Nieuwsbrief 25 november 2022

Loonbelasting

 

Bedrag vrijstelling thuiswerkvergoeding 2023
In de eerste Nieuwsbrief Loonheffingen 2023 van de Belastingdienst is vermeld dat de gerichte vrijstelling voor de onbelaste thuiswerkvergoeding in 2023 wordt verhoogd naar € 2,15 per thuisgewerkte dag. Eerder was meegedeeld dat de vrijstelling zou worden verhoogd tot € 2,13. In 2022 is het bedrag van de vrijstelling € 2,00 per dag.


Lees meer  
 

Inkomstenbelasting

 

Toerekening helft winstuitdeling aan partner

Een door een vennootschap aan haar aandeelhouder toegekend voordeel is een uitdeling van winst indien en voor zover aannemelijk is dat de vennootschap de aandeelhouder als zodanig heeft willen bevoordelen. De aandeelhouder moet zich van de bevoordelingsbedoeling bewust zijn geweest of had dat redelijkerwijs moeten zijn. Een winstuitdeling vormt een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang en is belast in box 2 van de inkomstenbelasting. Inkomen uit aanmerkelijk belang is een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel. Voor zover de partners geen andere verhouding hebben gekozen, wordt dit inkomensbestanddeel aan de belastingplichtige en zijn partner ieder voor de helft toegerekend.

Een vennootschap verstrekte in 2007 een lening van € 29 miljoen aan haar aandeelhouder door overdracht van een effectenportefeuille. De vennootschap droeg de vordering op de aandeelhouder over aan een buitenlandse dochtermaatschappij. In 2012 is de vordering ten titel van terugbetaling van kapitaal door de dochtermaatschappij overgedragen aan de vennootschap. De vordering bedroeg op dat moment ruim € 36 miljoen. De waarde van de effectenportefeuille was in de tussentijd gedaald tot € 19,6 miljoen. De dochtermaatschappij heeft vlak voor de overdracht een deel van de vordering ter grootte van € 16,6 miljoen kwijtgescholden.

Bij de aanslagregeling voor het jaar 2012 heeft de inspecteur de kwijtschelding aangemerkt als een uitdeling van winst aan de aandeelhouder en zijn echtgenote, ieder voor de helft. De vraag was of  ook de echtgenote zich van de bevoordelingsbedoeling bewust moest zijn geweest. Hof Den Haag is van oordeel dat dit niet het geval is. Voldoende is dat de aandeelhouder zich bewust moet zijn geweest van de bevoordeling. Omdat de echtgenoten geen andere verdeling van het inkomen uit aanmerkelijk belang hebben gekozen, heeft de inspecteur terecht bij ieder de helft van het bedrag van de winstuitdeling in aanmerking genomen.


Lees meer  
 

Bewustheid bij aandeelhouder van winstuitdeling

Een door een vennootschap aan haar aandeelhouder toegekend voordeel is een uitdeling van winst indien en voor zover aannemelijk is dat de vennootschap de aandeelhouder als zodanig heeft willen bevoordelen. De aandeelhouder moet zich van de bevoordelingsbedoeling bewust zijn geweest of had dat redelijkerwijs moeten zijn. Een winstuitdeling vormt een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang en is belast in box 2 van de inkomstenbelasting. Inkomen uit aanmerkelijk belang is een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel. Voor zover de partners geen andere verhouding hebben gekozen, wordt dit inkomensbestanddeel aan de belastingplichtige en zijn partner ieder voor de helft toegerekend.

Een vennootschap verstrekte in 2007 een lening van € 29 miljoen aan haar aandeelhouder door overdracht van een effectenportefeuille. De vennootschap droeg de vordering op de aandeelhouder over aan een buitenlandse dochtermaatschappij. In 2012 is de vordering ten titel van terugbetaling van kapitaal door de dochtermaatschappij overgedragen aan de vennootschap. De vordering bedroeg op dat moment ruim € 36 miljoen. De waarde van de effectenportefeuille was in de tussentijd gedaald tot € 19,6 miljoen. De dochtermaatschappij heeft vlak voor de overdracht een deel van de vordering ter grootte van € 16,6 miljoen kwijtgescholden. Die kwijtschelding is door de inspecteur aangemerkt als een uitdeling van winst.

