Home » Nieuwsbrief » Nieuwsbrief 10 maart 2022

Nieuwsbrief 10 maart 2022

Ondernemingswinst

Afkoopsom renteswapconstructie

Het risico van rentestijgingen bij een lening met een variabele rente kan worden afgedekt met een renteswapcontract. Op grond van zo’n contract betaalt de schuldenaar over een bepaalde periode een vast percentage van een overeengekomen bedrag. Als tegenprestatie ontvangt hij over dezelfde periode en hetzelfde bedrag het percentage van de variabele rente op de lening. Zolang de lening is afgedekt met de renteswap, wordt het fiscale resultaat op de variabel rentende lening en de renteswap gezamenlijk bepaald, op dezelfde wijze als wanneer een lening met een vaste rente zou zijn aangegaan.

De Hoge Raad heeft prejudiciële vragen over de verwerking van de kosten van de voortijdige beëindiging van een meerjarig financieringscontract beantwoord. De rechtbank had de volgende vragen voorgelegd:

  1. Verplicht goed koopmansgebruik tot het activeren van de kosten van de herfinanciering van een meerjarig financieringscontract en het vervolgens daarop afschrijven?
  2. Verplicht goed koopmansgebruik ertoe om de afkoopsom voor een renteswap, die samenhangt met een variabel rentende lening, te activeren en af te schrijven, als in verband met de afkoop van de swap de variabel rentende lening wordt vervangen door een vastrentende lening?

De rechtbank wilde verder weten of voor de beantwoording van deze vragen van belang is wat het motief is geweest om tot afkoop van de swap over te gaan.

De Hoge Raad heeft de vragen als volgt beantwoord. Als een belastingplichtige zowel de renteswap afkoopt tegen betaling van een bedrag ineens als de onderliggende variabel rentende lening beëindigt, verzet goed koopmansgebruik zich niet ertegen om de afkoopsom van de renteswap in het jaar van afkoop ineens ten laste van de winst te brengen. Die afkoopsom vertegenwoordigt de op het tijdstip van de afkoop ‘gefixeerde’ negatieve waarde van de renteswap, waarin de verwachte nadelige kasstroom over de resterende looptijd van de renteswap is verdisconteerd. Door de afkoop van de renteswap wordt dit latente verlies definitief. Nadat de renteswap en de onderliggende lening zijn afgewikkeld, spelen zij geen rol meer in het ondernemingsvermogen en heeft de belastingplichtige daarbij geen baat meer.

Als de belastingplichtige de renteswap afkoopt en de onderliggende variabel rentende lening vervangt door een lening tegen een vaste rente die lager is dan de vaste swaprente vermeerderd met de vaste opslag van de onderliggende lening, moet worden beoordeeld of daarmee in wezen de oorspronkelijke swapcombinatie wordt voortgezet. Als dat het geval is, moet de betaalde afkoopsom worden geactiveerd en afgeschreven in de resterende looptijd.

In de aan de Hoge Raad voorgelegde situatie verschilden de kenmerken van de swapcombinatie van die van een vastrentende lening vanwege de verplichting om bij een dalende marktrente liquiditeiten als zekerheid (zogenaamde margin calls) te storten. Vanwege deze liquiditeitsrisico’s kan niet worden gezegd dat met een vervangende vastrentende lening in wezen de oorspronkelijke swapcombinatie wordt voortgezet. Dit betekent dat goed koopmansgebruik toestaat dat de afkoopsom van zowel de renteswap als de variabel rentende lening in één keer wordt verantwoord in de belastbare winst van het jaar waarin de afkoop plaatsvindt.

Volgens de Hoge Raad is niet van belang wat het motief tot afkoop is, of de nieuwe, vastrentende lening wordt aangegaan bij een andere bank en of de nieuwe situatie uitsluitend wat rentelasten betreft een financieel voor- of nadeel oplevert ten opzichte van de oude situatie, dan wel per saldo een financieel voor- of nadeel oplevert.


Lees meer  
 

Inkomstenbelasting

Uitleg correctiebeleid Belastingdienst

De Belastingdienst kent een intern correctiebeleid met betrekking tot het wel of niet opleggen van navorderingsaanslagen inkomstenbelasting. Dit beleid is bedoeld om irritatie bij belastingplichtigen te voorkomen wanneer zij zouden worden geconfronteerd met aanslagen, die slechts een “gering bedrag” aan te betalen belasting inhouden. Anderzijds is van belang de verhouding tussen de kosten van het opleggen van een aanslag en de opbrengst. Op grond van dit beleid wordt geen navorderingsaanslag opgelegd wanneer het bedrag daarvan niet hoger is dan € 450, tenzij sprake is van kwade trouw of van repeterende onjuistheden. In de interne publicatie van de Belastingdienst staat achter het belastingbedrag tussen haakjes vermeld "c.q. € 1.000 inkomen".

