Home » Nieuwsbrief » Nieuwsbrief 17 maart 2022

Nieuwsbrief 17 maart 2022

Algemeen

Aanvullende koopkrachtmaatregelen 2022

Het kabinet heeft een aantal maatregelen aangekondigd in verband met de gestegen energieprijzen.

Ongeveer 800.000 huishoudens met een inkomen op of net boven het sociaal minimum kwamen al in aanmerking voor een tegemoetkoming van circa € 200. De gemeenten keren deze bedragen uit. Het kabinet verhoogt dit bedrag met € 600. De btw op energie (aardgas, elektriciteit en stadsverwarming) wordt per 1 juli 2022 tijdelijk verlaagd van 21 naar 9%. Deze maatregel geldt tot 1 januari 2023. Het kabinet is in gesprek met de energiebranche om het effect van de verlaging zo snel mogelijk bij huishoudens terecht te laten komen. De accijns op benzine en diesel wordt per 1 april tijdelijk verlaagd met 21%. Als gevolg daarvan daalt het accijnstarief van benzine met 17,3 cent en het accijnstarief van diesel met 11,1 cent per liter. De accijnsverlaging gaat ook gelden voor lng en lpg. Voor deze brandstoffen bedraagt de accijnsverlaging 4,1 cent per liter. De verlaging van de accijnzen geldt tot 1 januari 2023.

In het najaar is door het vorige kabinet € 150 miljoen beschikbaar gesteld aan gemeenten om kwetsbare huishoudens te ondersteunen bij het nemen van energiebesparende maatregelen. In aanvulling daarop wordt nogmaals € 150 miljoen beschikbaar gesteld uit de middelen die in het Coalitieakkoord zijn gereserveerd voor energiebesparing van huishoudens.

Om het effect van de stijgende energieprijzen ook in het Caribisch deel van het Koninkrijk te dempen wordt € 5 miljoen beschikbaar gesteld.


Lees meer  
 

Loonbelasting

Geen beroep in cassatie tegen uitspraak privégebruik auto

De staatssecretaris van Financiën heeft besloten geen beroep in cassatie in te stellen tegen een uitspraak van Hof Den Haag over de bijtelling voor privégebruik van een auto van de zaak. Bijzonder aan de casus was dat de belanghebbende en zijn echtgenote voor dezelfde werkgever werkten. Beiden hadden de beschikking over een auto van de zaak. De auto van de belanghebbende werd niet privé gebruikt; de auto van de echtgenote wel. Na het overlijden van de echtgenote leverde de belanghebbende zijn auto in en maakte hij gebruik van de auto, die tot aan haar overlijden aan zijn echtgenote ter beschikking was gesteld. Omdat de belanghebbende op jaarbasis meer dan 500 km privé reed, werd hem een naheffingsaanslag opgelegd vanwege de bijtelling voor privégebruik over het hele jaar. Volgens het hof moest de bijtelling in redelijkheid worden verdeeld over de belanghebbende en zijn echtgenote.

Volgens de staatssecretaris heeft het hof op basis van de vastgestelde feiten kunnen oordelen dat de auto, die door de overleden echtgenote tot halverwege het jaar werd gebruikt voor haar woon-werkverkeer en door beide echtgenoten voor privéritten, in feite aan de belanghebbende en zijn echtgenote samen ter beschikking was gesteld. Omdat de belanghebbende na het overlijden van zijn echtgenote alleen deze auto heeft gebruikt, heeft het hof de bijtelling terecht beperkt tot deze auto.

De staatssecretaris merkt op, dat als sprake zou zijn geweest van een situatie waarin de ene auto exclusief aan de vrouw en de andere auto aan de man ter beschikking was gesteld, bij de man wel voor het hele jaar een afzonderlijke bijtelling zou dienen plaats te vinden, omdat hij dan op jaarbasis met de aan hem ter beschikking gestelde auto’s meer dan 500 kilometer privé had gereden.


Lees meer  
 

Loonbelasting afgedragen over onbelaste schadevergoeding

Aan een voormalige politiemedewerker is in 2017 een schadevergoeding uitgekeerd wegens verlies van arbeidsvermogen. De vergoeding bedroeg € 315.363 netto. Bij de uitbetaling heeft de werkgever de vergoeding gebruteerd en € 394.914 afgedragen als loonheffing.

