Home » Nieuwsbrief » Nieuwsbrief 4 november 2021

Nieuwsbrief 4 november 2021

Ondernemingswinst

Landbouwvrijstelling niet van toepassing bij verkoop voormalig bos

In de Wet IB 2001 is bepaald dat de voordelen uit bosbedrijf niet behoren tot de winst uit onderneming. Bosbedrijf is de exploitatie van bos om hout te winnen, waarbij het intact houden van het opgaand hout op de voorgrond staat. De Wet IB 2001 bepaalt verder dat de waardeverandering van landbouwgrond niet tot de winst uit onderneming behoort. Deze landbouwvrijstelling is beperkt tot het deel van de waardeverandering dat is toe te rekenen aan de ontwikkeling van de waarde in het economische verkeer bij voortgezet gebruik in het kader van een landbouwbedrijf. Onder landbouwbedrijf wordt verstaan een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten van akker-, weide- of tuinbouw of op het fokken, mesten of houden van dieren.

De vraag in een procedure was of de landbouwvrijstelling van toepassing was op grond, die aanvankelijk was gebruikt voor de landbouw, maar vervolgens 20 jaar lang als bos was gebruikt. Na 20 jaar werd het bos gekapt en werd de grond verkocht aan een landbouwer. Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden heeft de ondernemer zijn landbouwbedrijf destijds omgezet in een bosbedrijf. De voordelen die worden behaald door de wijziging van de bestemming van grond van bosgrond in cultuurgrond vallen niet onder de bosbouwvrijstelling. De meeropbrengst bij verkoop van de grond was belast.


Lees meer  
 

Inkomstenbelasting

Zonder aanmerkelijk belang geen terbeschikkingstelling aan vennootschap

Geldleningen, die de houder van een aanmerkelijk belang verstrekt aan vennootschappen waarin hij een aanmerkelijk belang heeft of aan een samenwerkingsverband met een dergelijke vennootschap, vallen onder de terbeschikkingstellingsregeling van box 1 van de Wet IB 2001. Iemand heeft een aanmerkelijk belang als hij ten minste 5% van het geplaatste aandelenkapitaal houdt of het recht heeft om aandelen te verwerven tot ten minste 5% van het geplaatste kapitaal.

Een belastingplichtige, die een lening wilde afwaarderen ten laste van zijn inkomen in box 1, moest aannemelijk maken dat de terbeschikkingstellingsregeling van toepassing was. De lening was verstrekt aan een vennootschap in het kader van een voorgenomen participatie van de belastingplichtige of de vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang had. Voorafgaand aan de aandelenparticipatie moest een herstructurering plaatsvinden. De aandelenparticipatie is niet tot stand gekomen omdat de herstructurering vertraging had opgelopen. De geldlening zou na de herstructurering worden omgezet in aandelenkapitaal.

Volgens de rechtbank is de terbeschikkingstellingsregeling niet van toepassing. De belastingplichtige heeft de lening verstrekt aan een vennootschap waarin hij geen aanmerkelijk belang had. Ook heeft hij geen rechten verkregen om aandelen van deze vennootschap te verwerven. Verder dan een voornemen om te participeren in de vennootschap is het niet gekomen. De lening kon niet ten laste van het inkomen in box 1 worden afgewaardeerd.


Lees meer  
 

 

Arbeidsrecht

Verrekening te weinig gewerkte uren niet toegestaan

Een werkgever hield de gewerkte uren van zijn werknemers bij met een registratiesysteem, waarop de werknemers moesten in- en uitklokken. Als een werknemer korter werkte terwijl er geen sprake was van ziekte, calamiteiten- of zorgverlof, merkte de werkgever de minder gewerkte tijd aan als vakantieverlof. Extra gewerkte uren werden als overuren bij het verlofsaldo opgeteld.

Bij het einde van het dienstverband voor bepaalde tijd van een werknemer heeft de werkgever een bedrag van € 2.655 bruto voor 246 verlofuren verrekend met € 1.870 bruto voor het salaris over de laatste maand en € 1.337 bruto aan vakantiebijslag. De werknemer vorderde betaling van het volledige bedrag aan salaris en vakantiebijslag.

Volgens de kantonrechter kan een eventueel tekort aan gewerkte uren niet eenzijdig door de werkgever worden aangemerkt als opgenomen verlof. De werkgever hanteerde in de praktijk een tijd voor tijdsysteem, waarbij op een werkdag minder gewerkte uren konden worden gecompenseerd  door op een andere dag langer te werken. Op de werkgever rust bij een dergelijk systeem de zorgplicht te voorkomen dat het inhalen van niet gewerkte uren feitelijk onmogelijk wordt. Dat geldt zeker bij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.

