Home » Nieuwsbrief » Nieuwsbrief 9 juli 2021

Nieuwsbrief 9 juli 2021

Inkomstenbelasting

 

Nakoming toezeggingen over giftenaftrek

De staatssecretaris van Financiën is in een brief aan de Tweede Kamer ingegaan op de giftenaftrek en dan met name de eisen die aan periodieke giften worden gesteld.

Bij de giftenaftrek in de inkomstenbelasting wordt onderscheid gemaakt tussen periodieke giften en andere giften. Voor andere giften geldt een drempel waaronder de giften niet aftrekbaar zijn en een plafond waarboven giften niet meer aftrekbaar zijn. Voor periodieke giften geldt geen drempel en geen plafond. De periodieke gift is in de wet gedefinieerd als gift in de vorm van vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen die eindigen uiterlijk bij overlijden. Voor een periodieke uitkering geldt een onzekerheidsvereiste. Het totale beloop van een periodieke uitkering moet afhankelijk zijn van een toekomstige onzekere gebeurtenis van wezenlijke betekenis. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat een overlijdenskans van ongeveer 1% voldoende is om van een periodieke uitkering te spreken. In de praktijk wordt verondersteld dat bij een periodieke gift, die afhankelijk is van één leven, bij een termijn van vijf jaren aan het onzekerheidsvereiste is voldaan. Als de periodieke gift van twee of meer levens afhankelijk is, volstaat een termijn van vijf jaar niet voor een overlijdenskans die groter is dan 1%. De gift kwalificeert dan niet als periodieke gift en wordt aangemerkt als een andere gift. Dit kan gevolgen hebben voor de hoogte van de giftenaftrek. De staatssecretaris vindt het wenselijk om voor de periodieke gift het onzekerheidsvereiste anders vorm te geven. Dat kan door de periodieke gift niet langer te zien als een periodieke uitkering. Wel blijft een minimale looptijd van vijf jaar gelden. Daarvoor is een wetswijziging nodig. Volgens de staatssecretaris kan deze wijziging worden opgenomen in het wetsvoorstel Fiscale Verzamelwet 2024 om per 1 januari 2024 in werking te treden.


Lees meer  
 

Vennootschapsbelasting

 

Aanpassingen fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen
De internetconsultatie van het wetsontwerp met aanpassingen van het fiscale kwalificatiebeleid voor (buitenlandse) rechtsvormen heeft veel inhoudelijke reacties opgeleverd. Daaruit blijkt dat de nieuwe definitie van het fonds voor gemene rekening in de vennootschapsbelasting ingrijpende gevolgen kan hebben voor institutionele beleggers bij de spreiding van beleggingsrisico’s. Institutionele beleggers die beleggingen onderbrengen in fondsen voor gemene rekening maken vaak gebruik van het regime voor fiscale beleggingsinstellingen of vrijgestelde beleggingsinstellingen. De staatssecretaris van Financiën vindt het wenselijk om voor de aanpassing van de definitie van het fonds voor gemene rekening de aanbevelingen die voort zullen vloeien uit de evaluatie van het regime van de fiscale beleggingsinstelling en de vrijgestelde beleggingsinstelling af te wachten. De aanvankelijk voorgenomen aanpassing van de definitie van het fonds voor gemene rekening zal geen deel uitmaken van het wetsvoorstel met aanpassingen van het fiscale kwalificatiebeleid voor (buitenlandse) rechtsvormen. Dat wetsvoorstel zal overigens pas na het Belastingplan 2022 aan de Tweede Kamer worden aangeboden.


Lees meer  
 

 

Successiewet

 

Gevolgen vernietiging schenkingsovereenkomst

Een aanslag schenkbelasting wordt opgelegd als het belastbare feit zich heeft voorgedaan. De vernietiging van een schenkingsovereenkomst heeft niet tot gevolg dat de schenking teniet is gegaan. Vernietiging van een schenkingsovereenkomst is daarom volgens de Hoge Raad geen reden om de aanslag schenkbelasting te vernietigen, maar wel aanleiding om op verzoek vermindering van schenkbelasting te verlenen. De inspecteur beslist op een dergelijk verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. Het verzoek moet binnen acht maanden nadat de oorzaak voor vermindering is ontstaan worden ingediend. Dat verzoek kan worden gedaan in bezwaar of (hoger) beroep tegen de aanslag schenkbelasting.