De vraag in een procedure was of het bedrag van € 394.914 belastbaar loon vormde, omdat de netto vergoeding niet tot het loon behoorde. Volgens Hof Den Haag is dit bedrag niet verstrekt om het verlies aan arbeidskracht van de belanghebbende te vergoeden, maar om hem in staat te stellen de belasting te voldoen over de vergoeding wegens het verlies aan arbeidskracht. Omdat dit bedrag geen vergoeding van het verlies aan arbeidskracht of een vergoeding van immateriële schade vormde, moest dit bedrag tot het belastbare loon worden gerekend.

In cassatie werd aangevoerd dat de werkgever het bedrag van € 394.914 niet zal terugvorderen als onverschuldigd betaald. De reden voor het niet terugvorderen is een vermindering van het leed van de belanghebbende. Volgens de belanghebbende vormt dit bedrag daardoor geen beloning voor door hem verrichte werkzaamheden, maar is het een compensatie voor door hem ervaren leed. Dit standpunt is niet in de procedure voor het hof ingenomen en zou een feitelijk onderzoek vragen. De cassatieprocedure biedt geen mogelijkheid voor een feitelijk onderzoek.

De Hoge Raad merkt nog op dat voor de beoordeling of een betaling door een werkgever aan een werknemer als loon moet worden aangemerkt, de situatie op het tijdstip van de betaling beslissend is. Uit de door het hof vastgestelde feiten kan niet anders worden afgeleid dan dat de werkgever vanwege de tussen hem en de belanghebbende bestaande dienstbetrekking het bedrag van € 394.914 heeft betaald als vergoeding van belastingschade. De werkgever heeft ten onrechte aangenomen dat over de vergoeding van immateriële schade loonbelasting verschuldigd was. Daaruit volgt dat de betaling van dit bedrag, ofschoon onverschuldigd, haar grond vindt in de dienstbetrekking.

Het beroep in cassatie is ongegrond verklaard.


Lees meer  
 

Recht op indexatie prijsgegeven?

Een pensioenaanspraak wordt geheel of gedeeltelijk prijsgegeven als de pensioengerechtigde door een gedraging of uiting jegens de pensioenuitvoerder te kennen geeft dat hij definitief afziet van zijn recht op het pensioen of van een deel daarvan. Het gevolg van het prijsgeven van een pensioenaanspraak is dat de waarde van de aanspraak wordt aangemerkt als loon en wordt belast.

Hof Den Haag oordeelde in een procedure dat het recht op na-indexatie is vervallen door de overdracht van een pensioenverplichting. Het hof heeft dat oordeel gebaseerd op een mededeling van de overdragende partij. Deze partij was bereid de koopsom voor de overdracht te verhogen met een kostenopslag mits de pensioengerechtigde zou afzien van de wens tot indexering van zijn pensioenaanspraken vanaf datum uitdiensttreding tot en met datum ingang pensioen. De pensioenbrief is na de overdracht niet aangepast en bevatte nog steeds het voorwaardelijke recht op na-indexatie.

Volgens de Hoge Raad is het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk. De omstandigheid, dat bij de overdracht van de pensioenverplichting geen rekening is gehouden met de in de pensioentoezegging opgenomen verplichting tot na-indexatie, betekent niet dat de pensioengerechtigde zijn recht op na-indexatie heeft prijsgegeven. De Hoge Raad vindt van belang dat het hof niet heeft vastgesteld of de pensioengerechtigde de door de overdragende partij gestelde voorwaarde heeft geaccepteerd. Hof Amsterdam moet de zaak nu verder behandelen.


Lees meer  
 

Overdrachtsbelasting

Ondanks gedeeltelijke sloop is karakter woning niet verloren gegaan

In het jaar 2018 gold voor de verkrijging van een woning een tarief voor de overdrachtsbelasting van 2%. Voor andere onroerende zaken bedroeg het tarief 6%. De Wet Belastingen van Rechtsverkeer omvat geen definitie van het begrip woning. In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel ter invoering van het verlaagde tarief staat dat onder woningen worden verstaan onroerende zaken, die op het moment van de juridische overdracht naar hun aard zijn bestemd voor bewoning. Bij twijfel of een onroerende zaak naar zijn aard bestemd is voor bewoning is mede van belang of de gemeente aan de onroerende zaak een woonbestemming heeft gegeven.

