Home » Nieuwsbrief » Nieuwsbrief 24 februari 2022

Nieuwsbrief 24 februari 2022

Belastingplan

Plannen staatssecretaris van Financiën

De staatssecretaris van Financiën heeft in een brief aan de Tweede Kamer zijn plannen voor deze kabinetsperiode geschetst. De brief bevat ook een planning van fiscale wetsvoorstellen. Daaraan ontlenen wij het volgende.

In het Belastingplan 2023 worden regelingen opgenomen als het afbouwen van de vrijstelling van bpm voor bestelauto’s van ondernemers, het verbeteren van de bedrijfsopvolgingsregeling en het afschaffen van de middelingsregeling en het verlagen van de zelfstandigenaftrek. Het Belastingplan 2023 zal verder veranderingen omvatten voor het belasten van verhuurd vastgoed in box 3, een verhoging van het heffingvrije vermogen in box 3, de afschaffing van de schenkingsvrijstelling voor de eigen woning en een verhoging van het algemene tarief van de overdrachtsbelasting van 8 naar 9%.

De huidige inkomensafhankelijke combinatiekorting zal worden uitgefaseerd. Dat zal worden opgenomen in het Belastingplan 2023 of 2024 of in de Fiscale verzamelwet 2024. Een verhoging van de onbelaste reiskostenvergoeding is te verwachten in het Belastingplan 2024 of de Fiscale verzamelwet 2024.

De aangekondigde verhoging van het maximumbedrag in het wetsvoorstel excessief lenen van de eigen bv van € 500.000 naar € 700.000 wordt verwerkt in een nota van wijziging op het reeds ingediende wetsvoorstel.
De omvorming van het stelsel van belastingheffing in box 3 naar een heffing op basis van het werkelijk behaalde rendement zal in een afzonderlijk wetsvoorstel worden gegoten.


Lees meer  
 

Loonbelasting

Geen dienstbetrekking voor werkzaamheden via managementcontract

In een procedure over een naheffingsaanslag loonheffingen heeft Hof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld dat de arbeidsverhoudingen tussen een bv en de directeuren-aandeelhouder van twee buitenlandse rechtspersonen voldoen aan de vereisten van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. De bv had met de buitenlandse rechtspersonen managementovereenkomsten gesloten. De directeuren hadden ieder met de rechtspersoon, waarvan zij aandeelhouder waren, arbeidsovereenkomsten gesloten. Zij ontvingen loon van deze rechtspersoon.

Volgens de Hoge Raad geeft de door het hof vastgestelde onmisbaarheid van deze personen voor de bedrijfsvoering van de bv geen antwoord op de vraag of zij zich jegens de bv hebben verplicht om persoonlijk arbeid te verrichten. De omstandigheid dat beide personen hebben ingestemd met de betaling van managementvergoedingen aan hun rechtspersoon zegt daar niets over. De Hoge Raad begrijpt niet waarom het hof heeft aangenomen dat beide personen hun werkzaamheden uitvoeren onder gezag van de algemene vergadering van aandeelhouders van de bv. Niet valt in te zien waaraan de algemene vergadering van aandeelhouders de bevoegdheid zou ontlenen om rechtstreeks gezag uit te oefenen ten aanzien van de door deze personen te verrichten werkzaamheden, zolang niet meer is vastgesteld dan dat de bv een contractuele relatie heeft met beide buitenlandse rechtspersonen.

De Hoge Raad heeft de uitspraak van het hof vernietigd en de zaak voor verdere behandeling verwezen naar Hof Den Bosch.


Lees meer  
 

Weigering toepassing 30%-regeling

Het loonbegrip voor de inkomstenbelasting volgt het loonbegrip van de loonbelasting. De 30%-regeling is onderdeel van de werkkostenregeling. Op grond van deze regeling kan een inhoudingsplichtige extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst in het kader van de dienstbetrekking vrij vergoeden tot 30% van het aan te wijzen gedeelte van het loon. De vergoeding voor deze extraterritoriale kosten is een gerichte vrijstelling. De inhoudingsplichtige dient deze aan te wijzen om te voorkomen dat de 30%-vergoeding belast loon vormt of ten laste komt van de vrije ruimte.

