Nieuwsbrief 3 september 2026

Algemeen

Belastingdienst int € 139 miljoen bij Aanpak Verhuld Vermogen

In 2025 heeft de Belastingdienst € 139 miljoen aan belastingen en boetes geïncasseerd voor niet opgegeven inkomen en vermogen. Het gaat hierbij om belastingplichtigen die bijvoorbeeld via buitenlandse bankrekeningen of digitale financiële producten zoals cryptoactiva inkomen of vermogen buiten het zicht van de Belastingdienst willen houden. In 2025 behandelde de Belastingdienst 1.495 signalen van mogelijk verhuld vermogen. Dat is een stijging van 12,5% ten opzichte van 2024. 

De grootste opbrengsten kwamen voort uit:

  • Buitenlandse rechtspersonen (€ 66,5 miljoen). Dit zijn bijvoorbeeld buitenlandse vennootschappen of andere juridische structuren die worden gebruikt om inkomen en vermogen aan het zicht van de Belastingdienst te onttrekken.
  • Internationale gegevensuitwisseling (€ 40,6 miljoen). Dankzij de uitwisseling van financiële gegevens met andere landen ontvangt de Belastingdienst informatie die niet altijd in de aangifte is opgenomen, bijvoorbeeld over buitenlandse bankrekeningen en ander financieel vermogen.
  • Vrijwillige verbetering (€ 16,3 miljoen). Hier gaat het om belastingplichtigen die zichzelf bij de Belastingdienst melden om alsnog af te rekenen over niet eerder opgegeven inkomen of vermogen.


Lees meer  
 

Loonbelasting

Vergoeding voor ERE-certificaten is geen loon

Vanaf 2026 kunnen particulieren met een elektrische auto onder bepaalde voorwaarden een vergoeding ontvangen voor de stroom die zij thuis via hun eigen laadpaal laden. Dit gebeurt via zogenoemde ERE-certificaten (Emissiereductie-eenheden), die aantonen dat er CO₂-uitstoot is bespaard. De vergoeding voor de ERE-certificaten wordt betaald door bedrijven die fossiele brandstoffen verkopen. De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van het aantal geladen kilowattuur (kWh) en de marktwaarde van de certificaten. Werknemers die hun elektrische auto van de zaak thuis opladen, kunnen voor die geladen stroom ook een vergoeding voor de ERE-certificaten krijgen. Deze vergoeding vormt geen loon in de zin van de wet.

Loon van de werkgever

De vergoeding voor ERE-certificaten vormt geen loon van de werkgever. Dit komt doordat niet wordt voldaan aan de 'verstrekkingseis' en de 'causaliteitseis' van het loonbegrip. De vergoeding is geen voordeel in opdracht of voor rekening van de werkgever en heeft onvoldoende causaal verband met de dienstbetrekking; het behoort tot de persoonlijke sfeer van de werknemer.

Een vergoeding voor de werkelijke laadkosten van de auto van de zaak valt buiten de loonsfeer als intermediaire kosten, waarbij de ERE-certificaten de integrale kostprijs per kWh drukken. Afspraken over doorlevering van energie onder zakelijke voorwaarden kunnen de vergoeding buiten beschouwing laten. Hiervoor is immers de prijs op de energiemarkt op het moment van het maken van de afspraken tussen partijen bepalend.

Loon van derden

Ook is er geen sprake van loon van derden. Hiervoor is vereist dat het voordeel een beloning is voor werkzaamheden die de werknemer in zijn hoedanigheid van werknemer heeft verricht. Het opladen van de auto van de zaak wordt niet gezien als een werkzaamheid in dienstbetrekking, maar als een handeling van de werknemer als particuliere gebruiker van het stroomnet.


Lees meer  
 

Inkomstenbelasting

Oud taxatierapport maakt verkoop binnen eigen kring een winstuitdeling

Een vennootschap verkoopt in 2016 een voormalige slipbaan voor € 45.000 aan twee gelieerde partijen, waaronder een commanditaire vennootschap (cv) van haar eigen aandeelhouder. Twee jaar later gaat hetzelfde terrein voor € 1.215.330 naar een onafhankelijke koper. De inspecteur ziet daarin een winstuitdeling en vordert na. Het hof schat de waarde in 2016 op ten minste € 1.000.000. De aandeelhouder geniet daardoor een uitdeling van ten minste € 477.500, en de navorderingsaanslagen blijven staan.