De vraag in een procedure voor Hof Arnhem-Leeuwarden was of de verkrijging van een gedeeltelijk gesloopte woning al dan niet onder het lage tarief voor de overdrachtsbelasting viel. Op het moment van de verkrijging waren nog ruimtes aanwezig die deel hebben uitgemaakt van een woning. Tussen partijen was niet in geschil dat deze ruimtes in het verleden zijn aangewend voor bewoning en publiekrechtelijk altijd bestemd zijn geweest voor bewoning. De omstandigheid dat bewoning van deze ruimtes op het moment van overdracht feitelijk onmogelijk was door verval of gedeeltelijke sloop, is volgens het hof onvoldoende voor de conclusie dat deze ruimtes daardoor naar hun aard niet langer zijn bestemd voor bewoning.


Lees meer  
 

Internationaal

Verdrag met Cyprus ter goedkeuring voorgelegd

 

De minister van Buitenlandse Zaken heeft het belastingverdrag met Cyprus, dat op 1 juni 2021 is overeengekomen, ter goedkeuring aan de Tweede Kamer voorgelegd. Het verdrag is gebaseerd op het beleid, zoals dat is uiteengezet in de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2011, de kabinetsappreciatie van het BEPS-project van de OESO G20 en de reactie op het door de OESO ontwikkelde Multilaterale Instrument om de in het BEPS-project ontwikkelde verdragsbepalingen te implementeren.

De onderhandelingen over het verdrag zijn in 2003 op initiatief van Nederland gestart vanwege de wens met alle lidstaten van de EU een belastingverdrag te hebben. De structuur, inhoud en bewoordingen van het verdrag stemmen overeen met het gebruikelijke patroon van de door Nederland recent gesloten belastingverdragen. Het verdrag is grotendeels gebaseerd op de bepalingen van het in 2017 geactualiseerde OESO-modelverdrag 1992. Ook is gekeken naar de belastingverdragen die Cyprus heeft met het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen en Zwitserland.

Het verdrag zal gelden voor het Europese en het Caribische deel van Nederland. Wat betreft de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba is overeengekomen dat het verdrag ook toepassing vindt op personen die inwoner daarvan zijn. De Caribische landen van het Koninkrijk zijn fiscaal autonoom en kunnen zelfstandig besluiten om met Cyprus te onderhandelen over een belastingverdrag of zich aansluiten bij dit verdrag.


Lees meer  
 

Overige heffingen

Geen naheffing parkeerbelasting na overschrijding maximale parkeertijd

De Gemeentewet bepaalt dat gemeenten parkeerbelasting kunnen heffen. Het college van burgemeester en wethouders kan in de gemeentelijke belastingverordening aangeven op welke plaatsen en tijdstippen parkeerbelasting verschuldigd is.

In een gemeentelijke belastingverordening is aangegeven dat parkeren op een zekere plaats tegen betaling op aangifte is toegestaan voor een maximale parkeerduur van een uur. Aan een parkeerder werd een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd na overschrijding van de maximale parkeerduur. Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden is de naheffingsaanslag terecht opgelegd, omdat de verschuldigde parkeerbelasting niet was betaald. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het hof vernietigd. Volgens de Hoge Raad hoefde de belanghebbende na het eerste uur geen parkeerbelasting te betalen, omdat de parkeerduur is beperkt tot een uur. Naheffing van parkeerbelasting voor de periode na het verstrijken van de maximale parkeerduur is niet mogelijk. De mogelijkheid tot naheffing is wettelijk beperkt tot belasting die op aangifte behoort te worden voldaan, maar niet is betaald.


Lees meer  
 

Dividendbelasting

Kamervragen Wet bronbelasting

De staatssecretaris van Financiën heeft Kamervragen beantwoord over het begrip royalty’s in de Wet bronbelasting. In deze wet is de definitie overgenomen van het OESO-modelverdrag. Deze wijkt af van het royaltybegrip in de OESO-verrekenprijsrichtlijn en in het Modelverdrag van de Verenigde Naties.

Volgens de staatssecretaris is het verschil tussen deze definities gelegen in de behandeling van vergoedingen voor operational leasing. Omdat de Wet bronbelasting 2021 is gericht tegen de doorstroom van passieve geldstromen, waaronder bepaalde royalty’s, lag het voor de hand om vergoedingen voor operational leasing niet onder het begrip royalty’s op te nemen. Daarom is aangesloten bij het royaltybegrip van het OESO-modelverdrag. De staatssecretaris wijst erop dat de Nederlandse belastingverdragen zijn gebaseerd op het OESO-modelverdrag. De OESO-verrekenprijsrichtlijnen bevatten volgens de staatssecretaris geen geschikte definitie van royalty’s waar voor de Nederlandse bronbelasting bij kan worden aangesloten.


Lees meer  
 


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Arno Frings
2 maanden geleden

Dit is een test