Loonbelasting
Hoge Raad: inkorten 30%-regeling was rechtmatig
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de verkorting van de maximale looptijd van de 30%-regeling per 2019 rechtmatig is en niet in strijd met algemene rechtsbeginselen, het zorgvuldigheids-, rechtszekerheids-, evenredigheids- of gelijkheidsbeginsel. Ook het beperkte overgangsrecht dat hierbij geldt, wordt niet als onrechtmatig beschouwd. De wetswijziging en het daarbij horende overgangsrecht vallen binnen de ruime beoordelingsmarge van de wetgever.
Daarnaast heeft de Hoge Raad het beroep op artikel 1 van het EVRM (dat eigendomsrechten beschermt) verworpen. De verwachting dat de 30%-regeling gedurende de termijn op de beschikking zou gelden, kan niet worden aangemerkt als bestaand eigendom of legitieme verwachting die door dit artikel wordt beschermd. Temeer omdat in de beschikking is vermeld dat zij geldig is onder voorbehoud van wijziging in wet- en regelgeving. Het overgangsrecht is niet in strijd met non-discriminatiebepalingen in nationale of internationale verdragen.
De klacht dat de wetswijziging discriminatie oplevert op basis van de datum van aanwerving en toepassing van de regeling is eveneens verworpen. De Hoge Raad vindt de keuze van de wetgever voor een verkorte looptijd van de 30%-regeling en een beperkt overgangsrecht gerechtvaardigd.
Werknemer verdient meer dan dga: naheffing terecht
Voor de jaren 2021, 2022 en 2023 doet een holding loonaangifte. Hierin stelt zij het loon van de dga vast op ruim € 80.000. Enkele jaren later legt de inspecteur naheffingsaanslagen op. Binnen het administratiekantoor, waarvan de holding 55% van de aandelen heeft, werkt iemand die 25% van de aandelen heeft. Deze werknemer heeft een hoger loon dan de dga. Daarom baseert de inspecteur het gebruikelijk loon van de dga op dat van die werknemer.
Vergelijkbare dienstbetrekking
De bv is het hier niet mee eens. Zij stelt op basis van een eigen salarisonderzoek dat het originele, lagere loon van de dga passend is. Hierbij wordt een algemeen directeur van een administratiekantoor als de meest vergelijkbare functie gezien. Volgens de bv valt het uitbetaalde loon binnen de gehanteerde bandbreedte van € 5.500 tot € 7.000 bruto per maand (oftewel tot maximaal € 72.000 per jaar). Dit zou passen bij de werkzaamheden van de dga, zoals de beperkte commerciële taken en de focus op interne bedrijfsvoering.
Doelmatigheidsmarge
Voor de jaren 2021 en 2022 wijst de bv op de doelmatigheidsmarge van 25%, die destijds van toepassing was. Ook als het loon van de meestverdienende werknemer als uitgangspunt zou worden genomen, zou hiermee volgens de bv aan de wettelijke norm worden voldaan.
Werkzaamheden van de dga
De bv benadrukt de aard en omvang van de werkzaamheden van de dga binnen het administratiekantoor. Hoewel die een verantwoordelijke rol heeft, ziet de bv geen reden om het loon te verhogen tot het niveau van de werknemer. Volgens de bv komen de taken en verantwoordelijkheden qua aard niet overeen.
Beroep ongegrond
Deze argumenten worden echter door de rechtbank verworpen. Het bewijs dat de bv aanvoert over de meest vergelijkbare dienstbetrekking en de bijbehorende loonhoogte wordt als onvoldoende concreet beschouwd. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de doelmatigheidsmarge niet van toepassing is, omdat het loon van een werknemer met een aanmerkelijk belang niet als vergelijkingsbasis mag worden gebruikt. Al met al verklaart de rechter de beroepen van de bv ongegrond.