De belanghebbende kocht in 2015 een woning van zijn oudtante. De levering vond plaats op 2 november 2015. De akte van levering vermeldde een koopprijs van € 325.000. De oudtante had toegezegd dat de belanghebbende de woning voor € 225.000 kon kopen. Bij notariële akte van schenking van 7 december 2015 heeft de oudtante de belanghebbende € 100.000 geschonken. De belanghebbende deed op 4 april 2016 aangifte van de schenking. De aanslag schenkbelasting is op 30 augustus 2016 opgelegd. Bij notariële akte van rectificatie van de schenking van 4 november 2016 is de schenking op grond van dwaling omgezet in een lening. De oudtante heeft die lening vervolgens eind 2017 kwijtgescholden.

Er volgde een procedure over de aanslag schenkbelasting. Hof Arnhem-Leeuwarden was van oordeel dat de aanslag terecht is opgelegd. Het hof vond aannemelijk dat de belanghebbende en zijn oudtante de fiscale gevolgen van de schenking niet hebben gewild en er dus sprake was van een wederzijdse dwaling. Het hof legde de belanghebbende de last op te bewijzen dat hij die dwaling aan de inspecteur kon tegenwerpen. Daarin slaagde de belanghebbende volgens het hof niet. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het hof vernietigd. Na verwijzing moet Hof Den Bosch de belanghebbende de gelegenheid geven om een verzoek om vermindering te doen. De inspecteur moet vervolgens de gelegenheid krijgen aannemelijk te maken dat het verzoek op vermindering berust op een oorzaak die slechts is voorgewend. Uit de inhoud van het bezwaarschrift volgt dat de termijn van acht maanden voor de indiening van het verzoek om vermindering niet is overschreden.

Hof Den Bosch leidt uit de akte van rectificatie af dat de belanghebbende en zijn oudtante hebben beoogd de schenkingsovereenkomst te vernietigen. Met de akte van rectificatie hebben zij de schenking civielrechtelijk rechtsgeldig omgezet in een lening. De vernietiging van de schenkingsovereenkomst is naar het oordeel van het hof niet voorgewend. Dat de lening van € 100.000 in 2017 alsnog is kwijtgescholden rechtvaardigt niet de conclusie dat dit bedrag altijd de kwalificatie van schenking heeft gehad en dus kon worden belast in 2015. Door de vernietiging van de schenkingsovereenkomst wordt de schenking geacht niet te hebben plaatsgevonden en is het bedrag van € 100.000 ten titel van geldlening aan de belanghebbende uitgeleend. Het hof heeft de aanslag schenkbelasting verlaagd tot nihil.


Lees meer  
 

 

Ondernemingsrecht

 

Wijziging tijdstip inwerkingtreding deel Wet bestuur en toezicht rechtspersonen

Op 1 juli 2021 is de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen (WBTR) grotendeels in werking getreden. Het besluit tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is kort voor die datum gewijzigd. Door de wijziging treden enkele artikelen van de wet op een nog te bepalen latere datum in werking. Het betreft de inwerkingtreding van de bepalingen die het monistisch bestuursmodel faciliteren bij verenigingen, coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen en stichtingen. Die bepalingen zullen in werking treden wanneer het technisch mogelijk is voor deze rechtspersonen om in het handelsregister aan te geven of een bestuurder uitvoerend of niet-uitvoerend is. In de praktijk wordt bij deze rechtspersonen al gewerkt met een monistisch bestuursmodel.