De vraag in een procedure voor Hof Arnhem-Leeuwarden was of het correctiebeleid niet van toepassing is als de inkomenscorrectie hoger is dan € 1.000, maar de aanslag lager uitkomt dan € 450 aan belasting. De Hoge Raad heeft in een arrest van november 2021 beslist, dat het belastingbedrag doorslaggevend is. Dat betekent dat het correctiebeleid van toepassing is als een navorderingsaanslag minder dan € 450 bedraagt, ook als de inkomenscorrectie meer dan € 1.000 bedraagt.

Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank terecht de opgelegde navorderingsaanslag vernietigd.


Lees meer  
 

Verrekening zelfstandigenaftrek in latere jaren

Ondernemers, die voldoen aan het urencriterium, kunnen hun winst verminderen met de zelfstandigenaftrek. De zelfstandigenaftrek vermindert de winst niet verder dan tot nihil. Het niet-gerealiseerde deel van de zelfstandigenaftrek in een jaar wordt door de Belastingdienst bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgesteld. Dit bedrag wordt afzonderlijk op het aanslagbiljet vermeld. De niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek wordt in de volgende negen kalenderjaren verrekend door in die jaren een verhoging van de zelfstandigenaftrek in aanmerking te nemen. Deze verhoging bedraagt maximaal het bedrag waarmee de winst de zelfstandigenaftrek van dat jaar overtreft. Verrekening van niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek vindt plaats in de volgorde waarin deze is ontstaan. Ook de verrekening van niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek in een volgend kalenderjaar vindt plaats bij voor bezwaar vatbare beschikking. De wijze van verrekening van niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek is ontleend aan de systematiek van de verliesverrekening.

Volgens de rechtbank Noord-Nederland is verrekening van niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek slechts mogelijk voor zover deze bij beschikking is vastgesteld. De rechtbank paste daarbij de jurisprudentie op het terrein van de verliesverrekening naar analogie toe. Daaruit volgt dat alleen verliezen, die bij beschikking zijn vastgesteld, voor verrekening in aanmerking komen.


Lees meer  
 

Box 3 en individuele en buitensporige last

Hof Amsterdam heeft onlangs uitspraak gedaan in een procedure over de belastingheffing in box 3 over de jaren 2015 tot en met 2018. Het hof heeft onderzocht of in die jaren voor de belanghebbende sprake was van een individuele en buitensporige last. Als dat het geval zou zijn, is dat in strijd met het recht op het ongestoorde genot van eigendom. Voor de jaren 2015 en 2016 heeft het hof onderzocht of de vermogensrendementsheffing van box 3 op stelselniveau in strijd is met het recht op het ongestoorde genot van eigendom. De Hoge Raad heeft in een arrest uit 2021 voor het jaar 2016 geoordeeld dat strijdigheid van de vermogensrendementsheffing op stelselniveau met dit recht niet tot vernietiging of verlaging van de aanslag kan leiden. Naar het oordeel van het hof geldt dit ook voor het jaar 2015.

Volgens een eerder arrest van de Hoge Raad over de vermogensrendementsheffing in 2013 en 2014 moeten bij de beoordeling of sprake is van een individuele en buitensporige last de gevolgen van de vermogensrendementsheffing worden bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van de belanghebbende.

Daarbij moet ook in aanmerking worden genomen of een belastingplichtige een zodanig laag inkomen heeft, dat hij op zijn vermogen moet interen om de belasting te voldoen. Volgens de Hoge Raad kan de wetgever met een belasting naar inkomen geen heffing bedoelen waardoor de belastingplichtige op zijn vermogen moet interen om de verschuldigde belasting te kunnen voldoen. De Hoge Raad lijkt in een situatie waarin de vermogensrendementsheffing niet hoger is dan het werkelijke rendement op het vermogen geen ruimte te zien voor het oordeel dat zich een individuele en buitensporige last voordoet.