De grondslag voor de 30%-regeling is beperkt tot het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, dat is genoten tijdens de looptijd van de regeling. De looptijd van de 30%-regeling eindigt op de laatste dag van het loontijdvak na het loontijdvak waarin de tewerkstelling is geëindigd. De tewerkstelling eindigt zodra een werknemer geen feitelijke werkzaamheden meer voor zijn werkgever hoeft te verrichten. Vrijstelling van alle werkzaamheden voor een werkgever brengt beëindiging van de tewerkstelling met zich mee.

Volgens Hof Amsterdam heeft de werkgever terecht op een nabetaling aan een ingekomen werknemer de 30%-regeling niet toegepast. Hoewel de dienstbetrekking formeel op 31 maart 2017 is beëindigd, was de werknemer ingang van 18 januari 2017 vrijgesteld van alle werkzaamheden. Zijn tewerkstelling is daarmee geëindigd op 17 januari 2017. De looptijd van de 30%-regeling is beperkt tot 28 februari 2017 als zijnde laatste dag van het loontijdvak na het loontijdvak waarin de tewerkstelling is geëindigd. De nabetaling aan de werknemer dateert van na 1 maart 2017. Om die reden mist de 30%-regeling toepassing op deze betaling.


Lees meer  
 

Geen wettelijke verplichting gebruik eHerkenning

Rechtspersonen, die zonder de hulp van een intermediair of zonder gebruik van commerciële software aangifte vennootschapsbelasting of loonheffing willen doen, hebben daartoe sinds 1 januari 2020 eHerkenning nodig. Tot die tijd kon met behulp van een inlognaam en een wachtwoord aangifte worden gedaan door ondernemers.

De rechtbank Gelderland heeft een naheffingsaanslag loonheffing vernietigd, die was opgelegd aan een bv, die geen eHerkenning had aangeschaft. De rechtbank stelde vast, dat de bv wel de wil had om aangifte loonheffing te doen, maar door het ontbreken van eHerkenning de mogelijkheid niet had om dat te doen. Volgens de rechtbank ontbreekt een wettelijke basis voor het verplichte gebruik van eHerkenning. De daarvoor bedoelde Wet digitale overheid was nog niet in werking getreden en de Regeling van de staatssecretaris van Financiën waarin het gebruik van eHerkenning is voorgeschreven is geen wet.

De rechtbank is van oordeel dat de mogelijkheid om te voldoen aan de wettelijke verplichting tot het doen van aangifte kosteloos dient te zijn. eHerkenning moet worden aangeschaft bij commerciële partijen. Een wettelijke basis voor deze betalingsverplichting ontbreekt. De rechtbank vindt niet van belang dat er een tijdelijke vergoedingsregeling voor de kosten van eHerkenning is.


Lees meer  
 

Inkomstenbelasting

Aftrekbeperking lage vergoeding meewerkende partner

De Wet IB 2001 bevat een aftrekbeperking voor vergoedingen, die worden betaald aan de partner van de ondernemer voor werkzaamheden die de partner verricht in de onderneming. Vergoedingen die lager zijn dan € 5.000 per jaar komen niet in aftrek op de winst.

In een procedure bij de Hoge Raad was de vraag aan de orde of een lagere arbeidsvergoeding voor de partner dan € 5.000 per jaar kon worden aangemerkt als een vrijwilligersvergoeding, mits aan de voorwaarden daarvoor zou zijn voldaan. Volgens de Hoge Raad heeft de aftrekbeperking betrekking op vergoedingen voor alle werkzaamheden, die door de partner worden verricht ten behoeve van de onderneming, ongeacht de aard van de werkzaamheden en ongeacht de wijze waarop de vergoeding voor deze werkzaamheden bij de partner al dan niet in de heffing van inkomstenbelasting wordt betrokken.

Volgens de Hoge Raad is ook geen sprake van strijd met het verbod op ongelijke behandeling. De wetgever heeft een ruime beoordelingsvrijheid bij het beantwoorden van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en of er een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om gelijke gevallen verschillend te regelen. Als het niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon dient het oordeel van de wetgever te worden geaccepteerd, tenzij het van redelijke grond is ontbloot. Dit laatste kan niet snel worden aangenomen.