Een terrein met geschiedenis

De vennootschap koopt het terrein in december 2006 voor € 192.000. Al in 2008 meldt zich een gegadigde die een waarde van € 700.000 oppert. In het voorjaar van 2016 gaat de aandeelhouder de cv aan, waarna een volmacht volgt om de halve slipbaan te kopen. De conceptakte van 14 april 2016 noemt € 45.000, opgebouwd uit een getaxeerde grondwaarde van € 714.000, verminderd met € 650.000 saneringskosten en € 20.000 voor het verwijderen van asfalt. De levering volgt in april 2017; de doorverkoop aan een derde in augustus 2018.

Welk jaar telt?

De aandeelhouder overlijdt in 2021; zijn nabestaanden procederen door. Zij betogen dat de wilsovereenstemming al in 2015 rond is. Het hof volgt dat niet. Een koopovereenkomst komt tot stand door aanbod en aanvaarding, en de cv ontstaat pas in 2016. De e-mails uit 2015 tonen enkel dat een taxatierapport uit 2006 en WOZ-beschikkingen naar een adviseur gaan. Een eventuele uitdeling valt dus in 2016.

Prijs van 2018

Voor de waarde in het economische verkeer neemt het hof de prijs uit 2018 als uitgangspunt. Dat die opbrengst voortkomt uit een bestemmingswijziging wordt niet onderbouwd. Het makelaarskantoor gaat in 2017 al uit van een gemeente die wil meedenken en adviseert een vraagprijs van € 1.300.000. Ook de vervuiling helpt de nabestaanden niet, want tussen 2016 en 2018 wordt niet verder gesaneerd en de koper aanvaardt de bodem zoals die is. Een eigen taxatie van € 65.000 negeert de bestemmingswijziging en is nauwelijks onderbouwd.

Bewust bevoordeeld

Bij zo'n waardeverschil staat de bevoordelingsbedoeling in beginsel vast; de nabestaanden moeten het tegendeel bewijzen. Dat lukt niet. De verkoopprijs stoelt op een taxatierapport uit 2006, terwijl uit de eigen correspondentie blijkt dat de bestuurders weten dat het rapport allang niet meer relevant is. Met het bod uit 2008 erbij kan het niet anders dan dat alle betrokkenen beseffen dat de prijs te laag is. Wie binnen de eigen kring vastgoed overdraagt, koopt met een verouderd taxatierapport geen zekerheid, maar bewijs tegen zichzelf. Laat de waarde bepalen op de transactiedatum en leg vast waarom die afwijkt van latere marktprijzen.


Lees meer  
 

Terugbetaling van kapitaal moet vooraf zijn geregeld, niet achteraf

In 2019 laat een directeur-grootaandeelhouder zijn werkmaatschappij € 116.324 uit de agioreserve op zijn privérekening storten. De inspecteur ziet daarin een verkapte uitdeling door de tussenliggende holding en legt een navorderingsaanslag op naar een verzamelinkomen van € 198.153. De aandeelhouder stelt dat hij een onbelaste terugbetaling van kapitaal bedoelt en laat de besluitvorming in 2023 alsnog repareren. Het hof oordeelt dat de wettelijke voorwaarden vóór de uitkering vervuld moeten zijn. De navordering blijft in stand.

Geld uit de agioreserve

De aandeelhouder bezit alle aandelen in een holding, die op haar beurt alle aandelen in de werkmaatschappij houdt. Op 14 oktober 2019 besluit de aandeelhoudersvergadering van de holding tot een uitkering uit de agioreserve van de werkmaatschappij. Diezelfde dag doet de werkmaatschappij aangifte dividendbelasting en kruist aan dat inhouding achterwege kan blijven. Het bedrag gaat rechtstreeks naar de privérekening van de aandeelhouder. Hij vermeldt het niet in zijn aangifte over 2019, maar geeft het in mei 2022 alsnog aan als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang, waarna de inspecteur navordert.