Het werkelijke rendement over 2015 van de belanghebbende was hoger dan de geheven vermogensrendementsheffing. Daarom was volgens het hof in dit jaar geen sprake van een individuele en buitensporige last. In 2016 bedroeg de vermogensrendementsheffing € 7.159 bij een werkelijk rendement van € 4.827. Het inkomen van de belanghebbende en zijn partner was na betaling van belastingen ongeveer gelijk aan de bijstandsnorm. Daarmee was volgens het hof ook voor het jaar 2016 geen sprake van een individuele en buitensporige last. Het hof baseerde dat oordeel op de gehele financiële situatie van de belanghebbende. Van belang vond het hof dat de belanghebbende een eigen woning had, waarop geen hypotheek rustte, waardoor de woonlasten beperkt waren. Ten opzichte van 2015 waren de bank- en spaartegoeden en de beleggingen in waarde toegenomen.

Ook voor de jaren 2017 en 2018 was van een individuele en buitensporige last geen sprake, ondanks dat zich een negatief verschil van het besteedbaar inkomen ten opzichte van de bijstandsnorm voordeed van circa € 3.000.


Lees meer  
 

Omzetbelasting

Tijdelijke verhuur appartementen

De verhuur van onroerende zaken is in beginsel vrijgesteld van omzetbelasting. Er geldt een uitzondering voor het verstrekken van accommodatie in het kader van het hotel-, pension-, kamp- en vakantiebestedingsbedrijf aan personen, die daar voor een korte periode verblijf houden.

Over de bepaling in de btw-richtlijn, waarin de vrijstelling van verhuur en de uitzondering op de vrijstelling is geregeld, heeft het Hof van Justitie EU het arrest Blasi gewezen. Het hof van Justitie EU merkt in dat arrest op, dat de duur van de accommodatieverstrekking een passend criterium vormt voor het onderscheid tussen belastbare en vrijgestelde verhuur. De Hoge Raad heeft met betrekking tot het begrip verstrekken van accommodatie als gemeenschappelijke kenmerk daarvan genoemd dat de tijdelijke bewoner niet belast is met de zorg voor de inventaris.

Hof Arnhem-Leeuwarden is van oordeel dat geen sprake was van belaste verhuur van appartementen, die door de verhuurder nieuw waren aangeschaft met de intentie deze te verkopen. Door de slechte verkoopmarkt ten tijde van de aanschaf werd besloten tot tijdelijke verhuur. Blijkens de huurovereenkomsten waren de kosten van kleine herstellingen voor rekening van de huurders. Daarop baseerde het hof het oordeel dat de huurders belast waren met de zorg voor de inventaris. Het hof vond verder van belang dat de huurders zelf werden aangeslagen voor de gemeentelijke heffingen en de waterschapslasten en dat zij zelf contracten hebben afgesloten met een energiemaatschappij. Ook hebben de huurders zich ingeschreven bij de gemeente op het adres van het gehuurde appartement. Bij de verstrekking van accommodatie in het kader van het hotel-, pension-, kamp- en vakantiebestedingsbedrijf is dat niet gebruikelijk. De verhuurder is volgens het hof niet met deze sector in concurrentie getreden. Omdat de verhuur was vrijgesteld, heeft de verhuurder ten onrechte de omzetbelasting die drukte op de aanschaf van de appartementen in aftrek gebracht. Deze omzetbelasting is door de Belastingdienst nageheven.


Lees meer  
 

Arbeidsrecht

Overgang van onderneming

Bij een overgang van onderneming gaan de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomsten tussen de overdragende ondernemer en de in de onderneming werkzame werknemers van rechtswege over op de verkrijger. Een werknemer kan besluiten de arbeidsovereenkomst niet met de verkrijger voort te zetten. De wil daartoe moet ondubbelzinnig blijken uit verklaringen of gedragingen van de werknemer.

In verband met de overgang van onderneming zou de werklocatie wijzigen van Nederland naar Duitsland. Een van de werknemers wilde vanwege de reistijd niet mee overgaan. De werknemer heeft een ontbindingsverzoek ingediend bij de kantonrechter. Met het ontbindingsverzoek heeft de werknemer ondubbelzinnig blijk gegeven van zijn wens het dienstverband na de overgang van onderneming niet voort te zetten met de verkrijger. Tussen de werknemer en de verkrijger van de onderneming is geen arbeidsovereenkomst.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad eindigt de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en de vervreemder op de datum van overgang van onderneming van rechtswege. Dat geldt ook als de werknemer niet mee over wil naar de verkrijger. Om die reden heeft de kantonrechter het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de vervreemder afgewezen.