Ook het onderdeel van de wet, waardoor in het BW een bepaling wordt opgenomen dat de statuten van de nv een regeling moeten bevatten voor ontstentenis of belet van commissarissen, treedt later in werking. Abusievelijk is geen overgangsrecht bij de nv voor dit onderdeel opgenomen. Net als voor de vereniging en de stichting had voor de nv geregeld moeten worden dat bij de eerstvolgende statutenwijziging na 1 juli 2021 een regeling voor ontstentenis of belet in de statuten moet worden opgenomen. In een in voorbereiding zijnde verzamelwet zal een dergelijke overgangsbepaling voor nv’s worden opgenomen. Daarna kan de ontstentenis- en beletregeling voor commissarissen van de nv uit de WBTR in werking treden.


Lees meer  
 

 

Overige heffingen

 

Onderzoek naar belasting op plastic

Bij de behandeling van het belastingplan 2021 is de regering gevraagd onderzoek te doen naar de mogelijkheden voor een nationale heffing op nieuw plastic. De staatssecretaris van Financiën heeft een eerste verkenning laten doen, waarbij de plasticketen en de Nederlandse spelers in beeld zijn gebracht. Volgens de staatssecretaris kan het rapport van dit onderzoek als vertrekpunt dienen voor een door het volgende kabinet mogelijk voor te stellen belasting op plastic. Wel is dan verder onderzoek nodig naar varianten en alternatieven en de bijbehorende effecten.

Volgens de onderzoekers is een belasting op de doorverkoop van kunststof korrels en poeder aan producenten van plastic (tussen)producten het eenvoudigst te realiseren. Een dergelijke belasting brengt het risico van verschuiving van de productie van plastics mee. Een belasting op plastic eindproducten heeft deze weglekeffecten niet, maar is moeilijker vorm te geven vanwege het grote aantal producten en belastingplichtigen.

Andere beleidsinstrumenten dan een belasting op plastic zijn volgens de onderzoekers het overwegen waard. Voorbeelden zijn een verhoging van de doelstelling op het gebied van plasticrecycling, het invoeren van een verplicht minimumaandeel gerecycled plastic in nieuw plastic en het verbieden van plasticgebruik bij zwerfafvalgevoelige toepassingen.


Lees meer  
 

 

Invordering

 

Wijziging Leidraad Invordering

Vooruitlopend op een wijziging van wet- en regelgeving heeft de staatssecretaris van Financiën in de Leidraad Invordering een oplossing geboden voor schrijnende situaties met betrekking tot verschuldigde erfbelasting.

De regeling houdt in dat de ontvanger voor de duur van ten minste vijf jaar uitstel van betaling verleent aan een natuurlijk persoon, als betaling van de verschuldigde erfbelasting binnen de wettelijke termijn voor de betrokkene tot een schrijnende situatie zou leiden. De goedkeurende regeling geldt ook voor andere belastingaanslagen die onderdeel zijn van de boedel van een nalatenschap van een natuurlijk persoon als betaling binnen de wettelijke betalingstermijn bij de erfgenaam tot een schrijnende situatie zou leiden.

Een voorbeeld van een schrijnende situatie is een minderjarige, die door het overlijden van een familielid met een aanslag erfbelasting of inkomstenbelasting wordt geconfronteerd en nagenoeg alleen vermogen erft in de vorm van een vermogensbestanddeel dat een eerste levensbehoefte is, zoals de ouderlijke woning. De minderjarige heeft naast dit vermogensbestanddeel niet of nauwelijks inkomen of ander vermogen om de belastingaanslag(en) te kunnen betalen, terwijl niet te verwachten is dat hier binnen afzienbare termijn verandering in komt. De ontvanger kan in deze situaties uitstel van betaling verlenen voor de duur van ten minste vijf jaar. Afhankelijk van de feiten en omstandigheden kan de ontvanger een langere termijn toestaan. De ontvanger zal in beginsel aan het uitstel van betaling de voorwaarde verbinden dat de belastingschuldige voldoende zekerheid stelt.


Lees meer  
 

 


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.