Home » Nieuwsbrief » Nieuwsbrief 25 november 2021

Nieuwsbrief 25 november 2021

Inkomstenbelasting

Uitleg correctiebeleid Belastingdienst

De Belastingdienst hanteert een correctiebeleid. Op grond van dat beleid wordt geen navorderingsaanslag inkomstenbelasting opgelegd als het belastingbedrag niet meer dan € 450 bedraagt. Dit geldt niet in geval van kwade trouw of van repeterende onjuistheden van de kant van de belastingplichtige. In de tekst van de notitie, waarin het correctiebeleid is opgenomen, volgt op het bedrag van € 450 tussen haakjes de tekst “c.q. € 1.000 inkomen”.

Hof Den Haag oordeelde in een procedure dat door de toepassing van het correctiebeleid geen navorderingsaanslag mocht worden opgelegd. De inkomenscorrectie bedroeg aanvankelijk € 2.623. Na bezwaar is de correctie verminderd tot € 1.986. De navorderingsaanslag bedroeg aanvankelijk € 427 en na bezwaar nog € 223. De inspecteur meende dat voor de toepassing van het correctiebeleid aan beide criteria moest worden voldaan. Volgens de Hoge Raad heeft het hof het correctiebeleid juist uitgelegd door te oordelen dat een navorderingsaanslag tot een bedrag van niet meer dan € 450 niet wordt opgelegd, ook al is de aangebrachte inkomenscorrectie hoger dan € 1.000.


Lees meer  
 

Negatieve waarde vermogensbestanddeel in box 3

De Wet IB 2001 geeft geen antwoord op de vraag of een bezitting in box 3 bij de bepaling van de rendementsgrondslag een negatieve waarde kan hebben. In de wetsgeschiedenis wordt deze vraag niet beantwoord. De Advocaat-generaal (A-G) bij de Hoge Raad is in zijn conclusie bij een arrest van de Hoge Raad uit 2018 ingegaan op deze vraag. Volgens de A-G kan een zelfstandig vermogensbestanddeel zowel een negatieve als een positieve waarde hebben. Dat doet zich voor bij het lidmaatschap van een VvE met een onderhoudstekort of bij de eigendom van ernstig verontreinigde landbouwgrond als nog geen saneringsaanschrijving is ontvangen. Volgens de A-G past de uitsluiting van negatief vermogen niet in het uitgangspunt van box 3 dat het gehele vermogen rendement kan opleveren. Het voorschrift dat de waarde in het economische verkeer moet worden gehanteerd sluit bezittingen met een negatieve waarde niet uit.

Aan de vraag of een bezitting met een negatieve waarde bij de bepaling in de rendementsgrondslag als bezitting in aanmerking kan worden genomen, kwam de Hoge Raad in het arrest niet toe.

De rechtbank Noord-Nederland onderschrijft in een procedure de zienswijze van de A-G in diens conclusie. Dit betekent dat de rechtbank van oordeel is dat een bezitting een negatieve waarde kan hebben. De procedure had betrekking op de waardering van een perceel vervuilde grond. Daarvan stond vast dat de eigenaar bij verkoop van het perceel in de huidige staat een bedrag aan de koper zou moeten betalen in verband met sanering van de grond. Volgens de rechtbank had het perceel een negatieve waarde.


Lees meer  
 

Omzetbelasting

Geen aftrek voorbelasting op bouw woning voor exploitant zonnepanelen

Een ondernemer mag de omzetbelasting, die hem door andere ondernemers in rekening is gebracht voor de levering van goederen of het verrichten van diensten, in aftrek brengen voor zover hij de goederen en diensten gebruikt voor met omzetbelasting belaste handelingen. De ondernemer moet aannemelijk kunnen maken dat aan alle voorwaarden voor het uitoefenen van het recht op aftrek van voorbelasting is voldaan. Een van deze voorwaarden is dat de in rekening gebrachte kosten rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met het jegens een ander verrichten van een prestatie onder bezwarende titel die niet is vrijgesteld van omzetbelasting. 

Het recht op aftrek van de omzetbelasting over in een eerder stadium verworven goederen of diensten veronderstelt dat de voor de verwerving ervan gedane uitgaven zijn opgenomen in de prijs van de belaste handelingen in een later stadium. Een rechtstreeks en onmiddellijk verband is er ook als de kosten voor de betrokken goederen en diensten deel uitmaken van de algemene kosten van de ondernemer. Het vereiste rechtstreekse en onmiddellijke verband ontbreekt als de ondernemer de uitgave ook zou hebben gedaan wanneer hij geen belastbare economische activiteit had uitgeoefend.

Hof Den Bosch achtte in een procedure aannemelijk dat de belanghebbende de kosten voor de bouw van een woning ook zou hebben gemaakt wanneer zij geen zonnepanelen zou hebben aangeschaft. De belanghebbende was uitsluitend ondernemer vanwege de exploitatie van zonnepanelen. De uitgaven voor de bouw van de woning zijn volgens het hof niet gemaakt ten behoeve van het met zonnepanelen opwekken en tegen vergoeding leveren van energie. De belanghebbende had geen recht op aftrek van de omzetbelasting die drukte op de bouw van de woning.