Volgens de kantonrechter kan een werknemer niet meer verlof opnemen dan waarop hij op grond van de wet of de arbeidsovereenkomst recht heeft. Indien meer dagen verlof met behoud van loon zijn genoten zonder dat de werkgever met uitbreiding van het aantal verlofuren heeft ingestemd, komt dit in beginsel voor rekening van de werknemer en bestaat geen aanspraak op loon. Het is niet zonder meer mogelijk in een jaar teveel opgenomen verlof als het ware te compenseren met een overeenkomstige vermindering van het verlof in een volgend arbeidsjaar. Dat geldt zeker als dit ertoe zou leiden dat een werknemer minder dan het wettelijk minimum aan verlof in dat jaar kan opnemen.

De kantonrechter stelde vast dat de werknemer ten minste 14,81 dagen teveel vakantieverlof heeft opgenomen gedurende de arbeidsovereenkomst. Op de werkgever rust de plicht erop toe te zien dat geen te groot negatief verlofsaldo ontstaat. Ook binnen het tijd-voor-tijdsysteem mag het negatieve saldo niet zo groot worden dat dit tijdens het dienstverband niet meer kan worden ingehaald. Uiteraard is ook de werknemer zelf daarvoor verantwoordelijk. Volgens de kantonrechter kwam het niet volledig verrichten van de overeengekomen arbeid in dit geval niet voor rekening van de werknemer. Door de arbeidsovereenkomst niet te verlengen bij een negatief verlofsaldo van grote omvang heeft de werkgever de werknemer de gelegenheid ontnomen op een redelijke termijn de onvoldoende gewerkte uren goed te maken. De werkgever mocht geen verlofuren met de eindafrekening verrekenen.


Lees meer  
 

Bedenktermijn ontslag wederzijds goedvinden

In het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat een werknemer het recht heeft om een schriftelijke overeenkomst ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst te ontbinden. De werknemer dient daartoe binnen veertien dagen na de datum waarop de beëindigingsovereenkomst tot stand is gekomen een schriftelijke verklaring aan de werkgever te sturen. Deze verklaring heeft alleen het gewenste rechtsgevolg als deze door de werkgever binnen de bedenktermijn is ontvangen. De bedenktermijn is in de wet opgenomen om de werknemer extra bescherming te bieden. Bepalend voor de vraag wanneer de termijn is gaan lopen is het moment waarop partijen de beëindigingsovereenkomst zijn aangegaan.

In een kortgedingprocedure stelde de kantonrechter aan de hand van de e-mailcorrespondentie tussen de gemachtigden van partijen vast dat partijen op 1 maart 2021 over alle van belang zijnde punten overeenstemming hebben bereikt. Op die dag is de werknemer akkoord gegaan met de vaststellingsovereenkomst. Dat partijen met elkaar zijn overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst op 26 februari 2021 is geëindigd om de opzegtermijn zo kort mogelijk te houden, staat los van de vraag wanneer partijen feitelijk schriftelijk overeenstemming hebben bereikt, aldus de kantonrechter. De werknemer heeft op 15 maart 2021 een beroep gedaan op het recht om de vaststellingsovereenkomst te ontbinden. De vaststellingsovereenkomst is tijdig, binnen de termijn van veertien dagen, ontbonden. Het gevolg van de ontbinding is derhalve dat de arbeidsovereenkomst is blijven bestaan. De kantonrechter heeft de werkgever veroordeeld tot het nakomen van zijn verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst, waaronder betaling van het loon en emolumenten, totdat de arbeidsovereenkomst op een rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd.


Lees meer  
 

Successiewet

Aanslag erfbelasting voor rekening erfgenaam

Erfbelasting wordt geheven over de waarde van alles wat krachtens erfrecht wordt verkregen door het overlijden van iemand die ten tijde van zijn overlijden in Nederland woonde. De erfbelasting wordt geheven van de verkrijger.

De enige erfgenaam van een overledene meende, dat zij de aan haar opgelegde aanslag erfbelasting niet hoefde te betalen, omdat de executeur-testamentair het bedrag van de nalatenschap niet aan haar had betaald. De rechtbank Den Haag oordeelde anders. Gelet op de tekst van de wet is de erfgenaam over de nalatenschap erfbelasting verschuldigd. Aan die verschuldigdheid doet niet af, dat zij feitelijk niets heeft ontvangen of dat dat de executeur hoofdelijk aansprakelijk is voor de erfbelasting.

