Nieuwsbrief 29 juli 2021

Omzetbelasting

 

Plaats van bemiddelingsdienst

 

Bemiddelingsdiensten door tussenpersonen, die handelen op naam en voor rekening van een ander, worden verricht op de plaats waar de onderliggende handelingen worden verricht. In het geval van bemiddeling bij de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst bestaat de onderliggende handeling niet uit het aangaan van die overeenkomst, maar uit de werkzaamheden die de werknemer op grond van die overeenkomst bezoldigd zal verrichten.

De bemiddeling door een in Nederland gevestigde ondernemer tussen een sporter en een buitenlandse sportclub vond volgens Hof Arnhem-Leeuwarden plaats in het buitenland. De omstandigheid dat de sporter de werkzaamheden niet in de hoedanigheid van belastingplichtige voor de omzetbelasting verricht en de bezoldiging van de sporter niet aan btw is onderworpen, is voor de beoordeling van de plaats van dienst niet van belang.  Dat volgt uit het arrest Lipjes van het Hof van Justitie EU. In dat arrest overwoog het Hof van Justitie EU dat het voor de vaststelling van de plaats van een door een tussenpersoon verrichte dienst niet van betekenis is of de handeling met het oog waarop hij heeft bemiddeld aan btw is onderworpen of niet.

Volgens de Hoge Raad getuigt het oordeel van Hof Arnhem-Leeuwarden niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het door de staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie is ongegrond. De Hoge Raad merkt op dat het hof voor de beslechting van het geschil in het midden heeft kunnen laten wie de afnemer is van de bemiddelingsdiensten (de club of de sporter).


Lees meer  
 

Aftrek voorbelasting exploitant zonnepanelen

 

Een ondernemer voor de omzetbelasting heeft in beginsel alleen recht op aftrek van voorbelasting als er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen de verwerving van een goed of dienst en een of meer door de ondernemer verrichte handelingen. Een rechtstreeks en onmiddellijk verband kan worden aangenomen als de kosten voor de betrokken goederen of diensten deel uitmaken van de algemene kosten van de ondernemer en als zodanig zijn opgenomen in de prijs van de door hem verrichte prestaties.

Bij de beoordeling of er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat, moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden waaronder de ondernemer de uitgaven heeft gedaan en de betrokken prestaties heeft verricht. De aftrek van voorbelasting is beperkt tot uitgaven die objectief verband houden met de belastbare activiteit van de ondernemer. 

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde in een procedure dat de belanghebbende de kosten voor een perceel grond en het daarop te bouwen woonhuis ook zou hebben gemaakt wanneer hij geen zonnepanelen zou hebben aangeschaft. De uitgaven zijn niet gedaan ten behoeve van het met zonnepanelen opwekken en tegen vergoeding leveren van energie. Daarop baseerde het hof het oordeel dat een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de verwerving van het perceel en de bouw van het woonhuis enerzijds en de levering van energie anderzijds ontbrak.

Volgens de Hoge Raad geeft het oordeel van het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.


Lees meer  
 

Levering bouwterrein of perceel met gebouw?

De levering van onroerende zaken en van rechten waaraan deze zijn onderworpen is als regel vrijgesteld van omzetbelasting. Er geldt een uitzondering voor de levering van gebouwen voor, op of uiterlijk twee jaren na de eerste ingebruikneming en voor de levering van een bouwterrein. Een bouwterrein is onbebouwde grond, waaraan bewerkingen plaatsvinden of hebben plaatsgevonden met het oog op bebouwing of waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is verleend.

De Belastingdienst legde een naheffingsaanslag omzetbelasting met boete op voor de levering van een perceel grond. Ten tijde van de levering stond op het perceel een muur van 96 meter lang en 2,40 meter hoog. De muur had een fundering van 2 meter diep en 1 meter breed. Daarnaast bevonden zich nog oude funderingspalen in de grond. In navolging van de rechtbank stelde Hof Den Haag vast dat geen sprake was van onbebouwde grond. Gezien de afmetingen en de functie van de muur als grondkering en als onderdeel van het te ontwikkelen project, was de muur niet ondergeschikt aan het verder onbebouwde perceel. Van de levering van een bouwterrein was geen sprake. Het hof heeft de naheffingsaanslag en de boetebeschikking vernietigd.