Reparatie in 2023

In bezwaar noemt de aandeelhouder het een terugbetaling van kapitaal. In juni 2023 volgt een reeks herstelhandelingen. De werkmaatschappij zet de agioreserve om in nominaal aandelenkapitaal, vermindert dat kapitaal weer en draagt haar vordering op de aandeelhouder over aan de holding. De holding verrekent die vordering met een dividenduitkering. In augustus 2023 maakt de aandeelhouder € 116.324 over naar de werkmaatschappij en daarmee acht hij de uitdeling teruggedraaid. Hij beroept zich bovendien op dwaling.

Wanneer is het een uitdeling?

Een regulier voordeel ontstaat zodra vermogen naar de aandeelhouder verschuift met de bedoeling hem als zodanig te bevoordelen, terwijl beide partijen zich daarvan bewust zijn of hadden moeten zijn. De aandeelhouder zit de vergadering zelf voor, notuleert die en ondertekent de aangifte dividendbelasting. Bovendien geeft hij het bedrag in 2022 zelf aan. 

Verkeerd jaar, verkeerd niveau

De wet IB verlangt voor een onbelaste terugbetaling dat de algemene vergadering daartoe besluit en dat de nominale waarde van de aandelen bij statutenwijziging met hetzelfde bedrag daalt, beide vóór de uitkering. In 2019 gebeurt geen van beide. Wat in 2023 alsnog gebeurt, valt in het verkeerde jaar en op het verkeerde niveau: bij de werkmaatschappij in plaats van de uitkerende holding. Ook het beroep op dwaling helpt niet. De terugwerkende kracht van een vernietiging geldt fiscaal niet. 


Lees meer  
 

Dochter kan dieetkosten van moeder niet aftrekken

Een jonge vrouw neemt in haar aangiften 2019 en 2020 de dieetkosten van haar moeder op als specifieke zorgkosten. Volgens haar heeft zij de aangiften op de juiste wijze ingediend, haar moeder is namelijk haar huisgenoot en ook eigenaar van de woning. Dat er dan door het systeem wordt gevraagd voor en van wie de zorgkosten zijn, moet wel voortkomen uit een softwarefout. Dit moet de Belastingdienst zelf oplossen, vindt zij. 

Huisgenoot

De inspecteur stelt dat de moeder in het normaal taalgebruik weliswaar de huisgenoot van de vrouw is, maar dat het zo niet bedoeld wordt in de aangifte. De inspecteur verwijst daarbij naar de toelichting die in de aangifte 2019 wordt gegeven op het begrip huisgenoot. Op het moment dat een ouder samen met een kind woont, kan alleen sprake zijn van huisgenoten als beiden op 31 december van het jaar ervoor 27 jaar of ouder zijn. Op 31 december 2018 is de dochter 25 jaar oud en op 31 december 2019 is de dochter 26 jaar oud. Dit betekent dat de dochter op beide momenten nog geen 27 jaar oud is. Zij had daarom bij de vraag “Had u in 2019 een huisgenoot?” het antwoord ‘nee’ moeten invullen. 

Softwarefout

Dat de vrouw vragen heeft gekregen over het verdelen van aftrekposten (doordat het aangiftesysteem uitging van fiscaal partnerschap) komt dus niet door een softwarefout, maar doordat de vrouw een onjuist antwoord heeft gegeven op een vraag. De vrouw is echter van mening dat deze fout door het systeem van de Belastingdienst komt en dat zij dit ook meermaals gemeld heeft bij de Belastingdienst. Toch heeft zij ervoor gekozen om de aangifte met een aftrek voor dieetkosten van haar moeder in te dienen. De rechtbank is van oordeel dat, of er nu sprake is van een softwarefout of niet, de vrouw er niet op kon vertrouwen dat de nadelige gevolgen (de correctie via de navorderingsaanslag) automatisch voor rekening van de inspecteur zouden komen. De inspecteur heeft daarom terecht de aftrek van de dieetkosten van de moeder gecorrigeerd bij de vrouw.