De rechtbank verlaagde de aanslag wel omdat de schatting, waarop de inspecteur de ambtshalve vastgestelde aanslag had gebaseerd, niet redelijk was. De schatting was beduidend hoger dan de uit de door de inspecteur overgelegde gegevens blijkende waarde van de nalatenschap.


Lees meer  
 

Ondernemingsrecht

Evenwichtige verdeling mannen en vrouwen in raad van bestuur en commissarissen

De wet, die bepaalt dat de verhouding tussen de aantallen mannen en vrouwen in het bestuur en de raad van commissarissen van grote naamloze en besloten vennootschappen evenwichtiger moet worden, is in het Staatsblad geplaatst. Wanneer de wet in werking treedt is nog niet bekend; dat wordt bij koninklijk besluit bepaald. De wet is van toepassing op beursgenoteerde vennootschappen en op grote, niet beursgenoteerde, vennootschappen. Een vennootschap is groot wanneer deze op twee opeenvolgende balansdata niet heeft voldaan aan ten minste twee van de volgende vereisten:

  • de waarde van de activa bedraagt, op de grondslag van verkrijgings- en vervaardigingsprijs, niet meer dan € 20 miljoen;
  • de netto-omzet over het boekjaar bedraagt niet meer dan € 40 miljoen;
  • het gemiddeld aantal werknemers over het boekjaar bedraagt minder dan 250.

Raden van commissarissen en niet-uitvoerende besturen van grote naamloze en besloten vennootschappen moeten volgens de wet ten minste voor een derde uit mannen en voor een derde uit vrouwen bestaan. Een benoeming in strijd hiermee is nietig.


Lees meer  
 

Formeel recht

Vergoeding van immateriële schade en proceskosten

Wanneer de behandeling van een belastingprocedure de daarvoor geldende redelijke termijn overschrijdt, heeft de belanghebbende recht op vergoeding van immateriële schade. Voor de behandeling van een zaak in eerste aanleg geldt als uitgangspunt een redelijke termijn van twee jaar na het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift heeft ontvangen. Voor de bezwaarfase geldt een redelijke termijn van behandeling van een half jaar en voor de beroepsfase een termijn van anderhalf jaar. De enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden volstaat zonder enige vergoeding als de procedure over een zeer gering financieel belang gaat. Dat financiële belang betreft niet alleen het bedrag aan te betalen of te ontvangen belasting, maar ook de omvang van de schadevergoeding wegens rentederving, de proceskostenvergoeding en de vordering tot vergoeding van immateriële schade. Dat volgt uit een arrest van de Hoge Raad uit 2017. Volgens dat arrest is sprake van een zeer gering financieel belang, als de som van de hiervoor genoemde bedragen niet meer beloopt dan € 15.

Onder verwijzing naar dit arrest heeft Hof Arnhem-Leeuwarden het oordeel van de rechtbank, dat in een procedure sprake was van een zeer gering financieel belang, vernietigd. De door de inspecteur en de rechtbank toegekende kostenvergoedingen in bezwaar en beroep overschreden het bedrag van € 15. Het hof heeft de belanghebbende alsnog een vergoeding voor immateriële schade toegekend. De redelijke termijn was met 60 maanden overschreden, waarvan 59 maanden betrekking hadden op de bezwaarfase. Het hof stelde de vergoeding vast op € 5.000. Daarnaast had de belanghebbende recht op een proceskostenvergoeding in hoger beroep van € 1.068.

Opmerkelijk is dat de procedure betrekking had op de vergoeding van belastingrente. Bij de uitspraak op bezwaar tegen de voldoening van bpm op aangifte had de Belastingdienst een bedrag van € 3 aan belastingrente toegekend. Bij de uitspraak op bezwaar tegen de rentebeschikking heeft de inspecteur de rentevergoeding verhoogd tot € 10 en een kostenvergoeding voor de behandeling van het bezwaar van € 254 toegekend. De rechtbank heeft het beroep tegen de uitspraak op bezwaar gegrond verklaard en het bedrag van de belastingrente vastgesteld op € 13,46. De rechtbank heeft daarbij de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten tot een bedrag van € 1.050 en van het griffierecht.


Lees meer  
 

 


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.