Lees meer  
 

Besluit uitvoer van goederen als reizigersbagage

De omzetbelasting kent een nultarief. De leverancier moet de aanspraak op het nultarief aantonen aan de hand van boeken en bescheiden, waaronder een (kopie)factuur. In het internationale reizigersverkeer kan het nultarief worden toegepast op de levering van goederen aan particulieren die buiten de EU wonen. Voorwaarden voor de toepassing van het nultarief zijn:

  • de particulier neemt de goederen binnen drie maanden na de maand van aankoop mee in zijn bagage naar een niet-EU-land;
  • de totale waarde van de op een factuur vermelde goederen bedraagt ten minste € 50 (inclusief btw); en
  • de woonplaats van de particulier is met een legitimatiebewijs aangetoond.

De regeling geldt ook voor personen die kunnen aantonen dat zij zich binnen drie maanden na de maand van aankoop van de goederen buiten de EU vestigen. De staatssecretaris heeft een besluit met het beleid van de Belastingdienst over de toepassing van het nultarief bij de uitvoer als reizigersbagage geactualiseerd.

De (kopie)factuur waarover de leverancier moet beschikken, dient te zijn voorzien van een visum door een geautomatiseerd systeem van of vanwege de bevoegde autoriteiten of door een daartoe bevoegde ambtenaar voor uitvoer uit de EU. Het visum kan zijn afgegeven door de bevoegde autoriteiten van een andere EU-lidstaat dan de EU-lidstaat waar de goederen zijn aangekocht.

De leverancier kan de uitvoer ook aantonen aan de hand van een door bemiddeling van de koper verkregen bewijsstuk waaruit blijkt dat de geleverde goederen in een land buiten de EU definitief zijn ingevoerd.


Lees meer  
 

 

Vennootschapsbelasting

 

Geen aftrek rente bij overnameholding

Voor de overname van een bv door enkele Franse investeringsfondsen werden een Nederlandse overnameholding met een dochter- en een kleindochtervennootschap opgericht. De Nederlandse overnameholding vormde een fiscale eenheid met de dochter- en kleindochtermaatschappij. De Franse investeringsfondsen stelden het voor de overname beschikbare vermogen aan de fiscale eenheid ter beschikking, deels in de vorm van eigen vermogen en deels in de vorm van vreemd vermogen. De overgenomen bv werd opgenomen in de fiscale eenheid. Daardoor kon de over het vreemde vermogen verschuldigde rente worden afgezet tegen de winst van de overgenomen bv.

Een kenmerk van deze Franse investeringsfondsen is dat zij in Frankrijk als fiscaal transparant worden aangemerkt. Daardoor werd de van de fiscale eenheid ontvangen rente niet in een zogenoemde compenserende belastingheffing betrokken. In navolging van Hof Amsterdam is de Hoge Raad van oordeel dat er, behoudens het fiscale gevolg, geen economisch relevant verschil bestaat tussen de overname met eigen vermogen en de overname waarbij eigen vermogen deels is omgezet in vreemd vermogen. De overname met tussenschakeling van Nederlandse tussenhoudsters en met een afgezien van het fiscale nutteloze leenverhouding is een gekunstelde constructie om belastingheffing te vermijden. Volgens hof en Hoge Raad is het in strijd met doel en strekking van de wet om de rente over het vreemde vermogen in aftrek toe te laten.

Voorafgaand aan de overname was door de oude aandeelhouder aan een groep werknemers van de overgenomen bv onder opschortende voorwaarden een bonus toegekend. Deze voorwaarden betroffen de overname en het nog in dienst zijn van de werknemers. De fiscale eenheid heeft in het jaar van de overname voor de bonussen een bedrag ten laste van de belastbare winst gebracht. De Hoge Raad is van oordeel dat de uitkering van de bonussen niet ten laste komt van de winst van de fiscale eenheid. Door de overname werd de fiscale eenheid met de oude aandeelhouder verbroken. Na de verbreking van de fiscale eenheid moest een vermogensopstelling van de overgenomen vennootschap worden opgesteld met inachtneming van goed koopmansgebruik en naar de toestand van het vermogen direct na de ontvoeging. De verplichting uit hoofde van de bonussen werd door de overname definitief. Dat betekent dat deze verplichting deel uitmaakte van het vermogen van de overgenomen vennootschap. De last van de bonussen hoort bij de oude aandeelhouder en kan niet bij de fiscale eenheid na de overname in aanmerking worden genomen.