Lees meer  
 

Geruisloze inbreng mislukt

Twee bv's, die samen een maatschap vormen, besluiten in 2017 hun gezamenlijk geëxploiteerde onderneming geruisloos in te brengen in een derde bv. Tot de ingebrachte activa behoort onder andere een voor 2/3 onverdeeld aandeel in de eigendom van 31 registergoederen. Na een boekenonderzoek legt de inspecteur navorderingsaanslagen vpb op. De inspecteur stelt dat de inbreng niet geruisloos heeft plaatsgevonden, omdat de regeling niet van toepassing is op bv’s. De belaste winst bij inbreng wordt door de inspecteur vastgesteld op basis van de marktwaarden van de panden, wat resulteert in een totale belaste inbreng van € 141.591. De inspecteur rekent 50% hiervan toe aan elke bv en brengt belastingrente in rekening.

Geruisloos

De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslag terecht is. De bv's wilden de inbreng geruisloos laten plaatsvinden. Dit betekent dat de inkomstenbelastingclaim wordt doorgeschoven. De wettelijke regeling hiervoor is bedoeld voor de omzetting van een IB-onderneming in een bv. In dit geval gaat het om een inbreng tussen bv's, waardoor niet aan deze voorwaarde wordt voldaan. De inbreng kan dus niet fiscaal geruisloos plaatsvinden. 

Waardering

De waardering van de objecten door de inspecteur is onjuist. Omdat beide partijen geen taxatiewaarden hebben overgelegd, sluit de rechtbank aan bij de WOZ-waarden van de onroerende zaken. Bovendien oordeelt de rechtbank dat de bv’s ieder slechts 1/3 deel hebben ingebracht. Dit leidt tot een verdere vermindering van de belastbare winst. De inspecteur heeft terecht belastingrente in rekening gebracht, maar deze moet wel dienovereenkomstig worden verminderd.


Lees meer  
 

Omzetbelasting

Kwijtschelding akkoord, maar de bedragen niet

Een ondernemer drijft in de jaren 2016 tot en met 2018 een eenmanszaak. Over deze periode zijn naheffingsaanslagen btw opgelegd. De ondernemer is aangemerkt als gedupeerde in de kinderopvangtoeslagaffaire en heeft om die reden een herstelmaatregel ontvangen. Op 27 augustus 2024 verleent de ontvanger kwijtschelding voor de openstaande belastingschulden. De ondernemer is het eens met de kwijtschelding van de belastingschulden. Wel stelt hij dat de bedragen van de naheffingsaanslagen, en daarmee de kwijtgescholden belastingschulden, niet tot de juiste hoogte zijn vastgesteld.

Integraal kwijtgescholden

De rechtbank overweegt dat de ontvanger niet meer kon doen dan de bedragen van de vaststaande aanslagen kwijtschelden. Dat de ondernemer het niet eens is met, kort gezegd, hoe hoog de bedragen waren die zijn kwijtgescholden, kan hem in deze procedure niet baten. De verschuldigde bedragen zijn vastgesteld bij naheffingsaanslagen. Na het opleggen van deze aanslagen had de ondernemer de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen de hoogte ervan. De naheffingsaanslagen staan inmiddels vast. De ontvanger heeft deze vaststaande bedragen integraal kwijtgescholden. Op de zitting heeft de ondernemer erkend dat de ontvanger ook niet meer had kunnen doen.


Lees meer  
 

Vennootschapsbelasting

Wie een vordering afwaardeert, moet eerst bewijzen dat die bestaat

Een afwaardering van een vordering begint niet bij de vraag of de lening zakelijk is, maar bij het dossier waaruit blijkt dat de lening bestaat. Een leningsovereenkomst, een corresponderende schuld bij de debiteur en een consequente vermelding in beide aangiften zijn geen formaliteiten, maar het bewijs zelf.

Een lening uit 2006

Een vennootschap bestaat sinds 1996 en heeft één aandeelhouder. Die aandeelhouder houdt daarnaast 50% van de aandelen in de latere debiteur, die in 2006 een voormalige slipbaan koopt. Voor die aankoop verstrekt de vennootschap naar eigen zeggen een lening. Haar jaarrekening 2017 toont per eind 2016 een vordering van € 95.397, die met bijgeschreven rente van 5% oploopt tot € 147.544. Een jaar later is die post verdwenen en loopt € 142.504 als buitengewone last door de winst-en-verliesrekening. De debiteur wordt in maart 2018 ontbonden.