Bij de totstandkoming van de aftrekbeperking heeft de wetgever onder ogen gezien dat een ondernemer een aan zijn partner betaalde beloning zonder nadere wettelijke voorziening in mindering kan brengen op de winst mits de beloning ziet op daadwerkelijk verrichte werkzaamheden, waarvan de omvang de gebruikelijke hulp en bijstand tussen echtgenoten overschrijdt, en de beloning niet hoger is dan gebruikelijk. De aftrekbeperking is bedoeld om uitvoerings- en controleproblemen te voorkomen.


Lees meer  
 

Omzetbelasting

Wanneer ontstaat door verbouwing een nieuw pand?

De levering van een nieuw gebouwde onroerende zaak is belast met omzetbelasting. De levering van bestaande onroerende zaken is in beginsel vrijgesteld van omzetbelasting en belast met overdrachtsbelasting. Een bestaande onroerende zaak kan door verbouwing veranderen in een nieuwe onroerende zaak, waardoor omzetbelasting is verschuldigd bij de levering daarvan. Over de vraag wanneer verbouwing tot een nieuwe onroerende zaak leidt, bestaat onduidelijkheid. De jurisprudentie, die daarover is gewezen, is niet eenduidig. In de hoop aan de bestaande onduidelijkheid een einde te maken heeft de rechtbank Zeeland-West Brabant prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad.

De rechtbank wil weten aan de hand van welke criteria moet worden beoordeeld of na werkzaamheden aan een onroerende zaak ‘in wezen nieuwbouw’ is gerealiseerd. Dient die beoordeling plaats te vinden aan de hand van criteria als:

  • wijzigingen in de bouwkundige identiteit of de uiterlijke herkenbaarheid;
  • wijzigingen in de bouwkundige constructie;
  • wijzigingen in de functie in de zin van aanwendingsmogelijkheden;
  • de grootte van de gedane investeringen en/of de door verbouwing gerealiseerde meerwaarde, of aan de hand van andere criteria?

De rechtbank wil verder weten welke van de hiervoor genoemde criteria als noodzakelijke voorwaarden voor ‘in wezen nieuwbouw’ moeten worden aangemerkt en welk gewicht aan deze criteria moet worden toegekend.

De rechtbank heeft deze vragen gesteld in een procedure die betrekking heeft op een voormalig kantoorpand, dat is verbouwd tot hotel. De kosten van de verbouwing waren hoger dan de voor het kantoorpand betaalde koopsom.


Lees meer  
 

Voor vermaak ingerichte voorziening?

Op grond van de btw-richtlijn 2006 mogen de lidstaten voor het verlenen van toegang tot shows, schouwburgen, amusementsparken en soortgelijke culturele evenementen het verlaagde tarief voor de omzetbelasting toepassen.

Het begrip 'amusementsparken' duidt op een duurzaam ingericht terrein, met verschillende voor ontspanning en vermaak bestemde installaties. Het begrip omvat de activiteiten, die door exploitanten van permanent op dezelfde plaats gevestigde attracties worden verricht en hierdoor een duurzaam karakter vertonen. In de nationale wet is de richtlijnbepaling uitgewerkt in een toepassing van het verlaagde tarief voor het verlenen van toegang tot attractieparken, speel- en siertuinen, en andere primair en permanent voor vermaak en dagrecreatie ingerichte voorzieningen.

Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden is het verlaagde tarief niet van toepassing op uitjes waarbij het vermaak bestaat uit het passen van trouwjurken in een daarvoor ingericht pand. Volgens het hof kan deze inrichting niet op één lijn worden gesteld met een ruimte met voor ontspanning en vermaak bestemde installaties, zoals die kenmerkend zijn voor een attractiepark, speel- of siertuin. Van dergelijke specifieke op het vermaak gerichte installaties is in dit geval geen sprake.


Lees meer  
 

Niet gebonden aan beschikking fiscale eenheid

Ondernemers voor de omzetbelasting, die in financieel, organisatorisch en economisch opzicht onderling zijn verweven vormen een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. Voor de beoordeling van de mate van verwevenheid moeten de banden van financiële, organisatorische en economische aard in onderlinge samenhang worden beoordeeld. Waar het om gaat is dat de betrokken ondernemers ondanks hun juridische zelfstandigheid zodanige banden hebben dat zij als één ondernemer een zelfstandige economische activiteit uitoefenen. Een verhouding van ondergeschiktheid is voor het bestaan van een fiscale eenheid niet vereist.