Lees meer  
 

 

Arbeidsrecht

 

Loon tijdens vakantie inclusief vergoeding voor overuren?

In het Burgerlijk Wetboek is bepaald, dat een werknemer gedurende zijn vakantie recht op loon behoudt. Van deze bepaling kan niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken. De bepaling in het Burgerlijk Wetboek is bedoeld ter uitvoering van de Europese Arbeidstijdenrichtlijn. De Hoge Raad legt het begrip loon ruim uit. De Arbeidstijdenrichtlijn omvat geen expliciete regels over de hoogte van het loon waarop de werknemer tijdens vakantie recht heeft.

Het Hof van Justitie EU heeft drie belangrijke arresten gewezen over het loon tijdens vakantie. De strekking van het oudste arrest is dat de werknemer tijdens zijn vakantie zijn normale loon dient te ontvangen.

In het tweede arrest was aan de orde hoe moet worden bepaald wat het normale loon van een werknemer is als dat loon uit verschillende componenten bestaat. Volgens het Hof van Justitie EU moet in een dergelijk geval een specifieke analyse worden uitgevoerd. Alle vergoedingen die de werknemer ontvangt voor de uitvoering van de taken, die hem in de arbeidsovereenkomst zijn opgedragen, worden gerekend tot zijn globale beloning. De vergoeding van occasionele of bijkomende kosten, die worden gemaakt bij uitvoering van de taken, hoeven niet in aanmerking te worden genomen voor de berekening van het vakantieloon.

In het derde arrest heeft het Hof van Justitie EU erop gewezen dat vergoedingen voor gemaakte overuren in beginsel geen deel uitmaken van het gewone loon waarop de werknemer tijdens zijn vakantie recht heeft. Dat is anders wanneer uit de arbeidsovereenkomst de verplichting voortvloeit om regelmatig overuren te maken en de vergoeding daarvoor een belangrijk onderdeel vormt van de totale beloning van de werknemer.

De rechtbank onderzocht in een procedure van een werknemer, die nabetaling van achterstallig salaris vorderde van zijn werkgever, of de werknemer op grond van de arbeidsovereenkomst of de cao verplicht was overuren te maken, die voorzienbaar en gebruikelijk waren. Dat was niet het geval. Uit het gegeven dat de werknemer overwerk uitvoerde en uitvoert, kan volgens de rechtbank het bestaan van een verplichting daartoe niet worden afgeleid. De rechtbank stelde verder vast dat de omvang van het overwerk in een reeks van jaren zo sterk fluctueerde, dat het niet voorzienbaar en gebruikelijk was dat de werknemer overwerk verrichtte. De vordering tot nabetaling is afgewezen.


Lees meer  
 

Niet altijd transitievergoeding verschuldigd bij einde slapend dienstverband

Na de invoering van de Wet werk en zekerheid per 1 juli 2015 zijn werkgevers in beginsel verplicht om een transitievergoeding te betalen aan een werknemer bij beëindiging van het dienstverband op initiatief van de werkgever. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de werkgever moet meewerken aan de beëindiging van een slapend dienstverband onder toekenning van een vergoeding aan de werknemer ter hoogte van de wettelijke transitievergoeding. Volgens dat arrest hoeft die vergoeding niet hoger te zijn dan het bedrag van de transitievergoeding dat verschuldigd zou zijn als de werkgever de arbeidsovereenkomst had beëindigd zodra dat wegens langdurige arbeidsongeschiktheid mogelijk was. In beginsel is dat aan het einde van de wachttijd, wanneer de werkgever geen loon meer verschuldigd is. Opzegging is niet mogelijk wanneer binnen 26 weken na het einde van de wachttijd herstel van de werknemer valt te verwachten of er mogelijkheden bestaan om binnen die periode de arbeid in aangepaste vorm te verrichten. Hof Amsterdam heeft geoordeeld dat uit het arrest van de Hoge Raad blijkt dat een werkgever alleen gehouden is om een slapend dienstverband op te zeggen als hij aanspraak kan maken op compensatie van (een deel van) de transitievergoeding.