Inkomstenbelasting
Forfaitaire rendementen banktegoeden en schulden 2025
De staatssecretaris van Financiën heeft de forfaitaire rendementspercentages in box 3 voor banktegoeden en schulden voor het jaar 2025 vastgesteld. Voor banktegoeden bedraagt het forfaitaire rendement 1,37%. Voor schulden is het forfaitaire rendement vastgesteld op 2,70%. Deze rendementen vervangen met terugwerkende kracht tot 1 januari 2025 de in de wet opgenomen rendementen van 1,44% en 2,61%.
Ongerealiseerd rendement onderdeel werkelijk rendement box 3
Een man doet aangifte inkomstenbelasting over 2020 en 2021. Uit zijn aangifte blijkt dat hij een aanzienlijk inkomen uit sparen en beleggen (box 3) heeft. De Belastingdienst legt een aanslag op die gebaseerd is op de ingediende aangifte. De man gaat hiertegen in bezwaar, waarop de inspecteur, met inachtneming van het kerstarrest, de aanslag verlaagt. De man blijft echter van mening dat zijn werkelijke rendement lager is dan het berekende rendement en gaat in beroep. Ter onderbouwing van zijn werkelijk rendement vult hij voor beide jaren formulieren ‘opgaaf werkelijk rendement’ (OWR) in.
De rechtbank beoordeelt deze opgaven en stelt dat de man een onjuiste aanpak hanteert. De man houdt namelijk ten onrechte geen rekening met vermogenswinsten op de effectendepots en met het gerealiseerde en ongerealiseerde rendement van de overdracht van een zakelijke effectendepot naar privé. Volgens eerdere rechtspraak van de Hoge Raad moeten dergelijke winsten wel worden meegenomen bij de berekening van het werkelijke rendement. Daarom concludeert de rechtbank dat het forfaitaire rendement, zoals vastgesteld in de aanslagen, correct is.
Schadevergoeding op privérekening is afkoop pensioen
Een bv ontvangt een schadevergoeding van bijna zeven ton na een civiele procedure. Het bedrag wordt gestort op de privérekening van de dga. De inspecteur merkt dit aan als een onttrekking aan het vermogen van de bv en een deel daarvan als afkoop van pensioen in eigen beheer. De dga stelt dat de schadevergoeding helemaal niet aan de bv toekomt. Bovendien betwist hij dat de aanslag tijdig is opgelegd. Houdt de aanslag stand?
Schadevergoeding
Een dga houdt alle aandelen in een bv die een pensioenverplichting jegens hem heeft. De fiscale balanswaarde van deze verplichting bedraagt bijna € 230.000. De bv lijdt schade door bouwwerkzaamheden van een bouwbedrijf. Na een civiele procedure en het faillissement van het bouwbedrijf sluiten partijen een vaststellingsovereenkomst. De bv ontvangt een schadevergoeding van bijna € 700.000. Dit bedrag wordt echter gestort op een bankrekening van de dga zelf. De inspecteur legt een aanslag inkomstenbelasting op en merkt een deel van de onttrekking aan als afkoop van pensioenaanspraken. De dga betwist dat de schadevergoeding tot het vermogen van de bv behoort. Daarnaast stelt hij dat de aanslag te laat is opgelegd. De inspecteur heeft namelijk een informatiebeschikking gegeven, waardoor de aanslagtermijn is verlengd. Volgens de dga is dit misbruik van bevoegdheid.
Onttrekking
Het hof oordeelt dat de aanslag tijdig is opgelegd. De normale aanslagtermijn van drie jaar is verlengd met de duur van het verleende uitstel én met de periode tussen de informatiebeschikking en het onherroepelijk worden daarvan. Van misbruik van bevoegdheid is geen sprake, omdat het hof in een eerdere procedure al heeft geoordeeld dat de informatiebeschikking terecht is gegeven. Ten aanzien van de schadevergoeding staat inmiddels tot aan de Hoge Raad vast dat deze een belastbare bate is voor de bv. Nu het bedrag op de privérekening van de dga is gestort en hij niet voornemens is dit terug te betalen, heeft hij het vermogen aan de bv onttrokken. Het hof oordeelt dat de dga een deel van dit bedrag heeft onttrokken als afkoop van pensioen in eigen beheer. De afkoopwaarde is terecht als loon uit vroegere dienstbetrekking belast.