De Belastingdienst kan uit eigen beweging of op verzoek van de betrokkenen een beschikking fiscale eenheid afgeven. De betekenis van deze beschikking is beperkt tot de rechtszekerheid in die zin dat belastingplichtigen zonder een dergelijke beschikking niet tegen hun wil kunnen worden behandeld als fiscale eenheid voor een periode gelegen vóór het moment waarop de inspecteur zijn standpunt ter zake bekend heeft gemaakt. Een beschikking fiscale eenheid is voor het bestaan van een fiscale eenheid niet vereist. De beschikking doet geen fiscale eenheid ontstaan in gevallen waarin niet aan de materiële voorwaarden voor het bestaan daarvan is voldaan.

Wel wekt de beschikking onder omstandigheden bij de betrokkenen het in rechte te beschermen vertrouwen dat zij gezamenlijk een fiscale eenheid vormen en daarom onderling geen omzetbelasting in rekening hoeven te brengen. De beschikking fiscale eenheid is een als toezegging op te vatten expliciete uitlating van de inspecteur. Om zich met succes te kunnen beroepen op daarmee door de inspecteur gewekt vertrouwen is vereist dat de inspecteur de toezegging heeft gedaan na kennisneming van alle daartoe benodigde feiten en omstandigheden. De belastingplichtige, die de inspecteur vraagt om een beschikking fiscale eenheid, dient ervoor te zorgen dat de inspecteur alle informatie verkrijgt waarover die belastingplichtige de beschikking heeft en die nodig is om deze kwestie op haar fiscale merites te kunnen beoordelen. De inspecteur dient bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen te vergaren.

De inspecteur is niet gebonden aan een beschikking fiscale eenheid als de belastingplichtige bij het verzoek om die beschikking onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt of de inspecteur de juiste en volledige inlichtingen heeft onthouden. In dat geval kan de belastingplichtige niet met succes een beroep doen op de rechtszekerheid van de afgegeven beschikking.


Lees meer  
 

Overdrachtsbelasting

Samenloopvrijstelling overdrachtsbelasting

Bij de verkrijging van in Nederland gelegen onroerende zaken is overdrachtsbelasting verschuldigd. De overdrachtsbelasting kent een samenloopvrijstelling. Deze regeling moet voorkomen dat ter zake van de levering van een onroerende zaak zowel omzetbelasting als overdrachtsbelasting wordt geheven. Op grond van de samenloopvrijstelling geldt een vrijstelling van overdrachtsbelasting voor een verkrijging die belast is met omzetbelasting. Deze vrijstelling is niet van toepassing als de onroerende zaak als bedrijfsmiddel is gebruikt en de verkrijger de omzetbelasting geheel of gedeeltelijk in aftrek kan brengen.

De vraag in een procedure voor de rechtbank was of de verkoper het verkochte pand in gebruik had genomen als bedrijfsmiddel. De verkoper had voor de verkoop zijn bedrijf verplaatst naar het pand dat op dat tijdstip nog niet was afgebouwd. Volgens de Belastingdienst maakte het niet uit dat het pand nog niet gereed was. De verkoper heeft het pand feitelijk in gebruik genomen, in overeenstemming met de bestemming van het pand.

Volgens de rechtbank gaat het bij het in gebruik zijn als bedrijfsmiddel om feitelijk gebruik. Het pand is door de verkoper gebouwd voor zijn bedrijfsactiviteiten. Voor de verkoop heeft de verkoper zijn onderneming in het pand gevestigd. Na de verkoop is het bedrijf van de verkoper nog steeds in het pand gevestigd. De samenloopvrijstelling is door de Belastingdienst terecht niet toegepast.


Lees meer  
 

Subsidies

Wijziging besluit subsidie woonhuis-rijksmonumenten

Het Besluit vaststelling beleidsregels instandhoudingssubsidie woonhuis-rijksmonumenten is gewijzigd. Met de wijziging is het subsidiepercentage voor aanvragen in de kalenderjaren 2022 en 2023 vastgesteld. Deze aanvragen hebben betrekking op activiteiten die in de kalenderjaren 2021 en 2022 hebben plaatsgevonden. De subsidie bedraagt 38% van de subsidiabele kosten.