In een procedure was in geschil of de werkgever had moeten instemmen met het voorstel van een arbeidsongeschikte werkneemster tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst onder toekenning van een transitievergoeding. Partijen verschilden van mening over de vraag op welk moment de werkgever het dienstverband wegens arbeidsongeschiktheid van de werkneemster had kunnen beëindigen. Volgens de werkneemster was dat nadat zij in november 2017 door het UWV voor 80-100% arbeidsongeschikt was verklaard. De rechtbank concludeerde aan de hand van de stukken dat de werkneemster, haar behandelend arts en de bedrijfsarts haar vanaf 13 oktober 2014 volledig arbeidsongeschikt achtten. Vanaf dat moment hebben partijen het dienstverband als slapend beschouwd en was geen opzegverbod meer van kracht. De werkgever had het dienstverband dus kunnen opzeggen voor de inwerkingtreding van de Wet werk en zekerheid. Dat brengt mee dat de compensatieregeling niet van toepassing is op een eventueel aan de werkneemster uit te keren transitievergoeding. Onder die omstandigheden is de werkgever niet gehouden om op grond van goed werkgeverschap in te stemmen met een beëindigingsvoorstel van een werkneemster.


Lees meer  
 

 

Onroerende zaken

 

Tarieftoepassing onroerendezaakbelasting leeg perceel

Bij de Hoge Raad is een zaak aanhangig over de heffing van onroerendezaakbelasting van een bouwperceel, waarop bouwkundige resten aanwezig zijn. Het geschil gaat over de vraag of een dergelijk perceel kan worden aangemerkt als een woning in aanbouw of een leegstaand object met woonbestemming. Het antwoord op deze vraag is bepalend voor de toepassing van het tarief: het tarief voor woningen of het hogere tarief voor niet-woningen.

Op de waardepeildatum bevond zich op het perceel geen woning. Wel waren een oprit, erfafscheidingen en restanten van een fundering aanwezig. Ruim een jaar na de waardepeildatum werd een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een woonhuis op het perceel. Met de bouw is pas na het verlenen van de vergunning begonnen. De gemeentelijke heffingsambtenaar hanteerde het tarief voor niet-woningen. De rechtbank en het hof oordeelden dat geen sprake was van een woning in aanbouw of van een leegstaand object met een woonbestemming. Dat betekende dat terecht het tarief voor niet-woningen was toegepast.

De A-G bij de Hoge Raad merkt in zijn conclusie op dat het bouwperceel op de waardepeildatum was aan te merken als een onbebouwde onroerende zaak met een woonbestemming. Het bouwperceel is volgens het spraakgebruik niet aan te merken als een ‘woning in aanbouw’. Dat zou in strijd zijn met eerdere jurisprudentie. Daarvoor is vereist dat de feitelijke werkzaamheden zijn begonnen die moeten leiden tot stichting van een woning. Een onbebouwd perceel kan evenmin worden aangemerkt als een leegstaand object met een woonbestemming. Daarvoor is de aanwezigheid van een opstal vereist, zo valt af te leiden uit de parlementaire geschiedenis.

De conclusie van de A-G is dat het beroep in cassatie van de belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.


Lees meer  
 

 

Sociale verzekeringen

 

Opschortingsbesluit herziening WW-premie bij overwerk in 2021

Sinds 1 januari 2020 betalen werkgevers een lage WW-premie voor vaste contracten en een hoge WW-premie voor flexibele contracten. Werkgevers moeten met terugwerkende kracht de hoge WW-premie afdragen voor vaste werknemers die in een kalenderjaar meer dan 30% hebben overgewerkt. In verband met de coronacrisis is deze 30%-herzieningssituatie voor het kalenderjaar 2020 opgeschort. Het kabinet heeft toegezegd dat dit ook voor het kalenderjaar 2021 geldt. Het besluit waarin deze toezegging wordt uitgevoerd is in het Staatsblad geplaatst. De opschorting geldt voor alle sectoren.

Omdat de herziening van de premie na afloop van het betreffende kalenderjaar geschiedt binnen een periode van vijf jaar is ervoor gekozen het opschortingsartikel te laten vervallen per 1 januari 2027.