Bewijslast bij de inspecteur

De inspecteur laat de last niet in aftrek toe. Hij stelt het verlies bij beschikking vast op € 116.485. Volgens hem is de vordering een onzakelijke lening, want geen derde zou dit debiteurenrisico aanvaarden. De rechtbank legt de bewijslast daarvoor bij de inspecteur en oordeelt dat de inspecteur daar niet in slaagt. Het verlies gaat conform de aangifte naar € 258.989. In hoger beroep stelt de inspecteur primair dat er geen vordering is. Dat keert de bewijspositie om.

Nergens een spoor

Wie een last opvoert, moet die zelf aannemelijk maken. De jaarrekening 2017 van de debiteur vermeldt geen corresponderende schuld. In de aangiften vennootschapsbelasting over 2010 tot en met 2014 noemt geen van beide vennootschappen de lening. Ook de jaarrekening 2007 van de belastingplichtige, het jaar na de gestelde lening, toont geen vordering op de debiteur, maar alleen een deelneming en enkele kortlopende vorderingen. Dat valt niet te rijmen met een lening uit 2006 voor de slipbaan. Verdere bewijsstukken ontbreken.


Lees meer  
 

Arbeidsrecht

Ontslag op staande voet na downloaden bedrijfsdata

Een senior directeur verzendt meerdere bestanden uit de bedrijfsomgeving naar zijn privé e-mailadres. Daarnaast probeert hij het hele bestand van zijn zakelijke computer te uploaden naar een externe dienst. Dit gebeurt terwijl hij in onderhandeling is over de beëindiging van zijn dienstverband.

Dringende reden 

De kantonrechter stelt vast dat de gedragingen van de directeur in strijd zijn met de arbeidsovereenkomst en de Code of Business Conduct Policy van de werkgever. Dit is ernstig verwijtbaar en vormt een dringende reden voor ontslag op staande voet. De directeur had dit moeten weten, zeker gezien zijn positie en salaris. Hoewel de directeur aanvoert dat hij zelf is gestopt met het downloaden van bestanden, blijkt uit de overgelegde stukken dat het securitysysteem van de werkgever het downloaden heeft verhinderd en de directeur heeft geblokkeerd. Het enkel beginnen met downloaden is al ernstig verwijtbaar.

Gebrek aan openheid

Tijdens een gesprek op 19 november 2025, waarin de directeur wordt aangesproken op het mailen van bestanden, meldt hij niet dat hij diezelfde ochtend heeft geprobeerd bestanden te downloaden. Dit gebrek aan openheid schaadt het vertrouwen van de werkgever in haar directeur. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. De voormalig directeur heeft daarom geen aanspraak op de door hem verzochte vergoedingen.


Lees meer  
 

Loonbetaling aan werknemer onder bewind

Een werkgever betaalt het salaris rechtstreeks aan een werknemer. Achteraf blijkt dat de werknemer onder bewind stond en de betaling aan de bewindvoerder had moeten plaatsvinden.

Bewind en loonbetaling

Een vof exploiteert kermisattracties en heeft een werknemer in dienst. De werknemer staat sinds 2 juni 2022 onder bewind. De werknemer werkt van 1 juli 2024 tot en met 16 augustus 2024 voor de vof. De vof betaalt het salaris van € 3.810,64 bruto, inclusief 8% vakantietoeslag, rechtstreeks aan de werknemer. Op 11 februari 2026 sommeert de bewindvoerder de vof om het bedrag alsnog aan haar te betalen, maar de vof betaalt niet.

Niet-bevrijdende betaling

De bewindvoerder stelt dat de vof het loon aan de verkeerde persoon heeft betaald, waardoor de betaling niet bevrijdend is. De vof verweert zich met de stelling dat zij niet wist dat de werknemer onder bewind stond en dat de werknemer zelf de bankgegevens heeft opgegeven. Het beheer over de onder bewind staande goederen komt niet aan de werknemer maar aan de bewindvoerder toe. De werknemer was niet bevoegd de betaling in ontvangst te nemen.

