Nieuwsbrief 19 januari 2023

Loonbelasting

 

Opgave van aan derden uitbetaalde bedragen

De wijze van aanleveren van gegevens over aan derden uitbetaalde bedragen aan de Belastingdienst is gewijzigd. Het gaat om uitbetalingen voor werkzaamheden of diensten aan personen die niet bij de uitbetaler in dienst zijn en die geen ondernemer zijn. Voor het aanleveren van gegevens is van belang of de uitbetaler al dan niet inhoudingsplichtig is. Wie een loonheffingennummer heeft, is een inhoudingsplichtige uitbetaler. Wie geen loonheffingennummer heeft, is een niet-inhoudingsplichtige uitbetaler.

Een inhoudingsplichtige uitbetaler moet de volgende gegevens aanleveren:

  • persoonsgegevens, zijnde naam, adres, geboortedatum en burgerservicenummer (BSN) van de betrokkenen; en
  • de uitbetaalde bedragen.

Een niet-inhoudingsplichtige uitbetaler mag het BSN niet registreren en hoeft dit dus niet aan te leveren.

De gegevens over 2022 moeten vóór 1 februari 2023 bij de Belastingdienst worden aangeleverd. Dat kan via het gegevensportaal van de Belastingdienst of via Digipoort. Aanleveren via het gegevensportaal kan op drie manieren:

  • met een webformulier;
  • met het sjabloon Uitbetaalde Bedragen aan Derden (een spreadsheet);
  • met speciale software.

Aanleveren via Digipoort kan alleen via daartoe geschikte software.


Lees meer  
 

Ondernemingswinst

 

Willekeurige afschrijving bedrijfsmiddelen 2023

De regeling voor willekeurige afschrijving is tijdelijk verruimd voor aangewezen nieuwe bedrijfsmiddelen. Deze verruiming geldt zowel voor de vennootschapsbelasting als voor de inkomstenbelasting. De regeling houdt in dat in 2023 tot 50% van de aanschaffings- of voortbrengingskosten willekeurig mag worden afgeschreven. De bedrijfsmiddelen moeten voor 1 januari 2026 in gebruik zijn genomen. De regeling geldt alleen voor bedrijfsmiddelen waarvoor de verplichting tot aanschaffing in 2023 is aangegaan of waarvan de voortbrengingskosten in 2023 zijn gemaakt. De willekeurige afschrijving geldt eenmalig. Over de na de willekeurige afschrijving resterende boekwaarde dient in de volgende jaren regulier afgeschreven te worden.

De volgende bedrijfsmiddelen zijn uitgezonderd van de regeling willekeurige afschrijving:

  • gebouwen;
  • schepen;
  • vliegtuigen;
  • bromfietsen en motorrijwielen;
  • personenauto’s, die niet zijn bestemd voor het beroepsvervoer over de weg, tenzij uit het kentekenregister blijkt dat de CO2-uitstoot 0 g/km bedraagt;
  • immateriële activa;
  • dieren;
  • voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen en paden;
  • bedrijfsmiddelen, die zijn bestemd om ter beschikking te worden gesteld aan derden. N.B. Deze uitzondering geldt niet voor bedrijfsmiddelen, die zijn bestemd om voor korte duur te worden verhuurd aan opeenvolgende huurders; en
  • bedrijfsmiddelen, waarop willekeurig wordt afgeschreven, bijvoorbeeld met toepassing van de VAMIL.

 

Lees meer  
 

 Landbouwnormen 2022

De Belastingdienst heeft de ‘Landelijke Landbouwnormen 2022’ gepubliceerd. Deze publicatie bevat de normbedragen voor 2022 voor de meest gangbare kostenposten en voor bepaalde bedrijfsmiddelen en voorraden voor agrarische bedrijven. Deze normen gelden alleen voor ondernemers en alleen voor agrarische activiteiten in Nederland. Ondernemers moeten de normen gebruiken om de jaarwinst van hun bedrijf te bepalen en bij de verwerking daarvan in de aangiften inkomstenbelasting en/of vennootschapsbelasting. Alle bedragen in de Landbouwnormen worden vermeld exclusief omzetbelasting.

Voor de biologische land- en tuinbouw zijn er geen aparte normen, omdat deze sector te divers is om er normen voor te ontwikkelen. Afwijken van de landbouwnormen is alleen in uitzonderlijke gevallen toegestaan. Afwijkingen moeten in de aangifte inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting worden vermeld, met opgave van redenen voor de afwijking. De normbedragen zijn gebaseerd op kostprijsberekeningen. Bij eigen verbruik en privégebruik is geen sprake van normen, maar van richtbedragen. Van de richtbedragen mag worden afgeweken mits aannemelijk gemaakt kan worden waarom deze niet van toepassing zijn.