Volgens Hof Den Haag heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat de dochtermaatschappij de aandeelhouder heeft willen bevoordelen. De aandeelhouder moet zich daarvan bewust zijn geweest. De daling van de waarde van de effectenportefeuille was geen reden voor afwaardering van de vordering omdat niet de portefeuille is uitgeleend maar een geldbedrag. De lening moest volgens de overeenkomst in euro’s worden terugbetaald. De aandeelhouder beschikte over de financiële middelen om zijn schuld aan de dochtermaatschappij te kunnen voldoen. Een zakelijke reden voor de afwaardering was er niet. Het ging om een zeer aanzienlijk bedrag, dat niet anders dan een bewuste bevoordeling kan zijn geweest van de aandeelhouder. De aandeelhouder heeft als bestuurder van de vennootschap de algemene vergadering van aandeelhouders van de dochtermaatschappij bijgewoond. In die vergadering is besloten tot de afwaardering. De inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat het besluit om een verlies van ruim € 16 miljoen te nemen op de vordering door de aandeelhouder zelf is genomen. De inspecteur heeft het bedrag van de afwaardering terecht als een uitdeling van winst aangemerkt.


Lees meer  
 

Geruisloze inbreng verhuurde onderneming

De inbreng van een onderneming voor de inkomstenbelasting in een bv wordt op verzoek van de ondernemer niet aangemerkt als een staking van de onderneming. De oprichters van de bv moeten in dezelfde verhouding gerechtigd zijn in het aandelenkapitaal van de bv als in het vermogen van de omgezette onderneming. Daarnaast moet aan een aantal door het ministerie van Financiën gestelde voorwaarden worden voldaan. Volgens een besluit van Financiën kan het verhuren van een onderneming niet als het drijven van een onderneming worden aangemerkt. Daarom zou een geruisloze omzetting van een verhuurde onderneming in beginsel niet mogelijk zijn.

De vraag in een procedure voor Hof Amsterdam is of geruisloze inbreng van een verhuurde onderneming mogelijk is, als de onderneming aanvankelijk door de inbrenger is gedreven en later door hem is verhuurd. De rechtbank oordeelde eerder dat de onderneming niet mede voor rekening en risico van de inbrenger of de bv wordt gedreven. Volgens de rechtbank heeft de Belastingdienst het verzoek om toepassing van de geruisloze inbreng terecht afgewezen.

Het hof is van oordeel dat de inbrenger sinds de aanvang van de verhuur winst uit onderneming heeft genoten als medegerechtigde tot het vermogen van een onderneming. De overeengekomen huurperiode bedroeg maximaal 15 jaar. Na afloop van de huurperiode komen de tot de verhuurde onderneming behorende vermogensbestanddelen aan de inbrenger toe. De medegerechtigdheid vormt volgens het hof een rechtstreekse voortzetting van de eerdere gerechtigdheid tot het ondernemingsvermogen als ondernemer voor de inkomstenbelasting. In een dergelijke situatie kan de medegerechtigde een beroep doen op de faciliteit van de geruisloze inbreng van een onderneming.


Lees meer  
 

Arbeidsrecht

 

Vernietiging loonsanctie na bezwaar

Bij de aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet WIA beoordeelt het UWV of voldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. Is dat niet het geval, dan verlengt het UWV het tijdvak van loondoorbetaling met maximaal 52 weken. Deze loonsanctie geeft de werkgever de mogelijkheid om de tekortkomingen in de re-integratie-inspanningen te herstellen. Ten aanzien van de re-integratie-inspanningen heeft de werkgever een inspanningsverplichting en geen resultaatsverplichting.