De kantonrechter was van oordeel dat sprake was van een aanmerkelijke wijziging van arbeidsvoorwaarden door de overgang van onderneming. Door de verplaatsing bedroeg de woon-werkafstand 480 kilometer enkele reis. Vanwege de privésituatie van de werknemer kon van hem niet gevraagd worden om doordeweeks in Duitsland te verblijven. Vanwege de aanmerkelijke wijziging van de arbeidsvoorwaarden wordt de arbeidsovereenkomst geacht te zijn beëindigd door toedoen van de werkgever.

De kantonrechter heeft de werkgever veroordeeld tot vergoeding van het loon over de niet in acht genomen opzegtermijn en tot betaling van de transitievergoeding aan de werknemer.


Lees meer  
 

Rechtbank vernietigt loonsanctie: beoordeling re-integratie door UWV niet juist

De werkgever is gedurende de eerste 104 weken van arbeidsongeschiktheid van een werknemer verplicht het loon door te betalen. Het UWV kan de periode van loondoorbetaling verlengen wanneer de werkgever onvoldoende inspanningen heeft verricht om de werknemer te laten re-integreren.

De rechtbank Oost-Brabant heeft het besluit van het UWV om aan een werkgever een loonsanctie op te leggen vernietigd. De werkgever was bij de re-integratie afgegaan op het advies van de bedrijfsarts. Volgens het UWV zijn daardoor re-integratiekansen gemist. Het UWV beriep zich op vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep dat een onjuist advies van een bedrijfsarts voor rekening en risico komt van de werkgever. De rechtbank is van oordeel dat met deze “voor rekening en risico” benadering in loonsanctiezaken onvoldoende recht wordt gedaan aan de in de Wet WIA neergelegde norm dat bij de beoordeling van re-integratie-inspanningen de vraag is of de werkgever in redelijkheid tot de re-integratie-inspanningen heeft kunnen komen. Het UWV heeft niet onderzocht of de werkgever redenen had moeten hebben om te twijfelen aan het advies van de bedrijfsarts. Volgens de rechtbank waren die redenen er niet.

Hiermee nuanceert de rechtbank de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, dat afgaan op het advies van een bedrijfsarts voor rekening en risico komt van de werkgever als het advies onjuist blijkt te zijn. De rechtbank vindt dat met haar benadering in loonsanctiezaken meer recht wordt gedaan aan het bepaalde in de Wet WIA.


Lees meer  
 

Schorsing concurrentiebeding

Een concurrentiebeding in een arbeidsovereenkomst moet schriftelijk worden vastgelegd vanwege het beperkende karakter van het beding. Wanneer de arbeidsverhouding ingrijpend wijzigt en het concurrentiebeding daardoor zwaarder gaat drukken op de werknemer, moet het beding opnieuw schriftelijk overeengekomen worden.

De rechter dient in voorkomende gevallen te beoordelen of de arbeidsverhouding ingrijpend is gewijzigd en of die wijziging meebrengt dat het concurrentiebeding aanmerkelijk zwaarder gaat drukken. Daarbij mag de rechter betekenis hechten aan de mate waarin de wijziging van de arbeidsverhouding voor de werknemer te voorzien was toen hij het beding aanvaardde. Bij de beoordeling of het concurrentiebeding na een ingrijpende wijziging van de arbeidsverhouding zwaarder is gaan drukken zal de rechter moeten onderzoeken of de handhaving van het concurrentiebeding een belemmering voor de werknemer vormt om een nieuwe, gelijkwaardige, werkkring te vinden.

De rechtbank Rotterdam heeft onlangs geoordeeld dat de functiewijziging van junior werkvoorbereider en tekenaar naar junior projectleider een ingrijpende wijziging inhield. De werknemer trad bij het aangaan van het concurrentiebeding in dienst bij een groot bedrijf in een functie met beperkte taken. Door een overgang van onderneming en de wijziging van functie was de werknemer in dienst bij een kleiner bedrijf met een groter takenpakket. De werkzaamheden zijn daardoor anders geworden en de werknemer heeft meer verantwoordelijkheden gekregen. Naar het oordeel van de rechtbank was deze wijziging niet voorzienbaar. Voor de doorgroei van werkvoorbereider naar projectleider is een opleiding van meerdere maanden vereist. De doorgroei van junior werkvoorbereider naar (senior) werkvoorbereider lag meer voor de hand, aldus de rechtbank.