Lees meer  
 

 

Autobelastingen

 

Stimulering emissievrije personenauto’s

De staatssecretaris van Financiën heeft de Tweede Kamer geïnformeerd over de stimulering van emissievrije personenauto’s. Daarbij wordt een systematiek gehanteerd die zowel onder- als overstimulering moet voorkomen. In het Klimaatakkoord is het gewenste aantal nieuwverkopen per jaar vastgelegd. De gekozen systematiek voorkomt budgettaire excessen door het stimuleringsbeleid te begrenzen tot het afgesproken niveau in het Klimaatakkoord. Ieder jaar wordt op basis van de verkopen in de eerste vier maanden en de verkopen in het voorgaande jaar een schatting gemaakt van het aantal emissievrije nieuwverkopen in het lopende jaar.

In verband met de stijging van het bijtellingspercentage in 2022 wordt in 2021 een eindejaarspiek verwacht in de emissievrije nieuwverkopen. Dit betreft auto’s die anders in 2022 verkocht zouden worden. Omdat in 2023 de bijtelling niet verandert, zal zich eind 2022 naar verwachting geen piek in de verkopen voordoen. In de jaren 2022 tot en met 2025 verwacht de staatssecretaris een totale budgettaire overschrijding van ruim € 570 miljoen. Door onder meer lagere accuprijzen en meer divers aanbod groeit het aantal emissievrije auto’s sneller dan eerder voorzien. Deze overschrijding zal elders in de begroting moeten worden gedekt. Dit zal gebeuren bij de besluitvorming over de begroting voor 2022.


Lees meer  
 

 

Formeel recht

 

Aanslag opgelegd zonder uitkomst boekenonderzoek af te wachten

Als een belastingaanslag ten onrechte niet of tot een te laag bedrag is opgelegd, kan de Belastingdienst dat corrigeren door het opleggen van een navorderingsaanslag. Voor het opleggen van een navorderingsaanslag moet de inspecteur beschikken over een nieuw feit. Dat is een feit dat ten tijde van het opleggen van de oorspronkelijke aanslag niet bekend was of bekend had kunnen zijn bij de inspecteur. Een nieuw feit is niet vereist wanneer de belastingplichtige te kwader trouw is of in het geval van een voor de belastingplichtige kenbare fout in de oorspronkelijke aanslag.

In een procedure voor Hof Den Bosch was tussen partijen niet in geschil dat de inspecteur niet over een nieuw feit beschikte. De oorspronkelijke aanslag was opgelegd zonder de uitkomst van een door de Belastingdienst ingesteld boekenonderzoek af te wachten. De inspecteur beriep zich op kwade trouw van de belastingplichtige en op een kenbare fout. De bewijslast voor kwade trouw ligt bij de inspecteur. De navorderingsaanslag had betrekking op de verkoop van een onroerende zaak voor een te hoge prijs door een dga aan zijn vennootschap. Volgens de inspecteur was de dga, door bij de transactie een aanzienlijk hogere waarde te hanteren dan de waarde in het economische verkeer, te kwader trouw bij het doen van aangifte. Het hof was van oordeel dat de inspecteur de kwade trouw niet aannemelijk heeft gemaakt.

De dga heeft meerdere keren uitstel voor het doen van aangifte gevraagd in verband met het lopende boekenonderzoek. Door bij de aangifte een begeleidende brief mee te sturen heeft de dga de inspecteur geattendeerd op het feit dat de in de aangifte verantwoorde gegevens niet strookten met de zienswijze van de inspecteur. In de begeleidende brief heeft de dga uitdrukkelijk en gemotiveerd aangegeven waarom hij de aangifte heeft ingevuld zonder rekening te houden met de correcties. Volgens het hof kan de dga niet worden verweten dat hij niet de vereiste aangifte heeft gedaan.

De aangifte was niet geautomatiseerd afgedaan, maar individueel beoordeeld en vervolgens was de aanslag conform de aangifte opgelegd. Daarbij heeft de aanslagregelende ambtenaar de redenen waarom de aangifte niet geautomatiseerd werd afgedaan genegeerd. Dat is een inschattings- of beoordelingsfout. Een dergelijke fout kan niet worden hersteld als ware het een schrijf-, type- of overnamefout.


Lees meer  
 

 

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.