk uitsluit.


Lees meer  
 

 


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.