Afkoop pensioen
Deze uitspraak laat zien dat een onttrekking aan de bv kan worden aangemerkt als afkoop van pensioen in eigen beheer. Het maakt niet uit of de dga de onttrekking zelf zo heeft bedoeld. Beslissend is dat de dga een bedrag aan de bv onttrekt, terwijl de bv een pensioenverplichting jegens hem heeft. Geldstromen van de bv naar privé kunnen fiscaal worden gekwalificeerd als afkoop van een pensioen in eigen beheer, met alle gevolgen van dien.
Vennootschapsbelasting
Geen aftrek voor fiscale eenheid omdat onderneming deelneming al was beëindigd bij voeging
Een bv houdt een deelneming in een op Isle of Man gevestigde Ltd die een jacht verhuurt. De Ltd wordt geliquideerd en de moedermaatschappij van de fiscale eenheid wil ruim € 6 miljoen liquidatieverlies in aftrek brengen. De inspecteur weigert de aftrek. De onderneming van de Ltd was volgens hem al gestaakt toen de bv in de fiscale eenheid werd gevoegd. Het liquidatieverlies kan dan alleen worden afgezet tegen de winst van die bv zelf.
Van luxejacht naar liquidatie
De Ltd exploiteert sinds 2005 een jacht. De activiteiten bestaan uit verhuur aan gelieerde partijen en derden. De Ltd is vanaf de oprichting structureel verlieslatend. Een Nederlandse bv verstrekt leningen aan de Ltd om de verliezen te compenseren en zet deze in 2013 om in kapitaal. In 2017 wordt het jacht nog slechts verhuurd aan de aandeelhouder en een gelieerde partij. Vanaf augustus 2017 tot april 2018 vindt geen verhuur plaats. Per 1 april 2018 wordt de bv gevoegd in een fiscale eenheid. In december 2018 wordt het jacht verkocht aan de aandeelhouder. De Ltd wordt op 4 november 2019 ontbonden zonder liquidatie-uitkering.
Zes miljoen aftrek of nul?
De moedermaatschappij van de fiscale eenheid claimt een liquidatieverlies van ruim € 6 miljoen en wil dit verrekenen met de winst van de gehele fiscale eenheid. De inspecteur stelt dat het liquidatieverlies slechts in aftrek kan komen voor zover de winst is toe te rekenen aan de bv die de deelneming hield. De onderneming van de deelneming is geheel of nagenoeg geheel gestaakt op het moment van voeging in de fiscale eenheid.
Geen verhuur, geen onderneming
De rechtbank oordeelt dat het aan de moedermaatschappij is om te bewijzen dat de onderneming van de Ltd nog niet geheel of nagenoeg geheel was gestaakt op het voegingstijdstip. De moedermaatschappij betoogt dat de omzet niet tot minder dan 10% is teruggelopen en stelt inspanningen te hebben verricht om het jacht te verhuren, maar levert daarvoor geen bewijs. Het liquidatieverlies kan daarom alleen in aftrek komen voor zover de winst aan de bv is toe te rekenen. Die bv behaalde in 2019 echter een negatief resultaat, zodat het liquidatieverlies niet in aftrek komt.
Successiewet
Bezitseis BOR geldt per aandelenpakket afzonderlijk
Een echtpaar houdt sinds 1986 respectievelijk 51% en 49% van de aandelen in een holding. Tussen hen bestaat geen gemeenschap van goederen. Na het overlijden van de man in 2016 verkrijgt de vrouw zijn 51%-pakket. Vanaf dat moment houdt zij 100% van de aandelen. In 2020 volgt een juridische splitsing, waarbij een deel van het vermogen wordt afgesplitst naar een nieuw opgerichte bv. De vrouw schenkt op dezelfde dag alle aandelen in deze nieuwe bv aan haar dochter.