Lees meer  
 

Arbeidsrecht

 

Nieuwe opzet aanvullende risico-inventarisatie en -evaluatie gevaarlijke stoffen

Bij de wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit) is de regelgeving over de aanvullende risico-inventarisatie en -evaluatie herzien. De minister van SZW heeft de Arbeidsomstandighedenregeling gewijzigd in verband met een nieuwe opzet van de aanvullende risico-inventarisatie en -evaluatie inzake risico’s zware ongevallen met gevaarlijke stoffen. De regeling werkt een aantal nieuwe artikelen van het Arbobesluit uit. Deze artikelen bevatten voorschriften voor de voorkoming en beperking van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. In deze regeling worden ter uitwerking van het Arbobesluit – met bijbehorende bijlagen – voorschriften gegeven inzake:

  • procedures voor de risico-inventarisatie en -evaluatie;
  • scenariobeschrijvingen;
  • onderdelen van het veiligheidsbeheerssysteem; en
  • intern noodplan.

Verder is in deze regeling de lijst met gevaarlijke stoffen opgenomen met bijbehorende drempelwaarden.


Lees meer  
 

Voortgangsbrief werken met of als zelfstandige(n)

De ministers van SZW en van EZK en de staatssecretaris van Financiën hebben een uitgebreide  voortgangsbrief over het werken met zelfstandigen en als zelfstandige naar de Tweede Kamer gestuurd.

Het kabinet erkent het belang van zelfstandig ondernemerschap voor de economie. Tegelijkertijd is er een groep werkenden, die niet voldoende beschermd is tegen inkomensschokken door werkverlies en ziekte. De groei van de groep zelfstandigen heeft gevolgen voor het stelsel van sociale zekerheid. Het kabinet wil ter voorkoming van oneerlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden de financiële verschillen tussen werkenden in loondienst en zelfstandigen verkleinen. In dat kader is de zelfstandigenaftrek verlaagd en is toevoeging aan de oudedagsreserve voor ondernemers niet meer mogelijk. In de brief wordt voortgang gemeld over de invoering van een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zzp’ers.

De wettelijke norm om werknemers van zelfstandigen te onderscheiden is een open norm, die door rechterlijke uitspraken is ingevuld. Het kabinet wil de in de jurisprudentie gehanteerde regels overzichtelijk bijeenbrengen in de wet. Deze regels kenmerken zich door drie hoofdelementen:

  1. Is er materieel gezag tussen opdrachtgever en uitvoerende?
  2. Is het werk organisatorisch ingebed in de organisatie van de opdrachtgever?
  3. Is sprake van zelfstandig ondernemerschap binnen een arbeidsrelatie?

De drie hoofdelementen worden de komende tijd nader uitgewerkt. Het streven is om voor de zomer van 2023 een conceptwetsvoorstel voor internetconsultatie open te stellen. Begin 2024 moet dan een uitgewerkt wetsvoorstel bij de Tweede Kamer worden ingediend.

Er wordt gewerkt aan het invoeren van een rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst, dat is gekoppeld aan het gehanteerde uurtarief. Dit rechtsvermoeden is erop gericht om de positie van werkenden met minder onderhandelingsmacht te versterken. Als een werkende zich beroept op een werkgever-werknemerrelatie moet de opdrachtgever bewijzen dat hij geen werkgever is.

Het kabinet wil uiterlijk op 1 januari 2025 het bestaande handhavingsmoratorium volledig opheffen.


Lees meer  
 

Sociale verzekeringen

 

Wijziging bedragen en percentages sociale verzekeringen

De minister van SZW heeft een regeling gepubliceerd in verband met de wijziging van diverse bedragen en percentages voor 2023.

In het Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is de hoogte van de maximale transitievergoeding aangepast aan de stijging van de contractlonen. De maximale transitievergoeding is verhoogd van € 86.000 naar € 89.000.

De uurloongrenzen voor het lage-inkomensvoordeel van de Wet tegemoetkomingen loondomein zijn aangepast aan de stijging van het wettelijk minimumloon per 1 januari. Voor 2023 gelden de volgende uurloongrenzen:

Uurloongrens                 bedrag

 100% WML                     € 12,04

 125% WML                     € 15,06


Lees meer  
 

Autobelastingen

 

Schending Unierechtelijk verdedigingsbeginsel leidt tot vernietiging naheffing bpm

In een procedure over een naheffingsaanslag bpm heeft Hof Den Bosch vastgesteld dat de inspecteur het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel heeft geschonden. De inspecteur had de belanghebbende in de gelegenheid moeten stellen om te worden gehoord voordat hij de naheffingsaanslag oplegde. Dat heeft hij niet gedaan. Evenmin heeft de inspecteur feiten en omstandigheden aangevoerd die dat rechtvaardigen. Het hof heeft aan de schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel geen gevolgen verbonden. Volgens het hof leidt schending alleen tot nietigverklaring van een genomen besluit wanneer de procedure zonder de schending een andere afloop had kunnen hebben. De conclusie van het hof is dat zonder de onregelmatigheid de naheffingsaanslag niet tot een lager bedrag zou zijn opgelegd.