Vanwege het brede takenpakket van een junior projectleider en de ruime formulering van het concurrentiebeding wordt de werknemer dusdanig belemmerd in het vinden van een nieuwe baan, dat de rechtbank van oordeel was dat het concurrentiebeding aanmerkelijk zwaarder is gaan drukken. De rechtbank heeft de gevorderde schorsing van het concurrentiebeding toegewezen.


Lees meer  
 

Geen leeftijdsdiscriminatie door sociaal plan

Een Europese Richtlijn verbiedt discriminatie bij het verrichten van arbeid op een aantal gronden, waaronder leeftijd. Niet ieder verschil in behandeling op grond van leeftijd vormt discriminatie. Een verschil in behandeling kan worden gerechtvaardigd door een legitiem doel, mits de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. Niet alleen de lidstaten van de EU, maar ook de sociale partners beschikken over een ruime beoordelingsmarge bij de beslissing welke doelstellingen van sociaal en werkgelegenheidsbeleid zij willen nastreven en bij het bepalen van de maatregelen, waarmee zij deze doelstellingen willen verwezenlijken. De beoordelingsmarge is echter niet zo ruim dat daardoor de toepassing van het beginsel van het verbod van discriminatie op grond van leeftijd zinloos wordt.

Bij de Hoge Raad is een zaak aanhangig over leeftijdsdiscriminatie bij de toekenning van een ontslagvergoeding in het kader van een reorganisatie. Volgens het toepasselijke sociaal plan wordt de ontslagvergoeding van een boventallig verklaarde werknemer verminderd tot nihil als de werknemer op het moment van zijn ontslag een volwaardig ouderdomspensioen heeft opgebouwd. Dat is het geval als de werknemer de leeftijd heeft bereikt, waarop een werknemer een naar Nederlandse maatstaven volledig pensioen heeft opgebouwd. De gedachte achter de vermindering van de ontslagvergoeding is dat een werknemer na het bereiken van die leeftijd geen inkomensderving van betekenis heeft. De werknemer heeft in dat geval vanaf de beëindiging van zijn dienstverband recht op pensioenuitkeringen, waarmee hij de periode tot het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd kan overbruggen.

In deze zaak heeft de Hoge Raad eerder arrest gewezen. De Hoge Raad vernietigde een uitspraak van Hof Amsterdam en verwees de zaak naar Hof Den Haag. Tegen de uitspraak van dat hof heeft een ontslagen werknemer beroep in cassatie ingesteld. Volgens het hof is door de aftoppingsregeling in het sociaal plan sprake van ongelijke behandeling, maar streeft de werkgever met die regeling legitieme doelen na. De vraag of de aftoppingsregeling een passend en noodzakelijk middel is om de nagestreefde doelen te bereiken is door het hof bevestigend beantwoord. Volgens het hof dient de rechter zich bij de toetsing van de gekozen middelen terughoudend op te stellen omdat de regeling tot stand is gekomen na onderhandelingen tussen de werkgever en de vakbonden en deel uitmaakt van een reeks afspraken in een sociaal plan.

De Advocaat-generaal (A-G) bij de Hoge Raad concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. De A-G meent dat het hof ten aanzien van de passendheid van de aftoppingsregeling diende te beoordelen of deze regeling niet kennelijk ongeschikt is voor het bereiken van de nagestreefde legitieme doelen. Ten aanzien van de noodzakelijkheid diende het hof te bepalen of de regeling op excessieve wijze afbreuk doet aan de belangen van de daardoor benadeelden. De aftoppingsregeling moet bij deze beoordeling in de context van het totaal aan regelingen in het sociaal plan worden geplaatst.

Volgens de A-G is het oordeel van het hof, dat het sociaal plan evenwichtig is en dat voor de verschillende categorieën van werknemers rekening is gehouden met hun posities wat betreft arbeidsmarkt, sociale zekerheid en pensioen, in lijn met de terughoudende toets en is het niet onjuist of onbegrijpelijk.


Lees meer  
 

Overdrachtsbelasting

Gezamenlijke verkrijging economische eigendom woning

Overdrachtsbelasting wordt geheven ter zake van de verkrijging van in Nederland gelegen onroerende zaken. Er geldt een vrijstelling van overdrachtsbelasting voor toedeling van een onroerende zaak, die gezamenlijk is verkregen, aan een van de oorspronkelijke verkrijgers.