Lees meer  
 

Arbeidsrecht

Pensioenuitvoerder besluit uitvoeringsovereenkomst op te zeggen

De Wet op de Ondernemingsraad (OR) bepaalt, dat een ondernemer de instemming van de OR nodig heeft voor elk voorgenomen besluit tot vaststelling, wijziging of intrekking van regelingen op grond van een pensioenovereenkomst. Hieronder worden ook verstaan regelingen  in een uitvoeringsovereenkomst die van invloed zijn op de pensioenovereenkomst.

De vraag in een procedure was of de OR een instemmingsrecht heeft als de pensioenuitvoerder de uitvoeringsovereenkomst opzegt. Niet in geschil was dat de OR dat recht heeft als de werkgever de uitvoeringsovereenkomst wil opzeggen.

Volgens de rechtbank is het besluit van de pensioenuitvoerder om de uitvoeringsovereenkomst op te zeggen geen besluit van de werkgever of een aan de werkgever toe te rekenen besluit. De opzegging is een eenzijdige rechtshandeling van de pensioenuitvoerder, waarvoor de instemming of medewerking van de werkgever niet is vereist. Evenmin is sprake van een aan de werkgever toerekenbaar besluit, zoals de OR betoogde. Toerekening van het besluit van de pensioenuitvoerder aan de werkgever zou kunnen als het besluit direct en in vergaande mate ingrijpt in de onderneming van de werkgever. De werkgever was niet betrokken bij het besluit om de uitvoeringsovereenkomst op te zeggen en er was geen zeggenschapsrelatie tussen de werkgever en de pensioenuitvoerder. Een dergelijke relatie is een voorwaarde voor het toerekenen van besluiten van het ene orgaan aan het andere.

De OR heeft geen instemmingsrecht met betrekking tot het besluit van de pensioenuitvoerder om de uitvoeringsovereenkomst op te zeggen.


Lees meer  
 

Onroerende zaken

Invloed erfdienstbaarheid op WOZ-waarde

Op een deel van het perceel van een woning rustte een erfdienstbaarheid in de vorm van het recht van overpad. Het gedeelte was in gebruik als brandgang voor de bewoner en voor omwonenden.

In een procedure over de WOZ-waarde van de woning voerde de eigenaar aan dat de brandgang buiten de waardering moest worden gelaten omdat dit deel van het perceel van de woning afgescheiden was. Volgens de rechtbank is geen sprake van een onjuiste objectafbakening. De erfdienstbaarheid brengt geen splitsing van eigendom of gebruik van het perceel teweeg. De eigenaar heeft nog steeds het gebruik en genot van het gehele perceel. Wel kan de erfdienstbaarheid van belang zijn voor de aan het perceel toe te kennen waarde. In deze procedure beschikten alle door de gemeentelijke heffingsambtenaar gehanteerde vergelijkingsobjecten over een zelfde soort brandgang. Voor zover al sprake zou zijn van een waardedrukkende invloed gold dat evenzeer voor de vergelijkingsobjecten in die zin dat deze invloed in de voor die objecten gerealiseerde verkoopprijzen is verdisconteerd.


Lees meer  
 

Sociale verzekeringen

Een of twee arbeidsovereenkomsten?

De werkgever heeft de verplichting om het loon van een werknemer tijdens diens arbeidsongeschiktheid door te betalen. Deze loondoorbetalingsplicht duurt in beginsel maximaal 104 weken. Een werknemer, van wie de dienstbetrekking eindigt binnen dat tijdvak van 104 weken na het intreden van arbeidsongeschiktheid, krijgt ziekengeld uitgekeerd.

Een procedure voor de rechtbank had betrekking op de vraag of een werknemer een of twee arbeidsovereenkomsten had. De wet verbiedt niet dat een werkgever en een werknemer meerdere naast elkaar bestaande arbeidsovereenkomsten sluiten. Als uitgangspunt geldt dat niet van twee naast elkaar bestaande dienstbetrekkingen wordt uitgegaan als er geen wezenlijke verschillen in de afgesproken arbeid en de arbeidsvoorwaarden bestaan. Volgens de rechtbank is wel sprake van twee arbeidsovereenkomsten als partijen daaraan afzonderlijke, in de arbeidsovereenkomst uiteengezette, rechtsgevolgen hebben willen verbinden. Dat geldt ook als de werkzaamheden in beide dienstverbanden niet van elkaar verschillen.

In deze procedure ging het om een aanvulling op de bestaande arbeidsovereenkomst, waardoor de werknemer in de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 juli 2020 meer arbeid zou verrichten. De bestaande arbeidsovereenkomst gold voor onbepaalde tijd. Volgens de rechtbank betrof het een tijdelijke uitbreiding van uren. Hoewel de werknemer arbeidsongeschikt was aan het einde van de aanvullende periode en de arbeidsongeschiktheid nog geen 104 weken had geduurd, had de werknemer geen recht op ziekengeld. Er was geen sprake van het einde van een zelfstandige arbeidsovereenkomst.