BOR
De dochter doet een beroep op de BOR voor het volledige aandelenpakket. De inspecteur wijst dit gedeeltelijk af. Hij past de BOR slechts toe op 49% van de aandelen, omdat moeder de overige 51% nog geen vijf jaar in bezit had op het moment van de schenking. De dochter stelt dat de wet niet vereist dat het gehele geschonken pakket vijf jaar in bezit moet zijn geweest. Daarnaast beroept zij zich op het doel en de strekking van de BOR: moeder verkreeg de 51% immers krachtens erfrecht van vader, die de aandelen zelf decennialang hield.
Bezitseis
Het hof oordeelt dat de tekst van de wet duidelijk is. Deze vereist dat de schenker de geschonken aandelen gedurende vijf jaar voorafgaand aan de schenking onafgebroken in bezit heeft gehad. Moeder voldoet aan deze eis voor het 49%-pakket dat zij sinds 1986 houdt, maar niet voor de 51% die zij pas in 2017 verkreeg. De BOR is daarom slechts van toepassing op 49% van de schenking. Het hof komt niet toe aan een uitleg naar het doel en de strekking van de BOR, omdat de wettekst geen ruimte voor twijfel laat. De Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting voorziet weliswaar in uitzonderingen op de bezitseis, maar niet in een situatie als deze waarin de schenker binnen vijf jaar vóór de schenking aandelen krachtens erfrecht verkrijgt.
Subsidies
In september opent nieuwe subsidieronde voor duurzame energie
Vanaf 22 september gaat de subsidieregeling Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++) opnieuw van start. Met deze regeling ondersteunt het kabinet projecten die duurzame energie produceren of de uitstoot van broeikasgassen verminderen. Voor deze openstellingsronde is een budget van € 8 miljard beschikbaar.
Nieuwe categorieën
De meeste categorieën in de komende openstellingsronde blijven vergelijkbaar met eerdere jaren, zoals zonne-energie, aardwarmte, waterstof en CO₂-afvang en -opslag.
Daarnaast heeft het PBL geadviseerd om ook enkele nieuwe categorieën aan de regeling toe te voegen. Dit gaat bijvoorbeeld om projecten voor zonne-energieprojecten langs wegen en spoor, zodat gestimuleerd wordt dat onbenutte grond voor deze projecten wordt gebruikt. Daarnaast worden de mogelijkheden voor zogenoemde ‘procesgeïntegreerde warmtepompen’ uitgebreid. Dit zorgt er bijvoorbeeld voor dat de inzet van aardgas verder kan worden voorkomen. Daarnaast wordt er gekeken naar twee nieuwe categorieën: CO₂-afvang en -opslag met koolstofarme waterstof.
Autobelastingen
Geen keuring, geen vrijstelling mrb
De APK-vrijstelling is een uitzondering in de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (mrb). Deze vrijstelling maakt het mogelijk om met een geschorst voertuig gebruik te maken van de openbare weg in verband met de Algemene Periodieke Keuring (APK). De belangrijkste voorwaarde is dat het voertuig op de dag van de overtreding daadwerkelijk wordt aangeboden voor een keuring. Daarnaast moet de route rechtstreeks naar de plaats van de keuring en weer terug zijn. Als niet aan deze voorwaarden is voldaan, wordt de vrijstelling niet verleend. Dit betekent dat er alsnog mrb verschuldigd kan zijn.
Geen APK
Een man stalt in 2023 zijn auto en laat het kenteken schorsen. In juni 2024 maakt hij een afspraak bij de garage voor een APK-keuring. Daar blijkt dat de auto eerst een aantal dure reparaties nodig heeft, voordat de keuring kan plaatsvinden. Omdat de man deze kosten niet direct kan betalen, besluit hij de keuring uit te stellen en brengt hij de auto de volgende dag terug naar de stalling. Enkele weken later ontvangt de man een naheffingsaanslag mrb van vier kwartalen met boete.