Openbare registers 

De rechtbank oordeelt dat de betaling aan de werknemer niet bevrijdend is. De vof had kunnen weten dat de werknemer onder bewind stond, omdat het bewind is ingeschreven in de openbare registers. De vof blijft daarom verplicht het loon te betalen. De rechtbank wijst de vordering toe voor het netto-equivalent van € 3.810,64 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 februari 2026. De gevorderde wettelijke verhoging van 50% wordt afgewezen, omdat het loon wel tijdig aan de werknemer is betaald, zij het niet bevrijdend.


Lees meer  
 

Successiewet

Rentetoerekening aan oudste schuldigerkenning voorkomt fictieve verkrijging

Een man schenkt zijn zoon tweemaal € 100.000 via schuldigerkenningen, waarover hij jaarlijks 6% rente verschuldigd is. Voor zijn overlijden betaalt de man eenmaal € 7.000 rente zonder specificatie. De inspecteur stelt dat de rente niet volledig is voldaan, waardoor beide schenkingen fictieve erfrechtelijke verkrijgingen zijn.

Fictieve verkrijging en toerekening

Volgens de wet is sprake van een fictieve verkrijging als de erflater het genot van de geschonken goederen heeft behouden en niet jaarlijks minimaal 6% rente heeft betaald. Het hof oordeelt dat voor elke schuldigerkenning afzonderlijk moet worden beoordeeld of de rente tijdig en voldoende is betaald. Indien rentebetalingen niet zijn gespecificeerd en minder rente is betaald dan verschuldigd over alle schuldigerkenningen samen, moet de betaalde rente worden toegerekend aan de respectieve schuldigerkenningen.

Oudste verbintenis 

Het hof oordeelt dat de betaling van € 7.000 op 2 december 2020 zoveel mogelijk moet worden toegerekend aan de oudste verbintenis, de schuldigerkenning van 2019. Voor deze schuldigerkenning is de verschuldigde rente uiteindelijk tijdig voldaan. Voor de schuldigerkenning van 2020 is een deel van de rente niet tijdig betaald, waardoor deze terecht als fictieve verkrijging in de erfbelasting is betrokken. Dat de rentebetalingen niet zijn gespecificeerd in de betalingsomschrijving staat daaraan niet in de weg. 


Lees meer  
 

Ondernemingsrecht

Onjuist citaat leidt tot extra proceskosten

Een bv verkoopt aandelen in een bedrijf, maar de kopers weigeren de tweede tranche af te nemen. Zij beroepen zich op dwaling of bedrog. De rechtbank oordeelt dat het opnemen van niet-bestaande rechtspraak kwalijk is en leidt tot extra proceskosten.

Dwaling 

De bv verkoopt in 2024 100% van de aandelen aan de twee kopers. De koopprijs bedraagt € 2.100.000, met een mogelijke earn-out tot € 2.350.000. De levering van de aandelen vindt in twee tranches plaats. Na de overdracht van de eerste 50% weigeren de kopers de resterende aandelen af te nemen. De kopers stellen dat de koopovereenkomst onder invloed van dwaling of bedrog tot stand is gekomen. Zij beweren dat de verkoper onjuiste inlichtingen heeft verstrekt over de omzet van het bedrijf en de mededelingsplicht heeft geschonden. De prognose voor 2024 en 2025, die een winst van € 405.000 voorspelde voor de tweede helft van 2024, bleek later een verlies van € 36.500. De rechtbank oordeelt echter dat een realistische prognose geen harde voorwaarde was voor de koopovereenkomst. De prognose is pas opgesteld nadat partijen overeenstemming hadden bereikt over de koopprijs en diende voor een financieringsaanvraag bij de bank. De kopers moeten alsnog meewerken aan de levering van de resterende aandelen tegen betaling van € 1.050.000 plus wettelijke rente.

Onjuist citaat en proceskosten

In de conclusie van antwoord nemen de kopers een volledig onjuist citaat op uit een arrest van de Hoge Raad. De verkoper stelt dat dit mogelijk door artificial intelligence is gegenereerd. Hoewel de oorzaak onduidelijk blijft, acht de rechtbank het als citaat opnemen van niet-bestaande rechtspraak kwalijk. Dit heeft zowel de verkoper als de rechtbank nodeloos extra tijd en aandacht gekost. De rechtbank begroot de daarmee gemoeide kosten op een halve punt in de proceskostenveroordeling, wat neerkomt op € 2.315,50.