In een procedure over de overdrachtsbelasting heeft de Hoge Raad geoordeeld dat onder gezamenlijke verkrijging door samenwoners ook moet worden verstaan de gezamenlijke verkrijging van de economische eigendom van een onroerende zaak. De omstandigheid dat de onroerende zaak juridisch eigendom is van één van de samenwoners staat volgens de Hoge Raad niet aan toepassing van de vrijstelling in de weg. De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar Hof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling. Het hof moest onderzoeken of de belanghebbende bij de levering van de woning aan haar vroegere partner voor 40% economisch eigenaar van de woning is geworden. In het convenant dat is opgemaakt bij de beëindiging van de relatie en het samenwonen is als uitgangspunt vastgelegd dat van het totale vermogen 40% aan de belanghebbende en 60% aan haar vroegere partner is toegekomen. De onroerende zaak is bij de verdeling van het vermogen toebedeeld aan de belanghebbende.

Uit een arrest van de civiele kamer van de Hoge Raad uit 1987 volgt dat voor het antwoord op de vraag of tussen samenlevende partners enige gemeenschap van goederen bestaat, beslissend is wat zij dienaangaande uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn overeengekomen. In het convenant is expliciet vermeld dat de facto een gemeenschap van goederen is ontstaan. De ex-partner heeft in een schriftelijke verklaring bevestigd dat de intentie van partijen was om al hun bezittingen als gemeenschappelijk te beschouwen. De verdeling van de waarde van de bezittingen in het convenant sluit volgens het hof aan bij de inkomensverhouding zoals deze tijdens de periode van samenwonen is geweest. Gelet op de feitelijke gang van zaken tijdens het samenwonen en de verklaring van de belanghebbende en de ex-partner, is het hof van oordeel dat de belanghebbende vanaf de verkrijging van de woning voor 40% economisch eigenaar is geweest. Dit betekent dat zij met recht een beroep op de vrijstelling van overdrachtsbelasting kan doen.


Lees meer  
 

Sociale verzekeringen

Verhoging uitkeringspercentage betaald ouderschapsverlof aangekondigd

De minister van SZW heeft een ontwerpbesluit, waarin de uitkering van betaald ouderschapsverlof wordt verhoogd van 50 naar 70% van het loon, naar de Tweede Kamer gestuurd. De voorlegging van het ontwerpbesluit geschiedt in het kader van de wettelijk voorgeschreven procedure van de Wet betaald ouderschapsverlof. De verhoging zal per 2 augustus 2022 worden doorgevoerd.


Lees meer  
 

Successiewet

Verlaging schenkingsvrijstelling eigen woning per 1 januari 2023

Het kabinet heeft besloten de hoge schenkingsvrijstelling voor de eigen woning, de zogenaamde jubelton, per 1 januari 2023 te verlagen tot € 27.231. De verlaging loopt vooruit op de afschaffing van de jubelton per 1 januari 2024. Na verlaging is het bedrag van de schenkingsvrijstelling eigen woning gelijk aan de eenmalig verhoogde vrijstelling voor schenkingen van ouders aan kinderen in de leeftijd tussen 18 en 40 jaar oud. Het is niet mogelijk om de verlaagde schenkingsvrijstelling voor de eigen woning te benutten voor een schenking van ouders aan kinderen naast de eenmalig verhoogde vrijstelling voor schenkingen van ouders aan kinderen.

Het verlagen van de schenkingsvrijstelling voor de eigen woning zal worden opgenomen in het wetsvoorstel Belastingplan 2023.


Lees meer  
 

Formeel recht

Politie en OM mogen gegevens verstrekken aan Belastingdienst

De minister van Justitie en Veiligheid heeft in een besluit mogelijk gemaakt dat de politie en het OM politie- en strafvorderlijke gegevens verstrekken aan de inspecteur en de ontvanger van de Belastingdienst. Het doel is om in bewaring of in beslag genomen voorwerpen, waaronder contant geld, aan te kunnen wenden voor de heffing en invordering van belastingen en van rechten bij invoer en uitvoer. Het gaat om gegevens, die betrekking hebben op in bewaring of in beslag genomen voorwerpen, en om de persoonsgegevens van degene bij wie deze voorwerpen in bewaring of in beslag zijn genomen. De in beslag genomen goederen dienen een gezamenlijke waarde te hebben van ten minste € 1.000.

De Belastingdienst mag de verstrekte gegevens voor geen ander doel gebruiken dan het doel waarvoor zij zijn verstrekt en mag deze gegevens niet doorgeven aan andere bestuursorganen. De gegevens moeten worden vernietigd zodra de voor de Belastingdienst geldende bewaartermijnen zijn verstreken.


Lees meer  
 

 


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.