Het UWV legde aan een werkgever een loonsanctie op, omdat de re-integratie-inspanningen als onvoldoende werden aangemerkt. Na bezwaar van de werkgever is de loonsanctie komen te vervallen. Aan de werkneemster is een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend.

De werkneemster heeft beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het besluit van het UWV om de loonsanctie te laten vervallen. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard omdat de werkneemster niet in staat was haar functie volledig te vervullen. Volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep zou het aanbieden van eenvoudige deeltaken van de functie niet leiden tot een bevredigend re-integratieresultaat, omdat de werkneemster daarmee niet minimaal 65% van de oorspronkelijke loonwaarde zou kunnen verdienen. De rechtbank was van oordeel dat het UWV terecht het standpunt heeft ingenomen dat er geen bevredigend re-integratieresultaat is bereikt, maar dat er geen re-integratiekansen in het eerste spoor zijn gemist. Een tekortkoming in het tweede spoor is in eerste instantie niet aan de loonsanctie ten grondslag gelegd en kan daarom volgens de rechtbank niet worden gebruikt als grondslag voor het handhaven daarvan.

De Centrale Raad van Beroep is met de rechtbank van oordeel, dat uit de stukken van het geding voldoende steun blijkt voor het standpunt van het UWV dat de werkgever voldoende re-integratie-inspanningen in het eerste spoor heeft verricht.

De Centrale Raad van Beroep merkt op, dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft erkend dat er tekortkomingen in het tweede spoor waren, die aanleiding hadden moeten geven tot het opleggen van een loonsanctie. Deze tekortkomingen konden niet aan het alsnog opleggen of handhaven van de loonsanctie ten grondslag worden gelegd, omdat het UWV de werkgever daarvan niet voor het einde van de wachttijd op de hoogte had gesteld. De tekortkomingen in het tweede spoor kunnen volgens de Centrale Raad van Beroep worden betrokken in een verzoek om schadevergoeding van de werkneemster aan het UWV wegens het onrechtmatig niet opleggen van een loonsanctie aan de werkgever.


Lees meer  
 

In hoger beroep gedeeltelijke toewijzing loonvordering

Een op staande voet ontslagen werknemer vorderde betaling van loon en van een vergoeding voor niet genoten vakantiedagen van zijn ex-werkgever. De kantonrechter heeft dit verzoek afgewezen, omdat de werknemer gedurende de periode waarover hij loon vordert geen werkzaamheden zou hebben verricht. Het niet verrichten van de overeengekomen arbeid kwam volgens de kantonrechter voor rekening komt van de werknemer, omdat hij in het buitenland was gearresteerd en in hechtenis genomen. In hoger beroep oordeelde Hof Den Haag anders. Het ontslag op staande voet werd gegeven terwijl de werknemer in hechtenis zat.

Het hof maakte bij de beoordeling van de loonvordering onderscheid tussen drie perioden. Bij de kantonrechter heeft de werkgever de stelling van de werknemer, dat hij in de eerste periode de overeengekomen arbeid heeft verricht, niet bestreden. Het oordeel van de kantonrechter is in zoverre onjuist. Het hof heeft de loonvordering voor de eerste periode toegewezen. De tweede periode betrof de tijd waarin de werknemer na zijn arrestatie in hechtenis zat. De datum waarop de werknemer is gearresteerd en de periode van hechtenis heeft het hof als vaststaand aangenomen. In die periode, die eindigde met zijn ontslag, heeft de werknemer de overeengekomen arbeid niet verricht. Het hof heeft de loonvordering voor deze periode afgewezen, omdat het niet verrichten van arbeid in deze periode voor rekening van de werknemer diende te komen.

Ten aanzien van de gang van zaken in de derde periode waren de standpunten van de werkgever zodanig inconsistent en bleven zoveel vragen onbeantwoord, dat het hof het verweer van de werkgever tegen de loonvordering heeft verworpen. Van ongeoorloofd verzuim was geen sprake. Het hof vond onvoldoende gemotiveerd weersproken dat de werknemer tot zijn vertrek naar het buitenland zijn gebruikelijke werkzaamheden heeft verricht. Ook voor deze periode heeft het hof de loonvordering toegewezen.