Lees meer  
 

Overige heffingen

Toeristenbelasting: geen schending gelijkheidsbeginsel bij gratis camperplaats

Een ondernemer exploiteert een camping waar gasten tegen betaling overnachten. De gemeente biedt in het centrum een gemeentelijke camperplaats aan, waar campers gratis mogen verblijven. De heffingsambtenaar van de gemeente legt de ondernemer een aanslag toeristenbelasting van € 1.275 op voor het jaar 2023. De ondernemer stelt dat de heffingsambtenaar het gelijkheidsbeginsel schendt door wel toeristenbelasting te heffen op de camping, maar niet op de gemeentelijke camperplaats. Het gelijkheidsbeginsel vereist dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld, tenzij er objectieve en redelijke gronden zijn om af te wijken.

Gelijkheidsbeginsel 

De rechtbank oordeelt dat er sprake is van gelijke gevallen, omdat toeristenbelasting bedoeld is als tegemoetkoming in de kosten die een gemeente maakt in het belang van toerisme. Vanuit dit perspectief is er geen relevant verschil tussen betaald overnachten op een camping en gratis overnachten op een gemeentelijke camperplaats. Echter, de rechtbank vindt dat er objectieve en redelijke gronden zijn voor de ongelijke behandeling. De keuze om uitsluitend toeristenbelasting te heffen voor overnachtingen tegen een vergoeding, biedt voordelen voor de uitvoerbaarheid en controleerbaarheid van de heffing. De rechtbank acht het redelijk dat toeristenbelasting alleen wordt geheven als kan worden aangesloten bij overnachtingen waarvoor een vergoeding wordt gerekend en waarvan doorgaans een administratie wordt bijgehouden. 


Lees meer  
 

Formeel recht

Gemiste aangifte maakt beroep op aanslagtermijn kansloos

Een man die in Zweden woont, bezit meerdere Nederlandse onroerende zaken. Over de jaren vóór en na 2016 dient zijn gemachtigde steeds zogenoemde spontane aangiften inkomstenbelasting in, zonder dat de Belastingdienst eerst een aangiftebiljet heeft uitgereikt. Voor 2016 gaat het echter mis. De aangifte wordt volgens de gemachtigde wel voorbereid, maar uiteindelijk niet verzonden. Daardoor wordt geen aangifte ingediend en legt de Belastingdienst ook geen primitieve aanslag op.

Aanslagtermijn 

Als de fout in 2021 aan het licht komt, legt de inspecteur alsnog een navorderingsaanslag op voor het Nederlandse box 3-vermogen. Volgens de man had de Belastingdienst echter al voor het verstrijken van de aanslagtermijn kunnen weten dat hij Nederlands vastgoed bezit. In de aangiften over 2013, 2014, 2015, 2017 en 2018 zijn immers dezelfde panden opgenomen. De inspecteur had volgens hem daarom onderzoek moeten doen en tijdig een primitieve aanslag moeten opleggen. Als de Belastingdienst die mogelijkheid laat verlopen, kan dat verzuim volgens vaste rechtspraak niet via navordering worden hersteld.

Onderzoeksplicht 

Volgens het hof is de man verplicht om zelf te verzoeken om een uitnodiging tot het doen van aangifte, wanneer geen aangiftebiljet wordt uitgereikt. Het feit dat de gemachtigde uitstel heeft aangevraagd via de beconregeling, betekent volgens het hof niet dat daarmee automatisch ook om een aangiftebiljet wordt verzocht. Een verzoek om uitstel is iets anders dan een verzoek om een uitnodiging tot het doen van aangifte. Het hof oordeelt bovendien dat de inspecteur in deze situatie geen zelfstandige onderzoeksplicht heeft. Anders dan bij een lopend boekenonderzoek of een reeds ontvangen aangifte bestaat op dat moment geen concrete aanleiding voor nader onderzoek. Dat de Belastingdienst uit eerdere aangiften kan afleiden dat de belastingplichtige Nederlands vastgoed bezit, maakt dat volgens het hof niet anders.


Lees meer  

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.