Lees meer  
 

Premiepercentages en maximum premieloon 2022

De staatssecretaris van SZW heeft de premiepercentages voor de werknemersverzekeringen en het maximumpremieloon voor het jaar 2022 vastgesteld. Het maximumpremieloon bedraagt in 2022 € 59.706 op jaarbasis. In 2021 was dat € 58.311.

                                                                                                                              2022                2021

 AOW                                                                                                             17,90%           17,90%

 Anw                                                                                                                  0,10%              0,10%

 Algemeen werkloosheidsfonds (Awf) - laag                            2,70%              2,70%*

 Awf - hoog                                                                                                   7,70%              7,70%**

 Uitvoeringsfonds voor de overheid                                              0,68%              0,68%

 Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof) - hoog                              7,05%             7,03%

 Aof - laag (kleine werkgevers)                                                           5,49%             n.v.t.

 Uniforme opslag kinderopvang                                                        0,50%             0,50%

 

*Exclusief tijdelijke verlaging per 1 augustus 2021

**In verband met coronacrisis buiten toepassing gelaten


Lees meer  
 

Successiewet

Kamervragen bedrijfsopvolgingsregeling

In de erf- en schenkbelasting geldt een vrijstelling voor de verkrijging van ondernemingsvermogen in het kader van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR). De vrijstelling bedraagt 100% van de waarde van het ondernemingsvermogen tot een bedrag van € 1.119.845 (bedrag 2021) en 83% van het meerdere ondernemingsvermogen. Voor het gedeelte van het ondernemingsvermogen, dat niet vrijgesteld is, kan op verzoek maximaal tien jaar rentedragend uitstel van betaling worden verkregen.

De staatssecretaris van Financiën heeft Kamervragen over de BOR beantwoord. De vragen zijn gesteld naar aanleiding van een voorstel van Register Belastingadviseurs in een artikel in het Financieele Dagblad.

Dat voorstel gaat uit van een 100%-vrijstelling voor ondernemingsvermogen van € 5 miljoen en van een vrijstelling van 50% voor het resterende ondernemingsvermogen. Het ondernemingsvermogen wordt volgens dat voorstel gewaardeerd op de fiscale boekwaarde. Voor de erf- en schenkbelasting die wordt geheven over het niet-vrijgestelde deel van het ondernemingsvermogen wordt gedurende tien jaar renteloos uitstel van betaling verleend. De BOR is op onroerende zaken slechts van toepassing voor zover deze worden gebruikt in de eigen onderneming. Onroerende zaken die niet kwalificeren voor de BOR zouden volgens de discounted-cashflowmethode gewaardeerd moeten worden.

De staatssecretaris merkt op dat de fiscale boekwaarde zich niet leent als maatstaf voor de toepassing van de Successiewet 1956. De fiscale boekwaarde is enigszins willekeurig, afhankelijk van de gekozen waarderingswijze en afschrijvingsmethode. Op basis van het voorstel op hoofdlijnen is volgens de staatssecretaris niet aan te geven wat het budgettaire effect daarvan zou zijn. Ook kan niet worden beoordeeld of dit voorstel leidt tot een doelmatigheidsverbetering. In het rapport “Bouwstenen voor een beter belastingstelsel” zijn diverse beleidsopties voor de BOR gepresenteerd. Op dit moment worden diverse fiscale regelingen rondom bedrijfsopvolging en bedrijfsoverdracht, waaronder de BOR, geëvalueerd. Afronding van de evaluatie staat gepland voor het eerste kwartaal van 2022.


Lees meer  
 

Formeel recht

Hof Den Bosch geeft richtlijnen voor proceskostenvergoedingen

Hof Den Bosch heeft in een bijlage bij een uitspraak richtlijnen gegeven voor beslissingen over de vergoeding van (proces)kosten. De richtlijnen gelden voor alle gerechtshoven en vervangen een eerdere versie uit een uitspraak van het hof uit 2018. Deze versie werd overigens alleen door Hof Den Bosch zelf gebruikt.

Voortaan wordt een proceskostenvergoeding voor een conclusie van repliek alleen nog toegekend als het hof expliciet heeft gevraagd om repliek of als het hof een op eigen initiatief ingediend aanvullend stuk als conclusie van repliek heeft aangemerkt. De rechter is niet verplicht een door een partij op eigen initiatief ingediend stuk aan te merken als een conclusie van repliek, ook niet als daarop staat vermeld ‘conclusie van repliek’. Wel staat het de rechter vrij een na het verweerschrift ingediend stuk aan te merken als een conclusie van repliek.

In de nieuwe richtlijnen zijn nieuwe situaties opgenomen waarin de hoven kunnen volstaan met een wegingsfactor 0,5 voor de zwaarte van de zaak.

Voor bezwaren tegen een dwangsombeschikking wegens het uitblijven van een uitspraak op bezwaar in belastingzaken geldt niet het hogere forfaitaire bedrag van de proceskostenvergoeding. De dwangsombeschikking is gerelateerd aan een besluit, dat is aan te merken als een “wettelijk voorschrift inzake belastingen”. Voor dergelijke besluiten geldt de lagere forfaitaire proceskostenvergoeding.


Lees meer  
 


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.