Tegen de vordering tot uitbetaling van niet-genoten vakantiedagen heeft de werkgever geen verweer gevoerd. Het hof heeft deze vordering gedeeltelijk toegewezen. Over de periode van hechtenis tot aan het ontslag had de werknemer geen recht op vakantie, omdat hij in die periode niet heeft gewerkt.


Lees meer  
 

Subsidies

 

Steunregeling visserij

Het ministerie van LNV heeft een steunregeling voor de visserij opgesteld. Per ondernemer is maximaal € 30.000 beschikbaar voor de gestegen brandstofkosten, verdeeld over een periode van drie belastingjaren. De regeling is gebaseerd op de de-minimisverordening voor de visserijsector. Aanvragen kunnen naar verwachting in het eerste kwartaal van 2023 worden ingediend. Volgens de minister van LNV moet de steunregeling in samenhang worden bezien met de financiële ondersteuning om de visserijvloot te verduurzamen. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) gaat de regeling uitvoeren.

Om de visserij te ondersteunen in de transitie naar een duurzame en rendabele vloot is tot 2030 in totaal € 444 miljoen beschikbaar. Deze regeling is bedoeld voor investeringen en innovaties op het gebied van duurzame visserijtechnieken, moderne en schone motoren en hulp aan ketenbedrijven. Daarnaast wordt hiermee de saneringsregeling gefinancierd voor visserijschepen die worden geraakt door de Brexit. Aanmelding is mogelijk tot 30 november 2022.


Lees meer  
 

Autobelastingen

 

Onderzoeksrapport rekeningrijden

De staatssecretaris van Financiën heeft aan de Tweede Kamer het onderzoeksrapport aangeboden betreffende de introductie van een systeem van betalen naar gebruik voor alle personen- en bestelauto’s in 2030.

In het onderzoek zijn drie hoofdvarianten voor een tariefstructuur uitgewerkt, met een aantal subvarianten. De drie varianten zijn de volgende:

  1. Een gelijk kilometertarief voor alle voertuigen, zonder opslag voor diesel of LPG. Diverse bestaande kortingen en vrijstellingen blijven.
  2. Een gedifferentieerd kilometertarief, afhankelijk van het gewicht, met een opslag voor diesel en LPG.
  3. Een vast basistarief met een opslag op basis van de CO2-uitstoot van het voertuig.

Het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid heeft onderzoek gedaan naar de te verwachten effecten van een systeem van betalen naar gebruik.

Het kabinet zal de onderzoeksresultaten meenemen bij de besluitvorming over de tariefstructuur. In het voorjaar van 2023 volgt nadere informatie.


Lees meer  
 

Formeel recht

 

Vereiste aangifte niet gedaan

Wanneer iemand niet de vereiste aangifte heeft gedaan, wordt de bewijslast omgekeerd en verzwaard. Dat betekent in een procedure dat de belastingplichtige overtuigend moet aantonen dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. De vereiste aangifte is niet gedaan wanneer sprake is van één of meer gebreken, waardoor de volgens de aangifte verschuldigde belasting aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Daarbij moet worden uitgegaan van het te betalen bedrag aan belasting na verrekening van voorheffingen en heffingskortingen. De belastingplichtige moet zich ervan bewust zijn dat door de gebreken in de aangifte een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou zijn geheven. Zowel voor de constatering van de gebreken in de aangifte als voor de bewustheid van de belastingplichtige gelden de normale regels van stelplicht en bewijslast.

De Belastingdienst corrigeerde de aangiften van een belastingplichtige, die in 2016 en 2017 geen inkomen heeft aangegeven. In die jaren stortte hij regelmatig contante bedragen van tussen de € 500 en € 4.400 op zijn bankrekening. In vier jaar tijd heeft de belastingplichtige zeven voertuigen ingevoerd. Volgens verklaring van de belastingplichtige betrof een voertuig een door hem gerepareerde schadeauto, die hij voor beduidend meer dan zijn aankoopprijs heeft verkocht.

Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden is het vermoeden gerechtvaardigd dat de belastingplichtige inkomsten heeft genoten met het herstellen en/of verhandelen van auto’s of uit een andere onbekend gebleven bron van inkomen. Naar het oordeel van het hof kan een aanzienlijk deel van de contante stortingen worden aangemerkt als belast inkomen. Dit leidt tot de constatering dat de vereiste aangiften niet zijn gedaan, omdat op grond van de ingediende aangiften een verhoudingsgewijs en op zichzelf beschouwd aanzienlijk bedrag aan inkomstenbelasting niet zou worden geheven. Het hof acht verder aannemelijk dat de belastingplichtige zich daarvan ten tijde van het doen van de aangiften bewust was en dat in ieder geval had moeten zijn. De belastingplichtige heeft zijn stellingen omtrent de herkomst van de contante geldbedragen, die hij op zijn bankrekeningen heeft gestort, niet aannemelijk gemaakt. Daarmee is niet voldaan aan de normale bewijslast en dus zeker niet aan de verzwaarde bewijslast op grond van de omkering en verzwaring daarvan.


Lees meer  
 

Geen berekening belastingrente over periode dat geld bij Belastingdienst stond

De Belastingdienst brengt belastingrente in rekening als het opleggen van een aanslag door toedoen van de belastingplichtige te lang op zich heeft laten wachten. Daar staat tegenover dat belastingrente wordt vergoed als de Belastingdienst te lang heeft gedaan over het vaststellen van een aanslag met een uit te betalen bedrag. Bij de vermindering van een aanslag wordt de reeds betaalde belastingrente naar evenredigheid teruggegeven.

In de wetsgeschiedenis zijn voorbeelden opgenomen ter illustratie van de werking van de belastingrenteregeling. In geen van deze voorbeelden komt de situatie aan de orde waarin belastingrente wordt berekend over een periode waarin de Belastingdienst vanwege de betaling van een eerdere voorlopige aanslag al beschikte over het te betalen belastingbedrag.

Volgens de Hoge Raad leidt letterlijke toepassing van de belastingrenteregeling ertoe dat in een dergelijk geval belastingrente wordt berekend. Dat is een onacceptabel gevolg van de regeling. De wetgever heeft met de regeling van de belastingrente willen aansluiten bij de regeling van verzuimrente in de Algemene wet bestuursrecht. Die regeling voorziet erin dat rente wordt berekend wanneer het bestuursorgaan of de burger in verzuim is. Een dergelijk verzuim ontstaat wanneer de schuldenaar niet binnen de voorgeschreven termijn heeft betaald. Het vergoeden van rente is bedoeld om het rentenadeel van de schuldeiser dat ontstaat door de te late betaling te compenseren.

De verzuimrenteregeling in de Algemene wet bestuursrecht is gebaseerd op de civielrechtelijke regeling van de compensatie van geleden renteschade. Beide regelingen gaan uit van een niet betaalde hoofdsom en van te compenseren renteschade. Daarvan is geen sprake gedurende de periode waarin de Belastingdienst beschikte over het verschuldigde belastingbedrag. Over die periode is geen belastingrente verschuldigd.

De Hoge Raad merkt op, dat dit niet verhindert dat belastingrente wordt berekend over de periode tussen de dagtekening van een aanslagbiljet en de uiterste datum van betaling, ook al is de aanslag voor het einde van de betaaltermijn betaald. Deze situatie is in de wetsgeschiedenis uitdrukkelijk aan de orde gekomen en aanvaard. De Hoge Raad neemt daarom aan dat de wetgever omwille van de uitvoerbaarheid een wat ruwe berekening van de renteschade heeft beoogd.


Lees meer  
 

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.