De Hoge Raad heeft in cassatie de naheffingsaanslag vernietigd. Aangezien de inspecteur bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag heeft verminderd, moet ervan worden uitgegaan dat de belanghebbende bij het horen voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag met feiten, omstandigheden en argumenten had kunnen komen die tot een ander besluit van de inspecteur zouden hebben geleid. Door de schending van het verdedigingsbeginsel kan niet worden vastgesteld of dat het geval zou zijn geweest. Die onzekerheid komt volgens de Hoge Raad voor risico van de inspecteur.


Lees meer  
 

Formeel recht

 

Horizontaal toezicht verhindert navordering of correctie niet

De Hoge Raad heeft onlangs geoordeeld dat aan een onder het convenant horizontaal toezicht ingediende aangifte niet het in rechte te beschermen vertrouwen kan worden ontleend dat de aanslag zonder correctie wordt vastgesteld. Ook de Leidraad Horizontaal Toezicht MKB, Fiscaal dienstverleners van de Belastingdienst zegt niets over tot het al of niet achterwege laten van navordering als aanvankelijk de ingediende aangifte is gevolgd.

De procedure heeft betrekking op een dga met een oplopende rekening-courantschuld en een hypotheekschuld aan zijn bv. De Belastingdienst heeft de aanslag in eerste instantie vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte. Na beoordeling van de aangifte vennootschapsbelasting van de bv heeft de Belastingdienst het totaalbedrag van de schulden aangemerkt als een uitdeling van winst door de bv aan de dga. De Belastingdienst heeft een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en een vergrijpboete opgelegd aan de dga.

Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden kan een oplopende schuld aan een bv als gevolg van privéopnamen door de dga op enig moment tot de conclusie leiden dat de bv haar rechten als schuldeiser heeft prijsgegeven. Dat kan vrijwillig zijn gebeurd of omdat de dga niet in staat moet worden geacht de schuld te kunnen aflossen. Er doet zich dan een vermogensverschuiving van de bv naar de dga voor ter grootte van de gehele schuld. Er is sprake van een winstuitdeling als de dga en de bv zich bewust zijn of hadden moeten zijn van de bevoordeling van de dga door de bv. Naar het oordeel van het hof was dat het geval.

Ten aanzien van de opgelegde boete heeft de dga naar het oordeel van het hof dermate lichtvaardig gehandeld dat hem grove schuld kan worden verweten. Dat was voldoende om de boete in stand te laten. Daaraan doet niet af dat de dga bij het indienen van zijn aangifte gebruik heeft gemaakt van een gerenommeerd kantoor.

De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie tegen het oordeel van het hof over de winstuitdeling gegrond verklaard. Het hof heeft ten onrechte geen onderscheid gemaakt tussen onttrekkingen op het moment waarop een bv een lening verstrekt en onttrekkingen die later plaatsvinden door het prijsgeven van rechten door de schuldeiser. Het hof had moeten vaststellen en motiveren dat en tot welk bedrag de bv haar rechten als schuldeiser in het betreffende jaar heeft prijsgegeven. Dat heeft het hof niet gedaan. Hof Den Bosch moet nu beoordelen of en tot welk bedrag een winstuitdeling aan de dga heeft plaatsgehad. Als dat het geval is zal het hof moeten beoordelen of het aan grove schuld van de dga te wijten is dat aanvankelijk te weinig belasting is geheven.


Lees meer  
 

Bewijs voorwaardelijke opzet

Naar aanleiding van een boekenonderzoek zijn aan een ondernemer (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2010 tot en met 2012 opgelegd. Tegelijk heeft de Belastingdienst vergrijpboetes aan de ondernemer opgelegd.

Hof Den Bosch was van oordeel dat de boetes terecht zijn opgelegd. Volgens het hof heeft de ondernemer gehandeld met (voorwaardelijke) opzet. In cassatie voerde de ondernemer aan dat het oordeel van het hof berust op feitelijke vaststellingen over de administratie van inkoopkosten, die niets over zijn intentie zeggen. Het hof heeft verzuimd te oordelen over het bewustzijn van de ondernemer ten tijde van het doen van de aangifte.

De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie verworpen. Het hof heeft vastgesteld dat de ondernemer bij het doen van de aangiften is uitgegaan van bedragen aan inkoopkosten, die niet onderbouwd, niet controleerbaar of verifieerbaar zijn. De inkoopkosten volgden niet uit een deugdelijke administratie. Door deze bedragen toch als inkoopkosten aan te merken heeft de ondernemer willens en wetens de kans aanvaard dat te weinig belasting wordt geheven. Daarvan moet hij zich naar het oordeel van het hof ten tijde van het doen van aangifte bewust zijn geweest.

Volgens de Hoge Raad heeft het hof hiermee tot uitdrukking gebracht dat de ondernemer zich bewust was van de ondeugdelijkheid van de administratie waarop hij de aangiften heeft gebaseerd. Het oordeel van het hof geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting inzake het begrip (voorwaardelijke) opzet.


Lees meer   

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.