Geringe overtreding
De rechtbank heeft begrip voor de situatie van de man, omdat een wanverhouding is ontstaan tussen het verzuim (op 11 en 12 juni 2024 gebruikmaken van de openbare weg) en de gevolgen (naheffing over de periode van een jaar). Hij heeft immers ook laten zien dat de auto tussen 27 februari 2023 en 11 juni 2024 in een stalling heeft gestaan. De heffingsperiode is dus aanzienlijk langer dan de periode waarin niet aan de schorsingsvoorwaarden is voldaan. Heffing over die langere periode acht de rechtbank niet evenredig.
Naheffingsaanslag blijft
Dit betekent echter niet dat ook de juridische ruimte bestaat om de naheffingsaanslag te verminderen. De wetgever heeft weloverwogen gekozen voor een regeling zonder mogelijkheid van tegenbewijs. Van een niet door de wetgever voorziene hardheid of ruwheid van de regeling is geen sprake. De rechtbank acht zich daarom niet bevoegd de bepaling buiten toepassing te laten. De naheffingsaanslag blijft dus in stand.
Geen boete
De rechtbank vindt wel dat de geringe ernst van de overtreding een boete onterecht maakt en matigt deze tot nihil. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de man zich juist aan de regels wilde houden, maar dat het door de hoge reparatiekosten anders is gelopen.
Formeel recht
Collectieve uitspraak massaal bezwaar belastingrente
Onlangs heeft de inspecteur van de Belastingdienst collectief uitspraak gedaan op de bezwaren die vallen onder de massaal bezwaarprocedures tegen de hoogte van het belastingrentepercentage. De collectieve uitspraken volgen op de Kamerbrief van 13 februari 2026, waarin is aangekondigd dat de inspecteur deze beslissing zou nemen.
Inkomstenbelasting en andere belastingen
De inspecteur heeft de bezwaren tegen de hoogte van het belastingrentepercentage voor de inkomstenbelasting en andere belastingen afgewezen. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 16 januari 2026 aangegeven dat het algemene rentepercentage mag worden toegepast voor de inkomstenbelasting en andere belastingmiddelen. Hiermee is het standpunt van de Belastingdienst bevestigd. Bezwaarmakers ontvangen geen individuele uitspraak. Personen die uitstel van betaling hebben gekregen in verband met het bezwaar, ontvangen een brief waarin staat dat dit uitstel afloopt. Tegen deze collectieve uitspraak is geen beroep mogelijk.
Vennootschapsbelasting
De inspecteur wijst alle bezwaren toe die onder de massaal bezwaarprocedure vallen. De Belastingdienst stuurt binnen zes maanden na de collectieve uitspraak een vermindering met een aangepast bedrag aan belastingrente. Bezwaarmakers ontvangen geen individuele reactie.
Nog geen bezwaar gemaakt?
Wanneer een aanslag vennootschapsbelasting is ontvangen met een onjuist, te hoog belastingrentepercentage, kan dit aanleiding zijn om bezwaar te maken. Of dat nog mogelijk of nodig is, hangt af van de datum die op de aanslag staat. Hieronder staat per periode wat de situatie betekent voor de aanslag en welke stappen eventueel nodig zijn.
17 januari 2026 t/m 7 februari 2026
Voor aanslagen binnen deze periode kan de Belastingdienst een verkeerd belastingrentepercentage hebben toegepast. Als dat zo is, wordt dit automatisch hersteld. Er is geen actie nodig. De Belastingdienst stuurt hierover een apart bericht.
5 december 2025 t/m 16 januari 2026
In deze periode kan een onjuist belastingrentepercentage zijn gebruikt. Wanneer vermindering van de belastingrente gewenst is, moet bezwaar worden ingediend binnen de wettelijke bezwaartermijn. Als die termijn inmiddels is verstreken, kan een verzoek om vermindering worden gedaan.
4 december 2025 of eerder
Voor aanslagen met deze datum is het niet meer mogelijk om het gehanteerde belastingrentepercentage aan te passen. Bezwaar of een verzoek om vermindering heeft in deze gevallen geen effect op het belastingrentepercentage.
Reactie plaatsen
Reacties