Voor het geval de beschikbare middelen in een bepaald kalenderjaar ontoereikend zijn om alle aanvragen toe te wijzen, is een verdeelsystematiek vastgelegd in het besluit. Deze systematiek komt erop neer dat de subsidie wordt verlaagd tot het hoogst mogelijke percentage waarvoor alle daarvoor in aanmerking komende aanvragen binnen de grenzen van het beschikbare bedrag kunnen worden toegekend.


Lees meer  
 

Subsidieregeling STAP-budget

Met ingang van 1 maart 2022 is de subsidieregeling STAP-budget van kracht. De subsidieregeling vervangt de inmiddels vervallen aftrek voor scholing in de inkomstenbelasting. Op grond van deze regeling kan iedereen met een band met de Nederlandse arbeidsmarkt jaarlijks subsidie aanvragen voor het volgen van scholing.

Het STAP-budget geldt voor iedereen, die op het moment van de aanvraag:

  • ten minste 18 jaar oud is, maar de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt;
  • (familielid van een) burger is van de EU; en
  • in de periode van twee jaar en drie maanden tot drie maanden voorafgaand aan de aanvraag ten minste zes maanden verzekerd is voor de volksverzekeringen.

De scholingsactiviteiten moeten aan een aantal voorwaarden voldoen om voor subsidie in aanmerking te komen. Het gaat om:

  • scholing, die wordt aangeboden door opleiders die erkend zijn door het ministerie van OCW;
  • branche- en sectorerkende opleidingen en trainingen;
  • opleidingen en trainingen, die worden gegeven door opleiders met een NRTO-keurmerk;
  • scholing die leidt tot een door het Nederlands Kwalificatieraamwerk NLQF ingeschaalde kwalificatie of diploma dat is opgenomen in het NLQF-register.

Er komt een scholingsregister, waarin alle scholingsactiviteiten zijn opgenomen waarvoor STAP kan worden aangevraagd. De subsidie is gelijk aan de kosten van de scholing met een maximum van € 1.000 per jaar. Er kan per jaar voor één scholingsactiviteit STAP-budget worden aangevraagd. Vergoedingen van derden, bijvoorbeeld van de werkgever, verminderen het bedrag dat voor subsidie in aanmerking komt. Het STAP-budget wordt bij het UWV aangevraagd door de deelnemer. Het UWV betaalt de factuur direct aan de opleider.


Lees meer  
 

Formeel recht

Op de zaak betrekking hebbende stukken

Wanneer de belanghebbende in een procedure voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat een bepaald stuk van enig belang kan zijn voor de besluitvorming in zijn zaak moet een verzoek tot overlegging van dat stuk in beginsel worden gehonoreerd als het bestaan van dat stuk aannemelijk is en het de inspecteur ter beschikking staat of heeft gestaan.

De Hoge Raad heeft een uitspraak van Hof Den Bosch vernietigd. In de procedure voor het hof is besproken dat de inspecteur zou onderzoeken of hij nog stukken had die de belanghebbende aan hem had verstrekt. De inspecteur zou berichten over de uitkomst van dat onderzoek. De belanghebbende had die stukken in originele vorm verstrekt, zonder kopieën daarvan te bewaren. Volgens de belanghebbende kon het hof zonder die stukken het geschil niet inhoudelijk beoordelen en had het hof geen uitspraak mogen doen.

Volgens de Hoge Raad heeft de belanghebbende gemotiveerd gesteld dat deze stukken van belang kunnen zijn voor de besluitvorming in haar zaak en daarom door de inspecteur aan het hof hadden moeten worden overgelegd. Het hof had moeten onderzoeken of de inspecteur de beschikking had over deze stukken. Voor zover dat het geval is had het hof vervolgens moeten onderzoeken of de inspecteur niet heeft voldaan aan de verplichting om de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. Dat wordt volgens de Hoge Raad niet anders als het gaat om een geschilpunt waarvoor de bewijslast op de belanghebbende rust.

De zaak is verwezen naar Hof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling.


Lees meer  
 


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.